WINCHESTER. En ik! ben ik niet een prelaat der kerk? 46

GLOSTER. Ja, zooals een bandiet een slot bezet,

En dit gebruikt tot veil’ging van zijn buit.

WINCHESTER. Onwaardig spotter, gij!

GLOSTER. En gij zijt waardig

Slechts om uw geestlijk ambt, niet om uw leven.

WINCHESTER. Dit wreke Rome!

WARWICK. Ruim dan ’t land voor Rome.

SOMERSET. Mylord, gij moest uw wrevel onderdrukken.

WARWICK. Ja, goed, beschut uw bisschop voor verdrukking.

SOMERSET. Mij dunkt, mylord mocht wel wat vromer zijn,

En de’ eerbied kennen, die een’ priester toekomt.

WARWICK. Mij dunkt, een bisschop moest deemoedig zijn;

Het past aan geen prelaat, aldus te pleiten.

SOMERSET. Wel als zijn heilig ambt dus wordt miskend.

WARWICK. Wat maakt dit uit, geheiligd of onheilig?

Is zijn genade hier niet rijks-protector?

PLANTAGENET (ter zijde). Plantagenet, ik zie het, moet hier zwijgen,

Of hoorde: „Kerel, spreek, als gij het moogt!

„Mag uwe stoute tong aan lords zich wagen?”

’k Had anders gaarne een twist met Winchester.

KONING HENDRIK. Mijn ooms van Gloster en van Winchester,

Gestelde wakers over Englands welzijn,

Hoe gaarne, als beden iets vermogen, bond ik

In liefde en eendracht uwe harten saam.

O welk een smading is ’t van onze kroon,

Dat twee zoo eed’le pairs als gij dus twisten.

Geloof mij, lords, mijn teed’re jeugd bevroedt reeds,

Dat burgertwist een giftige adder is,

Die de ingewanden van den staat doorknaagt.

(Buiten geschreeuw: „Weg met de Bruinrokken!”)

Wat is dat voor geraas?

WARWICK. Een oploop, wed ik,

Boosaardig door des bisschops volk verwekt.

(Opnieuw geschreeuw: „Steenen! steenen!”)

(De Mayor van Londen treedt op, met gevolg.)

MAYOR. O goede lords en deugdenrijke Hendrik,

Hebt deernis met de stad, erbarmt u onzer!

Des bisschops volk en dat van hertog Gloster!

Heeft, wijl hun ’t waap’nendragen werd verboden,

De zakken nu gevuld met kiezelsteenen.

Zij smijten, in partijen saamgerot,

Elkander zoo verwoed die thans naar ’t hoofd,

Dat velen reeds het dolle brein verplet werd.

In elke straat zijn vensters ingesmeten:

Tot sluiting onzer winkels dwingt de vrees.

(De Dienaars van Gloster en die van Winchester dringen al vechtende

binnen, met bebloede koppen.)

KONING HENDRIK. ’k Gebied u, bij uw onderdanenplicht:

Weg met die moord’naarshanden, houdt den vrede!— 87

Ik bid u, oom van Gloster, dempt dien strijd.

EERSTE DIENAAR. Neen, neen; verbiedt men ons de steenen, dan gebruiken

we onze tanden.

TWEEDE DIENAAR. Doet wat gij durft, wij durven ook en staan u.

(Zij worden weder handgemeen.)

GLOSTER. Gij daar, mijn dienaars, laat dat dwaze vechten,

En staakt terstond dien ongehoorden strijd.

EERSTE DIENAAR. Mylord, wij weten ’t allen, uw genade

Is goed en billijk, en in vorstlijke afkomst

Voor niemand wijkend dan zijn majesteit;

En nimmer dulden wij, dat zulk een prins

En zorglijk vader voor ’t gemeene welzijn,

Gehoond, beschimpt wordt door een pennelikker;

Wij vechten eer, wij, onze vrouwen, kindren,

Met uw belagers, tot zij ons verslaan.

DERDE DIENAAR. Ja, en ook zelfs het snoeisel onzer nagels

Trekt, als wij dood zijn, tegen hen te veld.

(Zij worden weder handgemeen.)

GLOSTER. Stil, zeg ik, stil!

En als gij mij zoo lief hebt als gij zegt,

Zoo geeft gehoor en matigt u een poos.

KONING HENDRIK. O, hoe bedroeft die tweespalt mijne ziele!—

Kunt gij, mylord van Winchester, mijn zuchten

En tranen zien, en wordt uw hart niet week?

Wie moet barmhartig zijn, zoo gij ’t niet zijt?

Wie zal met ernst den vrede nog bevordren,

Zoo heil’gen priesters twist een wellust is?

WARWICK. Geef toe, protector;—Winchester, geef toe,

Indien gij niet door uw halsstarrig weig’ren

Uw koning dooden wilt, het rijk verwoesten.

Gij ziet nu, hoeveel onheil, ja, en moord

Door uwe vijandschap reeds is verwekt;

Houdt vrede dus, tenzij gij dorst naar bloed.

WINCHESTER. Eerst buige hij, of ik geef nimmer toe.

GLOSTER. Uit deernis voor den koning moet ik buigen;

’k Had anders eer dien paap het hart ontscheurd,

Dan dat hij tot toegeeflijkheid mij stemde.

WARWICK. Zie nu, mylord van Winchester, de hertog

Verbande reeds zijn sombre, norsche woede,

Zooals ’t ontrimpeld voorhoofd klaar bewijst;

Waarom blijft ùw oog strak en onheilspellend?

GLOSTER. Hier, Winchester, ik bied de hand u aan.

KONING HENDRIK. Foei, oom Beaufort, ik hoorde zelf u prediken, 127

Dat boosheid groote, zware zonde was;

En wilt gij, wat gij leeraart, niet beoef’nen,

Zelf in dit opzicht een aartszondaar zijn?

WARWICK. Die goede vorst!—de bisschop kreeg een lesje!—

Schaam u, mylord van Winchester, geef toe!

Hoe! zal een kind u leeren, wat u past?

WINCHESTER. Nu, hertog Gloster, ’t zij; ik geef dus toe,

En bied voor liefde liefde, hand voor hand.

GLOSTER (ter zijde). Ja, maar ik vrees, met hol en ledig hart.—

Ziet hier, mijn vrienden, waarde landgenooten,

Dit teeken zij een vlag van vrede en vriendschap

Voor ons en al de dienaars van ons huis.

En help mij God, zoo waarlijk ik niet huichel!

WINCHESTER (ter zijde). Mij helpe God, zoo waar ik dit niet meen!

KONING HENDRIK. O waardige oom, en beste hertog Gloster,

Hoe heeft dit vreêverbond mijn hart verheugd!—

Gij, mannen, gaat, en stoort ons verder niet;

Verzoent u, naar het voorbeeld van uw meesters.

EERSTE DIENAAR. ’t Is wel; ik zoek een wondarts op.

TWEEDE DIENAAR. Ik ook.

DERDE DIENAAR. En ik ga zien, wat zalf de herberg schaft.

(De Mayor, de Dienaars, enz. af.)

WARWICK. Aanvaard, genadigst koning, dit geschrift;

Het vraagt aan uwe majesteit herstelling

Der rechten van Richard Plantagenet.

GLOSTER. Wel aangebracht, lord Warwick;—waarde vorst,

Wanneer uw hoogheid alle punten weegt,

Zoo hebt gij grond, zijn recht hem toe te staan,

Voornaam’lijk om de gronden, die ik reeds

In Eltham bij uw majesteit deed gelden.

KONING HENDRIK. En, oom, het waren reed’nen van gewicht;

Daarom, mijn waarde lords, behaagt het ons,

Het recht zijns bloeds aan Richard toe te kennen.

WARWICK. Zij ’t recht zijns bloeds aan Richard toegekend;

Zoo wordt zijns vaders onrecht hem vergoed.

WINCHESTER. Wat allen willen, wil ook Winchester.

KONING HENDRIK. Zoo Richard trouw wil zijn, verleen ik hem

Niet dit slechts, maar geheel het erfbezit,

Dat aan ’t hertoog’lijk huis van York behoort,

Waarvan ge in rechte lijn zijt afgestamd.

PLANTAGENET. Toewijding zweert uw onderdaan’ge dienaar,

En onderdaan’gen dienst tot in den dood.

KONING HENDRIK. Zoo buk dan, zet uw knie aan mijnen voet, 169

En ter belooning van uw huldiging,

Gord ik u met het dapp’re zwaard van York.

Rijs, Richard, als een echt Plantagenet.

Rijs op, als nieuwe en hooge hertog York.

PLANTAGENET. Zoo bloeie Richard, als uw haters vallen,

En zoo gedij mijn dienst, dat ieder sterve,

Die aan uw majesteit met afgunst denkt.

ALLEN. Heil, hooge prins, doorluchte hertog York!

SOMERSET (ter zijde). Sterf, lage prins, oneed’le hertog York!

GLOSTER. Thans is het in ’t belang van uwe hoogheid,

Voor ’t kroningsfeest in Frankrijk zee te kiezen.

Eens konings tegenwoordigheid wekt liefde

Bij onderdanen en getrouwe vrienden,

En rooft aan elk, die vijand is, den moed.

KONING HENDRIK. Acht Gloster het nu tijd de koning gaat;

Want menig vijand zwicht door vriendenraad.

GLOSTER. Uw schepen zijn reeds zeilreê.

(Trompetgeschal. Allen af, behalve Exeter.)

EXETER. Ja, trekken wij door England of door Frankrijk,

Niet ziende, wat vermoed’lijk komen zal!

De pas ontglommen tweedracht dezer pairs

Brandt onder de asch van valsche liefde voort

En breekt in ’t eind in felle vlammen uit;

Gelijk een ett’rend lid allengskens rot,

Tot been en vleesch en pezen zijn vergaan,

Zoo woek’ren deze haat en nijd staâg voort.

Nu wekt die booze profetie mij vrees,

Die eenmaal, in des vijfden Hendriks tijd,

Uit elken zuiglingsmond vernomen werd:

„Hendrik uit Monmouth is ’t, die alles wint,

„Hendrik uit Windsor is ’t, die ’t al verliest.”

Zóó duidlijk is ’t, dat Exeter slechts wenscht,

Dat vóór dien onheilstijd zijn leven einde!

(Exeter af.)

Koning Hendrik de Zesde · 第 22 / 165 题