Londen. Het parlementshuis.
Trompetgeschal. Koning Hendrik, Exeter, Gloster, Warwick, Somerset en
Suffolk komen op; verder de Bisschop van Winchester, Richard
Plantagenet en Anderen. Gloster wil een geschrift overreiken; de
Bisschop van Winchester ontrukt het hem en verscheurt het.
WINCHESTER. Komt gij met lang- en welgewikte regels,
Geschreven klachten, kunstrijk uitgedacht,
Humfried van Gloster? Als gij klagen kunt,
En iets ter wereld mij ten last wilt leggen,
Zoo doe het ongekunsteld, voor de vuist,
Zooals ik voor de vuist en hier terstond
Antwoorden wil op alles, wat gij aanvoert.
GLOSTER. Vermeet’le paap! de plaats eischt matiging,
Maar anders kreegt gij uw beschimping thuis.
Waan niet,—al heb ik ook uw booze stoutheid,
Uw smaad en list bij voorkeur neergeschreven,—
Dat ik vervalschen wilde, of niet in staat ben,
Mond’ling te staven, wat mijn pen bewees;
Neen, priester, neen, zoo driest is uwe boosheid,
Uw listig en verpestend tweedrachtstichten,
Dat zelfs de kind’ren praten van uw trots.
Gij zijt een echt verderflijk woekeraar, 17
Halsstarrig van natuur, des vredes vijand,
Wellustig, wulpsch, veel meer dan passend is
Voor een’gen man van uwen rang, uw ambt.
En uw verraad,—wat bleek ooit zonneklaarder?
Daar gij met list mijn leven hebt belaagd,
Eerst bij de Lond’ner brug, toen bij den Tower?
Ja, werden uw gedachten eens gezift,
Uw heer, de koning, vrees ik, liep den nijd,
De boosheid van uw zwellend hart niet vrij.
WINCHESTER. ’k Lach met uw gramschap, Gloster.—Gunt, mylords,
Voor ’t wederleggend antwoord mij gehoor.
Zoo ik eergierig, boos, hebzuchtig was,
Als hij mij maakt, hoe kom ik dan zoo arm?
Hoe komt het, dat ik geen verhooging zoek
Of voordeel, maar steeds bij mijn ambt mij houd?
Wat tweespalt aangaat, wie bevordert vrede
Ooit meer dan ik,—tenzij ik uitgetart word?
Neen, neen, mylords, niet dát beleedigt hem,
Dat is ’t niet, wat den hertog zoo ontvlamt;
Niemand dan hij moet om den koning zijn;
En dit verwekt dien donder in zijn borst,
En zet hem aan, die aanklacht uit te brullen;
Maar hij zal zien, ik ben zoo goed—
GLOSTER. Gij bastaard van mijn grootvader, zoo goed....?
WINCHESTER. Ja, groote heer; want wie zijt gij dan, spreek!
Een man, die op eens andren troon wil heerschen!
GLOSTER. Wat! ben ik geen protector, drieste paap?