Londen. De hof van den Tempel.
De Graven van Somerset, van Suffolk en van Warwick, Richard
Plantagenet, Vernon en een Rechtsgeleerde komen op.
PLANTAGENET. Wat, groote lords, en heeren, wil dit zwijgen?
Waagt niemand voor de waarheid uit te komen?
SUFFOLK. Te luide spraken we in de Tempelzaal;
Hier in den hof waar’ ’t beter op zijn plaats.
PLANTAGENET. Zoo zeg in eens, of ik voor ’t recht mij weerde,
En of die twister Somerset het mis had.
SUFFOLK. Nu, wat het recht betreft, was ik een doeniet,
En kon mijn wil nooit voegen naar het recht;
En plooi daarom het recht naar mijnen wil.
SOMERSET. Breng gij, lord Warwick, dan uw oordeel uit.
WARWICK. Welk van twee valken zich het steilst verheft,
Welk van twee honden schooner, dieper blaft,
Welk van twee klingen van het fijnste staal is,
Welk van twee paarden fraaier houding heeft,
Welk van twee meisjes schalkscher blikken werpt,
Hierin treed ik desnoods als rechter op,
Maar in een rechtszaak vol haarklooverij,
Streeft licht een gans in slimheid mij voorbij.
PLANTAGENET. Kom, kom, dit is onthouding uit beleefdheid; 19
De waarheid is aan mijne zij zoo naakt,
Dat zelfs een stikziend oog haar ziet en kent.
SOMERSET. Aan mijne zijde is zij zoo welgekleed;
Zoo helder, glansrijk, zoo volkomen duid’lijk,
Dat zij een blinde zelfs in ’t oog moet stralen.
PLANTAGENET. Daar gij zoo zwaar van tong, zoo spraak’loos zijt,
Zoo zeg met stomme teekens, hoe gij denkt.
Wie onder u echt edelman zich rekent,
En de eere van zijn bloed in aanzien houdt,
Breke, als hij meent, dat ik het recht bepleit,
Met mij van dezen struik een witte roos.
SOMERSET. En wie geen lafaard of geen vleier is,
Maar de partij van ’t recht steeds steunen durft,
Plukk’ met me een roode roos van dezen struik.
WARWICK. Blanketsel haat ik, rood is mij een gruwel,
En zonder lage vleierij pluk ik
De witte roos hier met Plantagenet.
SUFFOLK. En ik deez’ roode roos met Somerset,
En ’k zeg daarmee: ik acht hem in zijn recht.
VERNON. Houdt op, gij lords en heeren, plukt niet meer,
Of maakt eerst uit, dat hij, voor wiens gevoelen
Een kleiner tal van rozen wordt geplukt,
Des andren aanspraak recht en juist zal achten.
SOMERSET. Mijn waarde Vernon, juist van pas gesproken;
Heb ik de minste, ’k zwijg en onderwerp mij.
PLANTAGENET. En ik.
VERNON. Zoo pluk ik dan, om ’t zonneklare recht,
Den bleeke’ en maagdlijk blanken bloesem hier,
En kies zoo voor de witte roos partij.
SOMERSET. Prik u niet in den vinger, als gij plukt;
Dan kleurt uw bloed het witte roosje rood,
En stemt gij tegen uwen zin voor mij.
VERNON. Mylord, zoo ik voor mijne meening bloed,
Wordt andrer goede meening wis mijn wondarts,
En houdt mij aan de zijde, die ik koos.
SOMERSET. Goed, goed; komaan, wie verder?
RECHTSGELEERDE. Zoo niet mijn studie en mijn boeken liegen.
Dan is het recht, dat gij verdedigt, valsch;
En daarom pluk ook ik een witte roos. 58
PLANTAGENET. Nu, Somerset, waar blijft thans uw goed recht?
SOMERSET. In deze scheê; desnoods zal dit bewijs
Uw witte rozen bloedig rood verkleuren.
PLANTAGENET. Toch bootst uw wang thans onze rozen na;
Want bleek ziet zij van vrees, als tot getuig’nis
Voor onze waarheid.
SOMERSET. Neen, Plantagenet,
Dit is geen vrees, maar toorn, omdat uw wang
Van schaamte bloost en onze rozen nabootst,
En toch uw tong uw dwaling niet erkent.
PLANTAGENET. Huist in uw roos geen wormpje, Somerset?
SOMERSET. Heeft uwe roos geen doorn, Plantagenet.
PLANTAGENET. Ja, scherp en stekend om haar recht te staven,
Terwijl uw worm aan hàre valschheid knaagt.
SOMERSET. Nu goed, ik zal wel tal van vrienden vinden,
Die mijne bloedig roode rozen dragen
En staven zullen, dat ik waarheid spreek,
Waar geen Plantagenet verschijnen durft.
PLANTAGENET. Bij deze maagdlijk reine bloem, ik spot
Met u en uwen aanhang, jonge knaap.
SUFFOLK. Richt uwen spot, Plantagenet, op andren.
PLANTAGENET. Neen, trotsche Poole, ik spot met hem en u.
SUFFOLK. Ik slinger u mijn deel weer in den strot.
SOMERSET. O zwijg, mijn beste William de la Poole;
Wij doen den boer veel eer met ons gesprek.
WARWICK. Bij God, gij doet hem onrecht, Somerset;
Hij stamt van Lionel, hertog van Clarence,
Den derden zoon des derden konings Edward.
Drijft zulk een wortel wapenlooze boeren?
PLANTAGENET. Zijn trots steunt op de onschendbaarheid der plaats;
Zijn lafaardshart zou anders zoo niet spreken.
SOMERSET. Bij mijnen schepper, al mijn woorden houd ik
Op iedre plek der christenwereld vol.
Werd niet uw vader Richard, graaf van Cambridge,
Onthoofd om eedbreuk aan den voor’gen koning?
En heeft niet zijn verraad u aangestoken,
Onteerd en van oud-aad’lijk bloed beroofd?
Zijn misdaad leeft als erfschuld in uw bloed;
En tot die uitgedelgd is, zijt ge een boer.
PLANTAGENET. Mijn vader was beschuldigd, maar niet schuldig, 97
Gevonnisd om verraad, maar geen verrader;
Aan beet’ren staaf ik dit dan Somerset,
Als eens de tijd zoo rijp is als ik wensch.
Maar prent u in, gij en uw helper Poole:
Gij komt in mijn herinn’ringsboek te staan,
Dat ik u gees’len zal voor uwen laster;
Neem u in acht, gewaarschuwd heb ik u.
SOMERSET. Welnu, gij vindt ons steeds voor u bereid
En kent den vijand dan aan deze kleur,
Die, u ten trots, mijn vrienden zullen dragen.
PLANTAGENET. En wij, ik en mijn aanhang, willen steeds,
Bij God, als teeken van bloedgier’gen haat,
Met deze bleek vertoornde roos ons sieren,
Tot zij met mij in ’t graf gaat en verwelkt,
Of tot de hoogte bloeit van mijnen rang.
SUFFOLK. Ga voort, en stik zoo in uw eigen eerzucht;
En nu vaarwel, tot ik u weder tref.
(Suffolk af.)
SOMERSET. Poole, ik ga mee.—Vaarwel, eergier’ge Richard.
(Somerset af.)
PLANTAGENET. Hoe trotst men mij! en toch, ik moet het dulden.
WARWICK. De smet, die zij daar werpen op uw huis,
Wordt uitgewischt in ’t volgend parlement,
Dat Winchester verzoenen moet met Gloster.
Indien gij dan niet hertog wordt van York,
Wil ik voortaan niet langer Warwick heeten.
’k Wil midd’lerwijl, als blijk van trouw aan u,
Den trotschen Somerset en Poole ten trots,
Met deze roos aan uwe zij mij scharen.
En dit voorspel ik: deze twist van heden,
Die in den hof hier tot partijschap wies,
Zendt, met de roode en witte roos als leuze,
Veel duizend zielen in verderf en dood.
PLANTAGENET. Mijn brave Vernon, ’k zeg u hartlijk dank,
Dat gij een bloem, mij tot getuig’nis, pluktet.
VERNON. U ten getuig’nis draag ik haar voortaan.
RECHTSGELEERDE. Zoo doe ik ook.
PLANTAGENET. Ik dank u, waarde heer.
Komt, gaan wij saam aan tafel. Deze twist
Voorwaar, drinkt bloed, en wordt slechts zoo beslist.
(Allen af.)