Aldaar. Een vertrek in den Tower.
Mortimer wordt in een armstoel door twee Gevangenbewaarders
binnengedragen.
MORTIMER. Gij brave hoeders van mijn kwijnend leven,
Gunt hier den veegen Mortimer zijn rust.—
Gelijk een man, pas van de folterbank,
Voel ik mijn lange hechtnis in mijn leden;
Die grijze lokken, als des doods herauten,
Door kommerjaren zoo bejaard als Nestor,
Voorspellen ’t eind van Edmund Mortimer.
Deze oogen, ’t doel nabij, zij worden donker
Als lampen, waarvan de olie is verbruikt,
De schouders zwak, verkneusd van ’s kommers last,
En de armen krachtloos, als een dorre wijnstok,
Die zijn verwelkte loten hangen laat.
En toch, die voeten,—schoon verlamde steunsels,
Tot schraging van deez’ stofklomp ongeschikt,—
Snelwiekig zijn zij door den wensch naar ’t graf,
Als wetend, dat geen andre troost mij rest.—
Maar zeg mij, wachter, komt mijn neef?
GEVANGENBEWAARDER. Richard Plantagenet zal komen, heer.
Wij zonden naar zijn kamer in den Tempel,
En ’t antwoord luidde, dat hij komen zou.
MORTIMER. Genoeg; dan zal mijn ziel bevredigd zijn.—
Arm man! zijn krenking evenaart de mijne.
Sinds Henry Monmouth, vóór wiens roem ik groot
In wapenroem was, hier begon te heerschen,
Leid ik hier dit afschuwlijk kerkerleven;
En sinds diens tijd is Richard hier ontluisterd
En van zijn eer en erflijk goed beroofd.
Maar nu zal de aartsbeslechter allen nooden,
De dood, in elke ellend de zachte scheidsman,
Tot zoete vrijheid mij den kerker oop’nen.—
Hoe wenschte ik, dat ook zijn leed waar’ geleden,
En dat hij al ’t verloor’ne weer bezat!
(Richard Plantagenet komt op.)
GEVANGENBEWAARDER. Daar komt, mylord, uw welbeminde neef.
MORTIMER. Richard Plantagenet, mijn vriend, is daar?
PLANTAGENET. Ja, waardige oom, die zooveel smaad moest lijden,
Hier is uw neef, de pasbeschimpte Richard.
MORTIMER. Bestuur mijn armen, dat ik hem omhels,
En aan zijn borst mijn laatsten adem snik.
Zeg mij, wanneer mijn mond zijn wang beroert,
Opdat ik stervend hem nog liefd’rijk kus.
En, lieve spruit van Yorks doorluchten stam,
Zeg nu, waarom gij pasbeschimpt u noemdet.
PLANTAGENET. Leun eerst uw ouden rug aan mijnen arm,
En hoor in rust, wat mij onrustig maakt.
’t Kwam heden bij ’t bespreken van een zaak
Tot woorden tusschen Somerset en mij,
Waarbij hij ruw en vrij zijn tong gebruikte
En om mijns vaders dood mij grievend smaadde.
Zijn grof verwijt schoof grendels voor mijn tong;
’k Had anders hem gelijk bescheid gegeven.
Daarom, goede oom, zeg, om mijns vaders wil,
En bij uw eer als een Plantagenet, 52
Om onzer maagschap wil, waarom mijn vader,
De graaf van Cambridge, ’t hoofd verliezen moest.
MORTIMER. Dezelfde grond, mijn lieve neef, die mij
Mijn vrijheid sinds den bloei der jeugd ontnam,
Mij in een duffen kerker deed versmachten,
Was ook ’t gevloekte werktuig van zijn dood.
PLANTAGENET. Onthul mij breeder, welke grond dit was;
Want ik vernam het nooit en kan ’t niet raden.
MORTIMER. Ja, zoo mijn stokkende adem dit vergunt,
De dood niet komt, eer mijn verhaal ten eind is.
De grootvader van onzen jongen vorst,
Hendrik de vierde, onttroonde zijnen neef
Richard, prins Edwards zoon; nu, deze prins
Was oudste zoon en wettig erfgenaam
Van Koning Edward, van dien naam den derden.
Ten tijde van dien Hendrik nu beproefden
De Percy’s van het noorden, wijl zij achtten,
Dat hij de kroon droeg zonder eenig recht,
Mij op den troon van England te verheffen.
Wat die krijgshafte lords hiertoe bewoog,
Was, dat,—toen Richard uit den weg geruimd was
En hij geen enklen telg had nagelaten,—
Ik door mijn stam en bloed de naaste was.
Van moeders zij toch heb ik Lionel,
Hertog van Clarence, derden zoon van Edward
Den derden, tot mijn stamheer, terwijl Hendrik
Van hertog Jan van Gent was afgestamd,
Die slechts de vierde was dier heldenrij.
Maar zie, bij deze grootsche en fiere poging,
Om op den troon den rechten vorst te plaatsen,
Raakte ik mijn vrijheid, zij hun leven kwijt.
Na lange jaren, toen de vijfde Hendrik
Zijn vader Bolingbroke was opgevolgd,
Heeft weer uw vader Cambridge, afgestamd
Van Edmund Langley, Yorks beroemden hertog,
Mijn zuster huwend, die uw moeder werd,
Uit deernis met mijn bitt’ren nood, een leger
Geworven in de hoop, mij te bevrijden,
En mij de kroon te plaatsen op het hoofd;
Maar als die andren, viel deze eed’le graaf
En werd onthoofd. Zoo zijn de Mortimers,
Hoe goed hun recht ook bleef, ter zij gesteld.
PLANTAGENET. Van welke gij, mylord, de laatste zijt.
MORTIMER. Ja, zonder erfgenaam, en, als gij ziet,
Mijn mat en stokkend woord verkondt mijn dood.
Mijn erfgenaam zijt gij; bedenk het verd’re,
Doch wees behoedzaam bij uw ijv’rig pogen.
PLANTAGENET. Ik neem uw ernstig manend woord ter harte; 98
Maar nu schijnt mij de onthoofding van mijn vader
Niets dan een daad van bloeddorst en geweld.
MORTIMER. Bedrijf uw staatkunst, neef, met achtzaam zwijgen;
Het huis van Lancaster is hecht geworteld,
En, evenals een berg, niet weg te schuiven.
Maar thans verhuist uw oom weldra van hier,
Als vorsten met hun hof, zoo ’t lang vertoeven
In éénen vasten zetel hen verdriet.
PLANTAGENET. O oom, vermocht een deel van mijne jeugd
Uws ouderdoms snel heengaan af te koopen!
MORTIMER. Dan deedt gij mij veel leed aan, als een moord’naar,
Die vele wonden slaat, waar één kan dooden.
Treur niet, zoo mijn geluk u niet bedroeft;
Alleenlijk, draag voor mijn begraaf’nis zorg.
En nu vaarwel; en wat gij hoopt, gedije!
Uw leven zij vol heil in krijg en vreê!
(Mortimer sterft.)
PLANTAGENET. Geen krijg, maar vrede aan uw ontvloden ziel!
In hecht’nis hebt ge uw pelgrimstocht voleind,
En als een kluizenaar uwen tijd doorleefd.—
Nu, ik bewaar in ’t hart wat gij mij riedt;
Daar slaapt, wat ik mij denk, dat eens geschiedt.—
Gij wachters, brengt hem weg; ikzelf bezorg
Zijn uitvaart beter, dan zijn leven ’t was.—
(De Gevangenbewaarders dragen het lijk weg.)
Hier sterft de duist’re toorts van Mortimer,
Door eerzucht van de laagste soort gedoofd;
En voor dat onrecht, voor die bittere krenking,
Die Somerset mijn huis heeft aangedaan,
Hoop ik in al mijn eer hersteld te worden;
En daartoe ijl ik thans naar ’t parlement;
’k Verlang al ’t recht, dat toekomt aan mijn bloed,
Of kies mijn tijd, die kwaad verkeert in goed.
(Plantagenet af.)