Auvergne. Het binnenplein van het kasteel.
De Gravin en haar Portier komen op.
GRAVIN. Portier, onthoud wat ik u heb gelast,
En breng, als gij ’t volvoerd hebt, mij de sleutels.
PORTIER. Ik zal het doen, geëerde vrouwe.
(De Portier af.)
GRAVIN. De val is nu gesteld; gaat alles goed,
Dan word ik door dit waagstuk zoo beroemd,
Als Scythië’s Tómyris door Cyrus’ dood.
Groot is de naam van dien gevreesden ridder,
En wat hij heeft volbracht, verdient dien roem;
’k Wil zelf als oor- en ooggetuige richten,
Wat waar is van die wond’ren, die men meldt.
(De Bode komt op, met Talbot.)
BODE. Gravin, naar uwen wensch en op de boodschap,
Die hem genood heeft, is lord Talbot hier.
GRAVIN. En hij is welkom. Wat! is dit de man?
BODE. Zoo is ’t, gravin.
GRAVIN. Is dit dus Frankrijks geesel?
Is dit die Talbot, dien een elk zóó vreest,
Dat moeders met dien naam hun kind’ren stillen?
Ik dacht, er zou een Hercules verschijnen,
Een tweede Hector, grimmig van gelaat,
Met sterk gebouwde leden, groot en zwaar;
En zie, dit is een kind, een arme dwerg! 22
Neen, neen, dit zwak en ingeschrompeld wezen
Jaagt wis zijn vijand zulk een schrik niet aan.
TALBOT. Gravin, ik was zoo vrij, u hier te storen;
Doch daar u dit niet recht gelegen komt,
Kies ik een and’ren tijd voor mijn bezoek.
GRAVIN. Wat is zijn plan?—Gij, vraag hem, waar hij heen wil.
BODE. Blijf, mylord Talbot; de gravin verzoekt
De reden van uw rasch vertrek te weten.
TALBOT. Wel, daar zij op een dwaalspoor is, zoo wil ik
’t Bewijs haar leev’ren, dat ik Talbot ben.
(De Portier komt weder terug, met sleutels.)
GRAVIN. Indien gij Talbot zijt, zijt ge een gevang’ne.
TALBOT. Gevangne? wiens?
GRAVIN. Bloedgierig lord, de mijne;
Hiertoe alleen lokte ik u in mijn huis.
Reeds lange was uw schaduw in mijn boeien,
Daar in mijn gaanderij uw beeltnis hangt;
Maar nu zal ook uw wezen ’t zelfde lijden;
Die armen wil ik keet’nen en die beenen
Van u, wiens tyrannij zoo lange jaren
Ons land verheerd, ons volk verslagen heeft,
En onze zoons en mannen weggesleept.
TALBOT. Ha, ha, ha!
GRAVIN. Gij lacht, rampzaal’ge? uw lust wordt dra tot leed.
TALBOT. Ik lach alleen, wijl gij zoo dwaaslijk waant,
Van Talbot iets te hebben dan de schaduw,
Om daar uw booze strengheid op te koelen.
GRAVIN. Zijt gij de man dan niet?
TALBOT. Dat ben ik zeker.
GRAVIN. Dan heb ik ook uw wezen.
TALBOT. Neen, neen, ik ben mijn eigen schaduw slechts;
Gij hebt gedwaald, mijn wezen is niet hier;
Want wat gij ziet, is slechts het kleinste deel,
Een nietig staaltje van mijn menschlijkheid.
Ik zeg u, ware ’t gansche lichaam hier,
Dan is van zoo geweldig grooten wasdom,
Dat heel uw huis het niet omvatten kan. 56
GRAVIN. Dit is een raads’len-kramer, naar ik zie;
Nu zegt hij hier te zijn en dan weer niet;
Hoe rijm ik al die tegenstrijdigheden?
TALBOT. Dit toon ik u terstond.
(Hij doet zijn hoorn schallen. Men hoort trommen en kanonschoten. De
poorten worden opengeramd en Soldaten dringen binnen.)
Wat zegt gij nu, gravin? gelooft gij thans,
Dat Talbot slechts zijn eigen schaduw is?
Ziedaar zijn wezen, spieren, armen, kracht,
Waarmee hij uw rebellennekken jukt,
Uw steden sloopt en uwe vesten omkeert,
In minder dan een omzien woest doet zijn.
GRAVIN. Vergeef, zeeghafte Talbot, mij mijn dwaling;
Ik zie, gij zijt niet kleiner dan uw faam,
En meer dan uw gestalte deed vermoeden.
Dat mijne stoutheid uwen toorn niet wekk’;
Het doet mij leed, dat ik u niet ontving
Met zooveel eerbetoon, als gij verdient.
TALBOT. Wees, schoone vrouw, bemoedigd, en misken
Nu Talbot’s geest niet, evenals gij eerst
In de’ uiterlijken bouw zijns lichaams dwaaldet.
Wat gij gedaan hebt, heeft mij niet beleedigd,
En andre schadeloosstelling eisch ik niet,
Dan dat gij ons welwillend gunt, uw wijn
Te proeven, en te zien, wat goeds gij schaft,
Want een soldatenmaag is steeds voortreff’lijk.
GRAVIN. Van ganscher harte; ’t is mijn huis veel eer,
Dat ik er zulk een krijgsheld mag onthalen.
(Allen af.)