Orleans. Binnen de stad.
Talbot, Bedford, Bourgondië, een Hopman en Anderen komen op.
BEDFORD. De dag breekt aan, gevloden is de nacht,
Die met haar ravenmantel de aard omgaf.
Blaast den terugroep; staakt de heete jacht.
(Het sein tot terugroeping wordt geblazen.)
TALBOT. Brengt ’t lijk van de’ ouden Salisbury hierheen,
En plaatst de baar hier op het open marktplein,
Het middelpunt van deez’ gevloekte stad.—
’k Heb mijn gelofte aan zijne ziel gekweten;
Voor elken droppel bloeds, dien hij verloor,
Zijn, minst geschat, vijf Franschen nu gestorven.
Opdat de verre nazaat nog aanschouw’,
Welk een verwoesting volgde om hem te wreken,
Richt ik een praalgraf in hun hoofdkerk op,
Waarin zijn overschot begraven worde,
En waar, zoo, dat een ieg’lijk ’t lezen kan,
Ik Orleans’ vernieling op doe beit’len,
’t Verraderlijk bedrijf zijns droeven doods,
En welk een schrikbeeld hij voor Frankrijk was.—
Doch, heeren, ’k sta verbaasd, bij heel dit bloedbad,
Dat wij de hoogheid des Dauphijns niet zagen,
Zijn nieuwe kampioen niet, kuische Jeanne,
Noch iemand van zijn valsche bondgenooten.
BEDFORD. Men zegt, lord Talbot, toen ’t gevecht begon,
Zijn ze uit hun loome bedden opgeschrikt,
En, onder hoopen krijgers, van den wal
Gesprongen om in ’t veld hun heil te zoeken.
BOURGONDIË. Ikzelf heb den dauphijn,—zoo ver de nevel
En donk’re walm der nacht ’t liet onderscheiden,—
Verschrikt, en voortgedreven met zijn bijzit;
Zij vloden, arm in arm, met alle macht,
Gelijk een paar verliefde tortelduiven,
Die dag noch nacht gescheiden kunnen zijn.
Wij reeg’len hier met allen spoed de zaken,
Dan zetten wij met volle macht hen na. 33
(Een Bode komt op.)
BODE. Heil u, mylords!—Wie uit deez’ hooge schaar
Wordt als krijgshafte Talbot hier geroemd,
Wiens daden ’t gansche rijk der Franschen groet?
TALBOT. Hier is die Talbot; wie wil met hem spreken?
BODE. De deugdrijke gravinne van Auvergne,
Bescheiden uwen hoogen roem bewond’rend,
Vraagt, groote lord, dat het u moog’ behagen,
Haar te bezoeken op haar armen burg,
Opdat zij roem’, dat zij den held aanschouwde,
Wiens lof zoo luid door heel de wereld klinkt.
BOURGONDIË. Zoo, waarlijk! nu, dan zie ik, onze krijg
Gaat spoedig over in een vreedzaam blijspel,
Als schoone vrouwen zich ten tweekamp melden.—
Dit lief verzoek, mylord, zij niet versmaad.
TALBOT. Gewis niet; wat geen wereld zelfs van mannen
Met alle redekunst bereiken zou,
Heeft eener vrouwe zachtheid doorgezet.—
Meld daarom, dat ik hart’lijk dank haar zeg,
En onderdanig haar bezoeken zal.—
Gij, heeren, wilt gij mij niet vergezellen?
BEDFORD. Gewis niet, dit ware onbeleefd en laakbaar;
’k Heb wel gehoord, dat ongenoode gasten
’t Meest welkom zijn, wanneer zij weder gaan.
TALBOT. Nu, kan ’t niet anders, dan ga ik, alleen,
Tot toetsing van ’t beleefd verzoek, er heen.
Treedt nader, hopman, luister. (Hij fluistert hem iets in.)—Gij
begrijpt mij?
HOPMAN. Gewis, mylord, en ik volbreng uw last.
(Allen af.)