Voor Orleans.
Aan de poort komen een Fransch Sergeant en twee Schildwachten op.
SERGEANT. Gij, mannen, op uw post, en waakzaam zijn!
Ontwaart gij een gedruisch of een soldaat
Nabij den wal, zoo geeft door eenig teeken
Ons in het wachthuis fluks bericht er van.
EERSTE SCHILDWACHT. Zeer wel, sergeant. (De Sergeant af.) Zoo zet men
arme knechten,
Als andren in hun zachte bedden slapen,
Op wacht in regen, koude en duisternis.
(Talbot, Bedford, Bourgondië komen op, met troepen en stormladders; hun
trommen slaan een gedempten marsch.)
TALBOT. Mylord regent, en gij, geducht Bourgondië,
Wiens aanmarsch ons de vriendschap van Artois,
Van Picardije en ’t Waalsche land verzekert,
De nacht is gunstig en de Franschman zorg’loos,
Daar hij den ganschen dag heeft feestgevierd;
Omhelzen wij dus die gelegenheid
Om hun het loos bedrog weer te vergelden,
Dat list en snoode tooverij bedacht. 15
BEDFORD. Die Fransche lafaard!—Hoe hij zich onteerde!
Hij wanhoopte aan de kracht zijns eig’nen arms,
En sloot met hel en heksen een verbond!
BOURGONDIË. Geen andren omgang hebben ooit verraders.
Doch die Pucelle, als vlekloos rein geroemd,
Wie is zij?
TALBOT. Men zegt een meisje.
BEDFORD. Een meisje, en zoo strijdhaftig!
BOURGONDIË. God geev’, dat zij niet weldra mann’lijk blijk’,
Wanneer zij onder Frankrijks oorlogsstandaard
De wapens draagt, zooals zij nu begon.
TALBOT. Nu, laat hen heksen en met geesten omgaan!
Voor ons is God een burg; beklimmen wij
In zijn zeeghaften naam hun rotsig bolwerk!
BEDFORD. Ga, dapp’re Talbot, voor; wij zullen volgen.
TALBOT. Niet allen hier bijeen; ik acht het beter,
Dat we op verscheiden punten binnendringen,
Opdat, zoo het een van ons mislukt,
Een ander van hun macht het winnen kan.
BEDFORD. Goed. Ik kies gindschen hoek.
BOURGONDIË. En ik dien andren.
TALBOT. En hier dringt Talbot in, of delft zijn graf.—
Nu, Salisbury, voor u en voor het recht
Van Englands Hendrik! Deze nacht moet toonen,
Hoe trouw ik beiden mijne diensten wijd. 37
(De Engelschen beklimmen de wallen onder den krijgsroep: „Sint George!”
en „Talbot”, en dringen allen in de stad.)
SCHILDWACHT (achter het tooneel). Te wapen! op! de vijand loopt hier
storm!
(De Franschen springen over de wallen, in hun hemd. Van verschillende
kanten komen op: de Bastaard van Orleans, Alençon, Reignier, half
aangekleed, half onaangekleed.)
ALENÇON. Wat, eed’le heeren, allen ongekleed?
BASTAARD. Ja, ongekleed en blijde, dat we ontkwamen.
REIGNIER. ’t Was tijd voorwaar, om uit ons bed te springen;
Voor onze kamers klonk het strijdgedruisch.
ALENÇON. Sinds ik de wapens voer, vernam ik nooit
Van eenig krijgsplan, eenige’ overval,
Zoo driest ontworpen, zoo gewaagd als dit.
BASTAARD. Die Talbot schijnt een duivel uit de hel.
REIGNIER. Zoo niet de hel, is hem de hemel gunstig.
ALENÇON. Daar komt de prins; hoe hij toch is ontsnapt?
BASTAARD. O stil, Saint Jeanne was gewis zijn schutsvrouw.
(Karel komt op, met de Pucelle.)
KAREL. Zijn dit uw kunsten, listenrijke schoone?
Deedt gij ons eerst, om ons in slaap te wiegen,
Een kleine, zoete winst deelachtig worden,
Opdat ons nu ’t verlies tienvoudig treff’?
PUCELLE. Waarom valt Karel zijn vriendin zoo hard?
Verlangt gij mijne macht steeds even groot?
Moet ik, in slaap of wakend, immer winnen,
Of geeft gij mij de schuld en smaalt ge op mij?
Onvoorbereide krijgers! waakzaamheid
Zou dezen overval voorkomen hebben.
KAREL. Hertog van Alençon, ’t is uwe schuld,
Daar gij, die heden hoofdman waart der wacht,
Niet beter van dien grooten plicht u kweet.
ALENÇON. Ware elk kwartier zoo goed bewaakt geweest
Als dat, waarover mij ’t bevel vertrouwd was,
Wij waren niet zoo smaad’lijk overrompeld.
BASTAARD. Het mijn’ was goed verzekerd.
REIGNIER. Zoo ook ’t mijne.
KAREL. Wat mij betreft, het grootste deel der nacht
Heb ik, in haar kwartier en in het mijne,
Besteed om telkens heen en weer te gaan
Voor ’t plaatsen en verwiss’len van de wachten;
Hoe konden zij, of waar dus, binnendringen?
PUCELLE. Vorscht, heeren, deze zaak niet verder na 72
Van ’t hoe of waar; genoeg, zij vonden ergens
Een plek te zwak bewaakt, en drongen binnen.
Er blijft geen andre raad alsnu dan deze:
’t Verspreid en vluchtend krijgsvolk te herzaam’len,
En hùn door nieuwe ontwerpen schâ te doen.
(Krijgsgedruisch. Een Engelsch soldaat komt op en roept: „Talbot!
Talbot!” Zij vluchten met achterlating hunner kleederen.)
DE SOLDAAT. ’k Neem stout voor mij, wat zij hier achterlieten.
De strijdleus Talbot dient mij goed voor zwaard;
Met rijken buit heb ik mij hier beladen,
En ’t wapen, dat ik voerde, was—zijn naam.
(De Soldaat af.)