GLANSDALE. Ik meen veeleer, het bolwerk aan de brug.
TALBOT. Ik acht, de stad moet uitgehongerd worden,
Of afgemat door licht, herhaald schermuts’len.
(Een schot van den wal. Salisbury en Gargrave vallen.)
SALISBURY. God, wees genadig voor ons arme zondaars!
GARGRAVE. God, wees voor mij, verloren man, genadig!
TALBOT. Welk toeval komt ons plots’ling overromp’len?
Spreek, Salisbury,—zoo gij nog spreken kunt,—
Hoe gaat het, aller brave krijgers spiegel?
Één oog is weg, uw halve kaak verbrijzeld!—
Vervloekte toren! vloekbare onheilshand,
Die dit rampzalig treurspel heeft volvoerd!
’t Was Salisbury, die dertien slagen won,
Den vijfden Hendrik ’t eerst tot krijger vormde;
Zoolang in ’t veld nog één trompet weerklonk,
Één trom geroerd werd, rustte nooit zijn zwaard.—
Gij leeft nog, Salisbury? kunt ge ook niet spreken,
Één oog bleef u tot smeeken om genade,
Met één oog schouwt de zon de wereld aan.—
Wees, Hemel, voor geen sterv’ling ooit genadig,
Zoo Salisbury bij U genade derft!”
Draagt weg het lijk: ik zal het mee begraven.
Sir Thomas Gargrave, hebt gij nog iets leven.
Zoo spreek tot Talbot, blik dan tot hem op!
Laat, Salisbury, dit uwer ziel tot troost zijn:
Gij sterft niet zonder—
Hij wenkt mij met de hand en lacht mij toe,
Alsof hij zeggen wilde: „Ben ik dood,
Herdenk dan mij te wreken op de Franschen!”
Plantagenet, ik wil ’t; ik wil, als Nero,
De luit slaan bij ’t zien branden van hun steden;
Mijn naam alleen maakt Frankrijk reeds ellendig.
(Krijgsgedruisch. Donder en bliksem.)
Welk een geraas! de hemel is in oproer!
Van waar die wapenkreet, dat krijgsgedruisch?
(Een Bode komt op.)
BODE. Mylord, mylord! de Franschen vallen aan;
En de dauphijn, met Jeanne la Pucelle,
Een nieuwe, heil’ge profetes, vereend,
Komt met een groote macht de stad ontzetten.
(Salisbury richt zich op en kreunt.)
TALBOT. Hoor, hoor, hoe Salisbury daar stervend kreunt;
Het grieft hem, dat hij zich niet wreken kan.—
Ik, Franschen, zal een Salisbury u zijn;
Hoe ’t zij, Pucelle of drel, dolfijn of zeehond,
’k Vertrap uw harten met mijns kleppers hoeven;
Uw hersens kluts ik samen tot een poel.—
Brengt Salisbury van hier en naar zijn tent;
Dan zien wij, wat die doode Franschen wagen.
(Allen af, met de lijken.)