Frankrijk. Voor Orleans.
De Tuigmeester en zijn Zoon treden, op den muur, op.
TUIGMEESTER. Gij weet, knaap, hoe de stad belegerd wordt;
De vijand heeft de voorstad reeds bezet.
ZOON. Ik weet het, vader, en ik richtte vaak
Mijn schot op hem, helaas! nog steeds vergeefs.
TUIGMEESTER. ’t Wordt anders, knaap, laat gij door mij u leiden.
Tuigmeester ben ik hier en moet iets doen,
Wat mij bij deze stad in aanzien brengt.
Spionnen van den prins berichtten mij,
Dat, in die voorstad sterk verschanst, de vijand
Door een getralied venster van dien toren
Gewoon is uit te zien naar onze stad,
En zoo ontdekt, hoe hij met zijn geschut
Of door een storm ons ’t meeste nadeel doet.
Om van dit ongerief ons te bevrijden
Heb ik een stuk geschut daarop gericht,
En heb drie dagen lang nu reeds gegluurd,
Of ik ze ontwaarde. Knaap, houdt gij nu wacht,
Wijl ik niet blijven kan.
Ontwaart gij iemand, kom ’t mij ijlings melden;
Gij zult mij vinden bij den commandant. 20
(De Tuigmeester af.)
ZOON. Nu vader, ’k sta u borg; wees gij gerust;
Als ik ze ontwaar, val ik u wis niet lastig.
(De Zoon af.)
(In het bovenste vertrek van den toren verschijnen: Lord Salisbury,
Lord Talbot, Sir William Glansdale, Sir Thomas Gargrave en Anderen.)
SALISBURY. Talbot, mijn vreugd, mijn leven, weer terug?
Hoe werdt ge in uw gevangenschap behandeld?
En hoe gelukte ’t u, u los te koopen?
Vertel ’t mij, bid ik, nu, op dezen toren.
TALBOT. De hertog Bedford had een dappren graaf,
Als zijn gevang’ne, Ponton de Santrailles;
’k Werd uitgewisseld, losgekocht voor hem.
Zij wilden vroeger reeds, uit hoon, mij ruilen
Voor een, veel slechter oorlogsman dan ik;
Wat ik, vol trots, versmaadde; ik vroeg den dood
Veeleer, dan mij zoo laag geschat te zien,
En werd ten laatste naar mijn wensch bevrijd.
Doch die verrader Fastolf grieft mijn hart;
Ik kon hem met mijn bloote vuisten wurgen,
Als ik hem nu eens in mijn macht bekwam.
SALISBURY. Doch meld ons ook, hoe gij behandeld werdt.
TALBOT. Met schimp en hoon en drieste spotternij.
Zij stelden mij op de open markt ten toon,
Om voor een elk een schouwspel op te leev’ren.
„Hier,” riepen ze uit, „hier ziet gij Frankrijks schrik,
Den vogelschrik, waarvoor de kind’ren rillen.”
Toen reet ik mij van mijn bewakers los,
Groef met de nagels steenen uit den grond,
En wierp die op de aanschouwers van mijn smaad;
En andren vloden voor mijn gruw’lijk uitzicht.
Een elk bleef ver, vol angst voor rasschen dood.
Men dacht me in ijz’ren wanden niet verzekerd;
Een elk,—zoo ver ging de angst voor mijnen naam,—
Dacht, dat ik stalen staven stuk kon breken,
Arduinen posten gruiz’len met den voet;
Scherpschutters las men uit voor mijn bewaking,
Die telkens bij minuten om mij waarden;—
En, roerde ik mij om uit mijn bed te komen,
Zij stonden tot een schot door ’t hart gereed.
(De Knaap verschijnt op den wal met een lont.)
SALISBURY. Ik hoor met smart, wat leed gij door moest staan,
Doch volle wraak gewordt ons binnenkort.
’t Is avondetenstijd in Orleans;
Hier, door de traliën, kan ik allen tellen,
En nagaan, hoe de Franschman zich verschanst.
Komt, laat ons uitzien; (Tot Talbot.) u zal ’t wis verheugen.
Sir Thomas Gargrave en Sir William Glansdale,
Ik bid, dat gij ronduit uw meening zegt,
Welk deel der wallen wij nu ’t eerst beschieten.