Londen. Voor den Tower.
De Hertog van Gloster, met zijn Dienaars in blauwe kleedij, komt op.
GLOSTER. Ik kom den Tower in oogenschouw thans nemen;
Na Hendriks dood is, vrees ik, veel verduisterd.
Waar zijn de wachters, dat hier niemand staat?
Ontsluit de poorten! Gloster is ’t, die roept.
(De Dienaars kloppen aan.)
EERSTE WACHTER (binnen). Wie is dat, die daar zoo gebiedend klopt?
DIENAAR. ’t Is de eed’le hertog Gloster.
TWEEDE WACHTER (binnen). Wie ’t zij, wij mogen u niet binnenlaten.
DIENAAR. Schoft, antwoordt gij aldus des rijks beschermheer?
EERSTE WACHTER (binnen). Bescherm’ hem God! Zoo moet ons antwoord zijn;
Wij doen niets anders dan ons is gelast.
GLOSTER. Wie gaf dien last, die meer geldt dan de mijne?
Niemand dan ik is rijksprotector.—Breekt
Die poorten open; ìk neem ’t voor mijn reek’ning.
Word ik door smeer’ge stalknechts zoo getart?
(Gloster’s Dienaars bestormen de poort. Van binnen nadert de Commandant
Woodville.)
WOODVILLE (binnen). Welk een rumoer! wat zijn dat voor verraders?
GLOSTER. Zijt gij het, commandant, wiens stem ik hoor?
Ontsluit de poort! ’t Is Gloster, die hier wacht.
WOODVILLE (binnen). Bedaar, ik mag niet oop’nen, eed’le hertog;
De kardinaal van Winchester verbiedt het;
Hij is ’t, die mij uitdrukk’lijk heeft gelast,
Nòch u, nòch één der uwen, in te laten.
GLOSTER. Acht gij hem, bloode Woodville, meer dan mij?
Dien driesten Winchester, den trotschen kerkvoogd,
Dien wijlen koning Hendrik nooit mocht lijden?
Gij zijt nòch Gods nòch ’s konings vriend; ontsluit
De poort, of eerstdaags sluit ik u er buiten.
DIENAREN. Ontsluit de poorten voor den lord protector!
Wij rammen ze in, als gij nog langer draalt.
(De Bisschop van Winchester komt op, met een gevolg van Dienaren in
bruine kleedij).
WINCHESTER. Nu, wat beteekent dit, eerzuchtig hertog?
GLOSTER. Kaalkruin, geeft gij tot buitensluiten last?
WINCHESTER. Dat doe ik, ja, eedbreukig rijksverderver,
En geen beschermer van den troon of ’t rijk.
GLOSTER. Terug, gij welbekende samenzweerder,
Die wijlen onzen koning wildet moorden,
En deernen vrijheid geeft tot zondeplegen!
Ik zal, wanneer gij voortgaat met uw trots,
U in uw breeden kardinaalshoed wannen. 37
WINCHESTER. Ga gij terug, ik wijk geen voet van hier.
Zij dit Damascus, gij de moord’naar Kain;
Versla uw broeder Abel, zoo gij wilt.
GLOSTER. Niet dooden, slechts verjagen wil ik u;
En uw scharlaken mantel zal mij dienen,
Om u, als in een doopkleed, weg te dragen.
WINCHESTER. Ik tart u, ik wil zien, wat gij zult wagen.
GLOSTER. Wat! tart gij mij? zoo zie, wat ik zal wagen!—
Trekt, mannen! op de plaats geen acht geslagen,
Die twist verbiedt! Neen, blauwrok tegen bruinjak!—
Vliegt gij mij in den baard, paap, ìk grijp de’ uwen;
(Gloster en zijn Dienaars grijpen den Bisschop aan.)
En ruk dien, tel u meen’gen vuistslag toe.
Ik treed uw kardinaalshoed met den voet,
Ja, sleur u bij den hals hier op en neer.
WINCHESTER. Gloster, dit wreekt de paus; herroep dat woord!
GLOSTER. Winchester-gans, ik roep: een koord! een koord!—
Slaat, slaat hen weg! waartoe zoo lang gewacht?—
U geesel ìk weg, wolf in schapenvacht!—
Bruinjakken, voort!—Voort, gij scharlaken huich’laar!
(De Dienaars van Gloster drijven de Bisschoppelijken terug; te midden
van het rumoer treedt de Mayor van Londen op met zijn Beambten.)
MAYOR. Foei, lords! gij, de eersten onder de overheden,
Dat gij de wet zoo hoont, den vrede breekt!
GLOSTER. Stil, mayor, want mijne grieven kent gij niet,
Hier is Beaufort, die, God noch koning eerend,
Den Tower hier als zijn eigendom beschouwt.
WINCHESTER. Hier Gloster, die der burg’ren vijand is,
Die steeds ten oorlog raadt, tot vrede nooit,
Uw vrije beurzen brandschat met zijn lasten,
En immer tracht den godsdienst om te keeren,
Wijl hij protector is van ’t koninkrijk,
En nu hier waap’nen vordert uit den Tower,
Om zich te kronen, Hendrik te verdringen.
GLOSTER. Geen woorden, slagen zijn mijn antwoord hier.
(Zij worden weder handgemeen.)
MAYOR. Mij blijft bij zulk tumult geen ander middel
Dan ’t openbaar bevel tot vrede en rust.—
Beambte, roep, zoo luid ge kunt, het uit. 72
GERECHTSBODE. „Elk en een iegelijk, die thans hier tegen Gods en des
konings vrede in de wapenen zijn samengekomen, lasten en bevelen wij,
in zijner hoogheid naam, ieder naar zijn haardstee terug te keeren, en
van nu aan, geen zwaard of dolk, geen wapen hoegenaamd te dragen, te
voeren of te bezigen, alles op straffe des doods.”
GLOSTER. Ik wil de wet niet breken, kardinaal,
Maar wel uw trots; wij zien elkander weer.
WINCHESTER. Wij zien elkander weer en ’t zal u rouwen;
Uw hartebloed betaalt mij dezen dag.
MAYOR. Mijn knuppels roep ik op, als gij niet gaat.—
Die kardinaal zou zelfs den duivel trotsen.
GLOSTER. Vaarwel, lord mayor, uw plicht is ’t zoo te doen.
WINCHESTER. Pas op uw kop, verfoeienswaarde Gloster!
Want binnenkort, geloof mij, is hij mijn.
(Gloster en Winchester gaan, ieder met zijn Dienaars, naar
verschillenden kant af.)
MAYOR. Vaagt alles schoon hier, dan gaan wij naar huis.—
God, God! wat zijn die eed’len licht geraakt!
In veertig jaar heb ik geen twist gemaakt.
(De Mayor met zijn Dienaren af.)