REIGNIER. Mij dunkt, de prins heeft heel wat af te praten. 118

ALENÇON. Zij moet wis tot op ’t hemd hem alles biechten,

Want anders liep ’t gesprek wel eerder af.

REIGNIER. Hij kent geen maat; zeg, willen wij hem storen?

ALENÇON. Licht werd hij meer haar maat, dan wij nog weten;

In ’t lokken sluw is zulk een vrouwetong.

REIGNIER. Mylord, waar zijt gij? wat is thans uw raadslag?

Hoe is ’t? verlaten we Orleans of niet?

JEANNE D’ARC. Neen, neen, zeg ik; wantrouwig kettervolk!

Vecht tot het uiterste; ik zal u beschermen.

KAREL. ’t Zij als zij zegt; wij vechten tot het uit is.

JEANNE D’ARC. Ik ben tot Englands geesel uitverkoren.

Nog deze nacht ontzet ik wis de stad;

Verwacht, nu ik den strijd aanvaard, een schoonen

Sint-Maartenzomer, Halcyonendagen.

De roem is als een cirkel in het water,

Die immer meer en verder zich verbreidt,

Totdat hij, wijder steeds, tot niets vervloeit.

Nu Hendrik stierf, ging Englands kring te niet,

Vervloeid is al de roem, dien hij omsloot.

Ik ben nu als dat fiere schip, dat eens

Te gader Cæsar droeg en zijn geluk.

KAREL. Werd eens Mohammed door een duif bezield,

Wis, ùw bezieling is een aad’laarsgeest.

Geen Helena, de moeder Constantijns,

Kwam u nabij, noch Sint Philippus’ dochters.

Gij, lichtstèr Venus, die op aarde vielt,

Hoe bid ik u naar waarde eerbiedig aan?

ALENÇON. Geen dralen meer! laat ons de stad ontzetten!

REIGNIER. Doe, vrouwe, wat gij kunt, en red onze eer!

Bevrijd ons Orleans en word onsterflijk!

KAREL. Het zij terstond beproefd!—Aan ’t werk! ’k Vertrouw

Niet één profeet, als zij mij leugens spelt!

(Allen af.)

Koning Hendrik de Zesde · 第 8 / 165 题