JEANNE D’ARC. Dauphijn, ’k ben van geboorte een schepersdochter;
Mijn geest is vreemd aan kunst en wetenschap,
’t Heeft Gode en onzer lieve Vrouw behaagd,
Op mij in lagen staat hun licht te stralen.
Zie, toen ik mijne teed’re lamm’ren weidde,
Mijn wangen door de zon verschroeien liet,
Verscheen genadig mij de moeder Gods
En gaf, in een visioen vol majesteit,
Mij last, mijn laag beroep vaarwel te zeggen,
Mijn vaderland te redden uit den nood.
Zij zeide hulp mij toe en wisse zege,
En toonde zich in al haar hemelglans.
Terwijl ik vroeger zwart was en verzengd,
Heeft nu de held’re gloed, dien ze op mij uitgoot,
Met schoonheid mij gezegend, als gij ziet.
Vraag mij maar alles, wat gij vragen kunt,
Onvoorbereid zal ik u antwoord geven;
Toets in den strijd, indien gij durft, mijn moed,
Bevinden zult gij, meer ben ik dan vrouw.
Neem uw besluit;—gij hebt geluk op aard,
Wanneer gij mij als strijdgenoot aanvaardt.
KAREL. Ik sta verbaasd van uwe fiere taal;
En deze proef slechts wensch ik van uw moed;
Gij zult in tweegevecht u met mij meten.
Zoo ge overwint, dan zijn uw woorden waar;
Zoo niet, dan weiger ik u ’t minst vertrouwen.
JEANNE D’ARC. Ik ben bereid; hier is mijn snijdend zwaard,
Gesierd aan weerszij met vijf leliën, dat ik
Mij in Touraine op Sint Kath’rine’s kerkhof
Uit veel oud ijzer uitgelezen heb.
KAREL. In Gods naam, kom; geen vrouw verwekt mij angst.
JEANNE D’ARC. En heel mijn leven vlucht ik voor geen man.
(Zij vechten, en Jeanne d’Arc heeft de overhand.)
KAREL. Weerhoud uw hand; gij zijt een Amazone,
En met Debora’s zwaard is ’t, dat gij strijdt.
JEANNE D’ARC. Gods moeder helpt mij, anders ware ik zwak.
KAREL. Wie u ook helpe, gij moet mij nu helpen.
Onstuimig brandt reeds mijn verlangst naar u;
Gij overwont mij tevens hart en hand.
Eed’le Pucelle, indien gij dus u noemt,
Laat mij uw dienstknecht zijn en niet uw heer;
Frankrijks dauphijn is ’t, die aldus u smeekt.
JEANNE D’ARC. Geen liefde, hoe ook, mag mij welkom zijn,
Een heilig ambt, van ginds omhoog, is ’t mijn;
Maar heb ik al uw vijanden verdreven,
En wensch ik eenig loon, wil dan ’t mij geven.
KAREL. Zie midd’lerwijl uw slaaf genadig aan.