TWEEDE TOONEEL.

Frankrijk. Voor Orleans.

Trompetgeschal. Karel, Alençon en Reignier komen op met trommen en

Soldaten.

KAREL. Als aan den hemel, is Mars’ ware loop

Zoo ook op de aard tot nog toe onbekend.

Pas straalde hij met glans op ’t Engelsch leger,

Thans lacht hij ons, als overwinnaars, toe.

Wat plaats van een’ge waarde is thans niet ons?

Tot kortswijl liggen wij voor Orleans;

De hongrige Engelschen, als bleeke geesten,

Berennen flauw een uurtje’ ons in de maand.

ALENÇON. Zij missen hun vet rundvleesch hier en soepen;

Zoo men niet staâg hen voedert en hun ’t eten

Gelijk een muildier voor den muil bindt, zien zij

Er poover uit, zooals verdronken muizen.

REIGNIER. Wij moesten weggaan; waartoe hier geluierd?

Talbot, weleer ons schrikbeeld, is gevangen;

Nu is slechts hier die dolkop Salisbury,

En die eet’ vrij zijn eigen gal nu op;

Noch geld noch manschap heeft hij voor den krijg.

KAREL. Blaast, blaast alarm! wij stormen op hen los.

Wreekt de eer van die verloren, dwaze Franschen!

’k Vergeef aan hem, die mij verslaat, mijn dood,

Zag hij, dat ik een voetbreed week of vlood.

(Allen af.)

(Strijdgedruisch; de Franschen worden door de Engelschen met groot

verlies afgeslagen. Karel, Alençon, Reignier en Anderen komen op.)

KAREL. Zag iemand ooit zoo iets? wat volk heb ik!—

Gij lafaards, honden!—Nooit ware ik gevloden,

Had ik niet, zonder hen, alleen gestaan.

REIGNIER. Een razend moord’naar is die Salisbury;

Hij woedt en vecht als waar’ hij ’t leven moe.

En de andre lords,—als uitgevaste leeuwen,

Zoo storten ze op ons neer als op hun prooi.

ALENÇON. Naar onze landgenoot Froissart beschrijft, 29

Bracht England, in des derden Edwards tijd,

Toen louter Oliviers en Roelands voort.

En nu wordt dit nog krachtiger bewaarheid:

Want Simsons, Goliaths, geen and’ren zendt het

Ons hier als strijders toe. Één tegen tien!

En riffen zijn ’t van kerels! wie kon denken,

Dat zulk een volk dien moed, die stoutheid had?

KAREL. Komt, trekken we af! want dol zijn zij, die vlegels,

En honger drijft hen des te feller aan;

Ik ken hen wel: zij reten met de tanden

De muren liever neer dan dat zij weken.

REIGNIER. Met raderwerk of koord zijn wis hun armen

Als bij een klok gemaakt, om steeds te slaan,

Want anders hielden zij het nooit zoo vol.

Laat hen met rust, zietdaar wat ik zou raden.

ALENÇON. Zoo zij het.

(De Bastaard van Orleans komt op.)

BASTAARD. Waar is de prins dauphijn? ik breng hem nieuws.

KAREL. Bastaard van Orleans, weest driemaal welkom!

BASTAARD. Mij dunkt, uw blik is somber, bleek uw uitzicht;

Heeft dit uw laatste tegenspoed bewerkt?

Wees niet mismoedig; hulp is bij de hand;

Ik breng een heil’ge maagd tot u, aan wie

De hemel door een droomgezicht gelastte,

Een eind te maken aan dit lang beleg

En de Engelschen te drijven uit dit rijk.

Zij heeft den geest der echte profetie,

Veel meer dan Rome’s negental Sybillen;

Zij kan, wat was en komen zal, onthullen.

Zal ik haar roepen? spreek! Geloof mijn woorden,

Want onbedrieglijk zijn zij en gewis.

KAREL. Ga! roep haar.

(De Bastaard af.)

Doch, om eerst haar kunst te toetsen,

Reignier, neem gij mijn plaats in als dauphijn;

Blik streng en ondervraag haar uit de hoogte;

Zoo is weldra doorgrond, wat zij vermag.

(De Dauphijn treedt op den achtergrond.)

(Jeanne d’Arc treedt op, de Bastaard van Orleans en Anderen.)

REIGNIER. Zijt gij ’t, die wond’ren doen wilt, schoone maagd?

JEANNE D’ARC. Reignier, zijt gij ’t, die mij bedriegen wilt?

Spreek, waar is de dauphijn?—O, treed naar voren!

Ik ken u wel, ofschoon ik nooit u zag.—

Sta niet verbaasd, voor mij blijft niets verborgen.

’k Wil u alleen en in vertrouwen spreken.—

Terug, gij heeren, laat hiertoe ons vrij.

Koning Hendrik de Zesde · 第 6 / 165 题