XIV. HET ONTSTAAN VAN INSECTEN-PLAGEN.

Van tijd tot tijd ontstaan ook in ons land insectenplagen. De

nonvlinders, de emelten, de ringelrupsen, rupsen en bastaardrupsen in

de bessen, meikevers, eikenaardvlooien, vliegen, muggen, zij komen zoo

nu en dan in zoo’n groote massa voor, dat men spreekt van een plaag.

Waar komt nu die groote hoeveelheid dieren vandaan?

Plagen, en in het algemeen sterke uitbreiding van ’t insectenleger,

worden begunstigd door de volgende omstandigheden:

1º groote voedselvoorraad;

2º gunstige broedgelegenheid;

3º afwezigheid van vijanden;

4º gunstige weersinvloeden;

5º ongunstig weer voor de kultuurplanten;

6º overgang van insecten, die gewoonlijk op wilde planten leven,

naar kultuurplanten;

7º invoer van insecten uit andere landen en werelddeelen;

8º nalatigheid van den mensch.

Laten wij deze oorzaken even in ’t kort nader bekijken.

In de vrije natuur komen over ’t algemeen niet veel insectenplagen

voor. De oorzaak hiervan is, dat de meeste insecten een beperkt menu

hebben en er in de vrije natuur, waar de planten dooreen groeien,

zelden zooveel planten van één soort bijeen staan en bijeen blijven,

dat een insectensoort zich daar voor langen tijd nestelen kan omdat zij

er zooveel voedsel kan vinden. Veel insecten zijn op één of weinig

planten aangewezen; groeit zoo’n plant in milliarden exemplaren bij

elkaar, dan kunnen de insecten zich daar gemakkelijk vermeerderen; maar

zoo’n eenvormige plantenwereld wordt maar zelden in de vrije natuur

aangetroffen. Wat evenwel in de vrije natuur ontbreekt, hebben de

land-, tuin- en boschbouwers zelf in ’t leven geroepen. Zij bezaaien of

bepoten uitgestrekte gronden met een en hetzelfde gewas, zoodat er

millioenen en millioenen planten van dezelfde soort naast elkander

komen te staan, en daar soms jarenlang blijven staan (bosschen) of

ieder jaar weer worden gezaaid (granen en andere gewassen). Zoodoende

zorgt de mensch dus feitelijk voor een reusachtige restauratie voor de

insecten, en dat deze beestjes er een dankbaar gebruik van maken ligt

voor de hand; waar zij te eten hebben blijven ze en vermenigvuldigen

zij zich. Waarom zouden ze ook weggaan?

Door de eenvormige massa-kulturen schept de mensch dus zelf een der

hoofdoorzaken voor het ontstaan van insecten-plagen.

Een andere oorzaak ligt in de gunstige broedgelegenheid, een geschikte

plaats om de eieren af te zetten. Dit wordt zeer duidelijk

geïllustreerd door de geschiedenis van ’t Panama-Kanaal.

In 1881 werd een aanvang gemaakt met het graven van ’t Panama-Kanaal.

De gele koorts hield hevig huis onder de arbeiders. Meer dan de helft

stierf er aan. En telkens als een nieuw transport arbeiders werd

aangevoerd, ondergingen zij hetzelfde lot. Zoodoende vorderde het werk

niet. De ontwerper van het kanaalplan, De Lesseps, die ook voor het

Suez-Kanaal het ontwerp had gemaakt, had buiten de gele koorts

gerekend, in ieder geval haar onderschat. De ontwikkeling dezer ziekte

is aldus. Wordt een lijder aan gele koorts door een bepaalde soort mug,

Stegomyia fasciata, gestoken, dan is de mug ook besmet. Steekt deze

besmette mug nu een gezond mensch, dan brengt zij de koortsstof over en

de gestokene krijgt binnen enkele dagen de gele koorts.

Hieruit volgt, dat de gele koorts slechts op één manier afdoende kan

bestreden worden, en wel door de uitroeiing van de mug, die de

ziektestof overbrengt. En die uitroeiing kan niet geschieden door het

vangen van de muggen, maar door haar de gelegenheid te ontnemen de

eieren op een geschikte plaats af te zetten. De gelekoortsmug legt haar

eieren in poelen en plassen, ook wel in regentonnen. Het was dus noodig

de landstreek droog te leggen, waardoor de poelen en plassen verdwenen.

De muggen hadden nu geen broedgelegenheid meer, en de landstreek werd

tamelijk wel vrij van de gele koorts, waardoor zij voor den mensch

bewoonbaar werd. De doorgraving van het kanaal was hierdoor mogelijk

geworden.

In mesthoopen om boerderijen leggen veel vliegen haar eieren; daarom

heeft men op het platteland zooveel last van vliegen. Door het opruimen

der mesthoopen ontnemen wij aan de vliegen de broedgelegenheid en

verdwijnen ze vanzelf. Daarom heeft men in de steden veel minder last

van de vliegen dan op het platteland. Wie in de buurt van een

paardenstal woont heeft met de brutaliteit der vliegen kennis gemaakt.

Vliegen- en muggenplagen zijn alleen te bestrijden door aan deze dieren

geen gelegenheid te geven eieren af te zetten.

Als derde oorzaak voor het ontstaan van insectenplagen noemden wij de

afwezigheid van vijanden der schadelijke insecten. De waarheid hiervan

heeft men in Amerika ondervonden. In 1868 werd de Plakker-vlinder en in

1890 de Bastaard-satijn-vlinder in Amerika ingevoerd. De rupsen van den

Plakker ontsnapten uit een insectenkweekerij van een Amerikaan, die aan

het zoeken was naar een nieuw soort rupsen voor de zijdecultuur. De

Bastaardsatijnvlinder of diens rupsen zijn vermoedelijk met

boomkweekersartikelen uit Europa naar Amerika gekomen. Beide insecten

hebben in Europa veel vijanden; niet minder dan 27 sluipwespen en 25

parasietvliegen; daardoor hoort men bij ons nooit van plagen

veroorzaakt door de rupsen van deze vlinders; ook niet in andere landen

van Europa. Maar in N. Amerika zijn de rupsen van deze vlinders tot een

ongekende plaag geworden, zooals nergens is waargenomen. Millioenen

dollars zijn reeds uitgegeven om door bespuiting met giften de

rupsenplagen tot staan te brengen, doch het is tot heden niet gelukt.

In 1905 is men begonnen uit Europa in te voeren de Europeesche

parasieten van deze rupsen; bovendien werden er in dat jaar ingevoerd

50.000 poppenroovers (33 en 35). Van 1905–1910 werden totaal ingevoerd

2.000.000 sluipwespen en 70.000 sluipvliegen. Hoewel men met veel

moeilijkheden had te kampen, door mislukking bij de kweeking der

insecten en met ziekten bij de entomologen, is het voorloopig resultaat

toch bemoedigend, want op het oogenblik zijn 10 nuttige insecten uit

Europa in Amerika ingeburgerd.

In Amerika was door het internationaal verkeer een schildluis uit

Australië ingevoerd, die de geheele sinaasappelkultuur bijna ten onder

bracht. De schildluizenplaag kon zich zoo uitbreiden, omdat geen der

vijanden was medegevoerd. Toen na veel zoeken eindelijk in Australië

een O. L. Heersbeestje was gevonden, dat een erge vijand van deze

schildluizen is, werd dit naar Californië overgebracht, en het heeft de

schildluizenplaag volkomen tot staan gebracht. Uit deze voorbeelden

blijkt duidelijk, hoe door afwezigheid van hun vijanden, sommige

insecten een ware plaag voor den mensch kunnen worden.

Dat gunstige weersinvloeden insectenplagen bevorderen behoeft geen

nader betoog. Insecten zijn maar zwakke dieren, vooral in den

larvetoestand en zoodoende zeer gevoelig voor het weer.

Heerscht er ongunstig weer voor de kultuurplanten, dan schieten deze

niet op en wordt de schade, door insecten aangebracht, des te grooter.

Dit is vooral het geval in het voorjaar, als de planten nog jong zijn.

Aardvlooien vreten in een koud voorjaar, als er b.v. geen schot in de

erwten zit, geheele erwtenakkers kaal, die dan moeten worden omgeploegd

en opnieuw bezaaid. Daarom verdient het in ’t algemeen aanbeveling te

zorgen voor een zeer vruchtbaren bodem; dan groeien de kiemplanten wat

vlugger door.

Oorspronkelijk leven alle insecten op wilde planten. Het komt nu

herhaaldelijk voor, dat er een verplaatsing naar kultuurplanten

geschiedt. Een bekend voorbeeld is de Colorado-kever, die

oorspronkelijk op een wilde plant leefde, die behoort tot de familie

van den aardappel. Op een gegeven oogenblik ging deze kever over op de

aardappelplant en werd toen de schrik van Amerika en heel Europa. Tot

op dit oogenblik is hij de schrik gebleven, al hebben wij er nooit last

van gehad.

De walkanten of slootkanten van onze akkers dienen van alle wilde

planten gezuiverd te worden; dan bestaat er geen gevaar, dat de

insecten van daar uit naar onze kultuurplanten overgaan.

Dat de invoer van insecten uit andere landen en werelddeelen door

handel en verkeer lang niet denkbeeldig is, bewijzen de lange lijsten

van insecten, die op deze wijze verhuisd zijn. We hebben reeds een paar

vlinders genoemd, den plakker en den bastaardsatijnvlinder, die uit

Europa naar Amerika zijn verhuisd: De Duitsche kakkerlak (82) is uit

Duitschland bij ons ingevoerd, de keukenkakkerlak (83) uit Azië en de

Amerikaansche kakkerlak (84) uit Amerika. Met planten worden veel

insecten verplaatst; ook met land- en tuinbouwproducten. Verschillende

insecten zijn daardoor al echte cosmopolieten geworden.

Ten slotte worden insectenplagen bevorderd door de nalatigheid van den

mensch. Men grijpt dan niet in op het juiste oogenblik. Voor een groot

deel vindt deze nalatigheid haar oorzaak in de gebrekkige kennis, die

de meeste menschen hebben van de insectenwereld. Daarom kan dit Album

ook voor de practijk van het leven zijn waarde hebben. Als wij maar

eenmaal het leven der insecten kennen, dan leeren wij tevens de

perioden kennen, waarin wij kunnen ingrijpen. Wanneer wij b.v. in April

en Mei geregeld onze rozenstruiken nazien, en de weinige bladluizen

verwijderen, die er dan zijn, krijgen wij den heelen zomer geen luis in

de rozen.

Door het vangen van vogels en het verstoren der nesten berooft de domme

mensch zich van veel insectenverslinders.

Nederlandsche Insecten · 第 22 / 72 题