Van tijd tot tijd ontstaan ook in ons land insectenplagen. De
nonvlinders, de emelten, de ringelrupsen, rupsen en bastaardrupsen in
de bessen, meikevers, eikenaardvlooien, vliegen, muggen, zij komen zoo
nu en dan in zoo’n groote massa voor, dat men spreekt van een plaag.
Waar komt nu die groote hoeveelheid dieren vandaan?
Plagen, en in het algemeen sterke uitbreiding van ’t insectenleger,
worden begunstigd door de volgende omstandigheden:
1º groote voedselvoorraad;
2º gunstige broedgelegenheid;
3º afwezigheid van vijanden;
4º gunstige weersinvloeden;
5º ongunstig weer voor de kultuurplanten;
6º overgang van insecten, die gewoonlijk op wilde planten leven,
naar kultuurplanten;
7º invoer van insecten uit andere landen en werelddeelen;
8º nalatigheid van den mensch.
Laten wij deze oorzaken even in ’t kort nader bekijken.
In de vrije natuur komen over ’t algemeen niet veel insectenplagen
voor. De oorzaak hiervan is, dat de meeste insecten een beperkt menu
hebben en er in de vrije natuur, waar de planten dooreen groeien,
zelden zooveel planten van één soort bijeen staan en bijeen blijven,
dat een insectensoort zich daar voor langen tijd nestelen kan omdat zij
er zooveel voedsel kan vinden. Veel insecten zijn op één of weinig
planten aangewezen; groeit zoo’n plant in milliarden exemplaren bij
elkaar, dan kunnen de insecten zich daar gemakkelijk vermeerderen; maar
zoo’n eenvormige plantenwereld wordt maar zelden in de vrije natuur
aangetroffen. Wat evenwel in de vrije natuur ontbreekt, hebben de
land-, tuin- en boschbouwers zelf in ’t leven geroepen. Zij bezaaien of
bepoten uitgestrekte gronden met een en hetzelfde gewas, zoodat er
millioenen en millioenen planten van dezelfde soort naast elkander
komen te staan, en daar soms jarenlang blijven staan (bosschen) of
ieder jaar weer worden gezaaid (granen en andere gewassen). Zoodoende
zorgt de mensch dus feitelijk voor een reusachtige restauratie voor de
insecten, en dat deze beestjes er een dankbaar gebruik van maken ligt
voor de hand; waar zij te eten hebben blijven ze en vermenigvuldigen
zij zich. Waarom zouden ze ook weggaan?
Door de eenvormige massa-kulturen schept de mensch dus zelf een der
hoofdoorzaken voor het ontstaan van insecten-plagen.
Een andere oorzaak ligt in de gunstige broedgelegenheid, een geschikte
plaats om de eieren af te zetten. Dit wordt zeer duidelijk
geïllustreerd door de geschiedenis van ’t Panama-Kanaal.
In 1881 werd een aanvang gemaakt met het graven van ’t Panama-Kanaal.
De gele koorts hield hevig huis onder de arbeiders. Meer dan de helft
stierf er aan. En telkens als een nieuw transport arbeiders werd
aangevoerd, ondergingen zij hetzelfde lot. Zoodoende vorderde het werk
niet. De ontwerper van het kanaalplan, De Lesseps, die ook voor het
Suez-Kanaal het ontwerp had gemaakt, had buiten de gele koorts
gerekend, in ieder geval haar onderschat. De ontwikkeling dezer ziekte
is aldus. Wordt een lijder aan gele koorts door een bepaalde soort mug,
Stegomyia fasciata, gestoken, dan is de mug ook besmet. Steekt deze
besmette mug nu een gezond mensch, dan brengt zij de koortsstof over en
de gestokene krijgt binnen enkele dagen de gele koorts.
Hieruit volgt, dat de gele koorts slechts op één manier afdoende kan
bestreden worden, en wel door de uitroeiing van de mug, die de
ziektestof overbrengt. En die uitroeiing kan niet geschieden door het
vangen van de muggen, maar door haar de gelegenheid te ontnemen de
eieren op een geschikte plaats af te zetten. De gelekoortsmug legt haar
eieren in poelen en plassen, ook wel in regentonnen. Het was dus noodig
de landstreek droog te leggen, waardoor de poelen en plassen verdwenen.
De muggen hadden nu geen broedgelegenheid meer, en de landstreek werd
tamelijk wel vrij van de gele koorts, waardoor zij voor den mensch
bewoonbaar werd. De doorgraving van het kanaal was hierdoor mogelijk
geworden.
In mesthoopen om boerderijen leggen veel vliegen haar eieren; daarom
heeft men op het platteland zooveel last van vliegen. Door het opruimen
der mesthoopen ontnemen wij aan de vliegen de broedgelegenheid en
verdwijnen ze vanzelf. Daarom heeft men in de steden veel minder last
van de vliegen dan op het platteland. Wie in de buurt van een
paardenstal woont heeft met de brutaliteit der vliegen kennis gemaakt.
Vliegen- en muggenplagen zijn alleen te bestrijden door aan deze dieren
geen gelegenheid te geven eieren af te zetten.
Als derde oorzaak voor het ontstaan van insectenplagen noemden wij de
afwezigheid van vijanden der schadelijke insecten. De waarheid hiervan
heeft men in Amerika ondervonden. In 1868 werd de Plakker-vlinder en in
1890 de Bastaard-satijn-vlinder in Amerika ingevoerd. De rupsen van den
Plakker ontsnapten uit een insectenkweekerij van een Amerikaan, die aan
het zoeken was naar een nieuw soort rupsen voor de zijdecultuur. De
Bastaardsatijnvlinder of diens rupsen zijn vermoedelijk met
boomkweekersartikelen uit Europa naar Amerika gekomen. Beide insecten
hebben in Europa veel vijanden; niet minder dan 27 sluipwespen en 25
parasietvliegen; daardoor hoort men bij ons nooit van plagen
veroorzaakt door de rupsen van deze vlinders; ook niet in andere landen
van Europa. Maar in N. Amerika zijn de rupsen van deze vlinders tot een
ongekende plaag geworden, zooals nergens is waargenomen. Millioenen
dollars zijn reeds uitgegeven om door bespuiting met giften de
rupsenplagen tot staan te brengen, doch het is tot heden niet gelukt.
In 1905 is men begonnen uit Europa in te voeren de Europeesche
parasieten van deze rupsen; bovendien werden er in dat jaar ingevoerd
50.000 poppenroovers (33 en 35). Van 1905–1910 werden totaal ingevoerd
2.000.000 sluipwespen en 70.000 sluipvliegen. Hoewel men met veel
moeilijkheden had te kampen, door mislukking bij de kweeking der
insecten en met ziekten bij de entomologen, is het voorloopig resultaat
toch bemoedigend, want op het oogenblik zijn 10 nuttige insecten uit
Europa in Amerika ingeburgerd.
In Amerika was door het internationaal verkeer een schildluis uit
Australië ingevoerd, die de geheele sinaasappelkultuur bijna ten onder
bracht. De schildluizenplaag kon zich zoo uitbreiden, omdat geen der
vijanden was medegevoerd. Toen na veel zoeken eindelijk in Australië
een O. L. Heersbeestje was gevonden, dat een erge vijand van deze
schildluizen is, werd dit naar Californië overgebracht, en het heeft de
schildluizenplaag volkomen tot staan gebracht. Uit deze voorbeelden
blijkt duidelijk, hoe door afwezigheid van hun vijanden, sommige
insecten een ware plaag voor den mensch kunnen worden.
Dat gunstige weersinvloeden insectenplagen bevorderen behoeft geen
nader betoog. Insecten zijn maar zwakke dieren, vooral in den
larvetoestand en zoodoende zeer gevoelig voor het weer.
Heerscht er ongunstig weer voor de kultuurplanten, dan schieten deze
niet op en wordt de schade, door insecten aangebracht, des te grooter.
Dit is vooral het geval in het voorjaar, als de planten nog jong zijn.
Aardvlooien vreten in een koud voorjaar, als er b.v. geen schot in de
erwten zit, geheele erwtenakkers kaal, die dan moeten worden omgeploegd
en opnieuw bezaaid. Daarom verdient het in ’t algemeen aanbeveling te
zorgen voor een zeer vruchtbaren bodem; dan groeien de kiemplanten wat
vlugger door.
Oorspronkelijk leven alle insecten op wilde planten. Het komt nu
herhaaldelijk voor, dat er een verplaatsing naar kultuurplanten
geschiedt. Een bekend voorbeeld is de Colorado-kever, die
oorspronkelijk op een wilde plant leefde, die behoort tot de familie
van den aardappel. Op een gegeven oogenblik ging deze kever over op de
aardappelplant en werd toen de schrik van Amerika en heel Europa. Tot
op dit oogenblik is hij de schrik gebleven, al hebben wij er nooit last
van gehad.
De walkanten of slootkanten van onze akkers dienen van alle wilde
planten gezuiverd te worden; dan bestaat er geen gevaar, dat de
insecten van daar uit naar onze kultuurplanten overgaan.
Dat de invoer van insecten uit andere landen en werelddeelen door
handel en verkeer lang niet denkbeeldig is, bewijzen de lange lijsten
van insecten, die op deze wijze verhuisd zijn. We hebben reeds een paar
vlinders genoemd, den plakker en den bastaardsatijnvlinder, die uit
Europa naar Amerika zijn verhuisd: De Duitsche kakkerlak (82) is uit
Duitschland bij ons ingevoerd, de keukenkakkerlak (83) uit Azië en de
Amerikaansche kakkerlak (84) uit Amerika. Met planten worden veel
insecten verplaatst; ook met land- en tuinbouwproducten. Verschillende
insecten zijn daardoor al echte cosmopolieten geworden.
Ten slotte worden insectenplagen bevorderd door de nalatigheid van den
mensch. Men grijpt dan niet in op het juiste oogenblik. Voor een groot
deel vindt deze nalatigheid haar oorzaak in de gebrekkige kennis, die
de meeste menschen hebben van de insectenwereld. Daarom kan dit Album
ook voor de practijk van het leven zijn waarde hebben. Als wij maar
eenmaal het leven der insecten kennen, dan leeren wij tevens de
perioden kennen, waarin wij kunnen ingrijpen. Wanneer wij b.v. in April
en Mei geregeld onze rozenstruiken nazien, en de weinige bladluizen
verwijderen, die er dan zijn, krijgen wij den heelen zomer geen luis in
de rozen.
Door het vangen van vogels en het verstoren der nesten berooft de domme
mensch zich van veel insectenverslinders.