XIII. DE AARD DER PLANTENBESCHADIGING.

Er is geen enkel plantendeel, dat door de insecten wordt verschoond;

ook worden onze kultuurplanten op iederen leeftijd aangevallen.

Insectenaanvallen op het kiembed belemmeren een flinken uitgroei en

veroorzaken vaak den dood van onze gewassen. Dat geldt ook voor de

wortelbeschadigingen, omdat door de wortels het voedsel uit den bodem

wordt opgenomen. Zeer ernstig zijn ook de aanvallen op de bladeren door

rupsen, bastaardrupsen en kevers. Hebben éénjarige gewassen zulke

aanvallen te verduren, dan gaan zij vaak geheel onder, omdat de

bladeren zoowel voedings- als ademhalingsorganen zijn. Boomen

herstellen zich het volgende jaar wel weer, doch dennen- en

sparrenbosschen, die kaal gevreten zijn, hebben 4 of 5 jaar noodig voor

zij weer hersteld zijn, omdat zij zoo langzaam groeien.

Soms worden de bloemen vernield en dan komt er van den oogst niets

terecht; een andermaal worden de vruchten uitgegeten en ook dan is de

oogst waardeloos. ’t Komt ook voor, dat b.v. bladgroenten zoo door luis

zijn bezet, dat ze ongenietbaar zijn, b.v. kropsla. De beschadiging van

bladluizen aan twijgen van boomen, wordt soms gevolgd door schimmel- of

zwamziekten. In de wonden, door deze luizen gemaakt, ontkiemen dan de

sporen van schimmels. Het knagen van keverlarven en rupsen in

boomstammen, geeft aanleiding tot inwateren en vermolmen. De

plantenbeschadiging door insecten is dus een veelzijdige.

Nederlandsche Insecten · 第 21 / 72 题