Er is geen enkel plantendeel, dat door de insecten wordt verschoond;
ook worden onze kultuurplanten op iederen leeftijd aangevallen.
Insectenaanvallen op het kiembed belemmeren een flinken uitgroei en
veroorzaken vaak den dood van onze gewassen. Dat geldt ook voor de
wortelbeschadigingen, omdat door de wortels het voedsel uit den bodem
wordt opgenomen. Zeer ernstig zijn ook de aanvallen op de bladeren door
rupsen, bastaardrupsen en kevers. Hebben éénjarige gewassen zulke
aanvallen te verduren, dan gaan zij vaak geheel onder, omdat de
bladeren zoowel voedings- als ademhalingsorganen zijn. Boomen
herstellen zich het volgende jaar wel weer, doch dennen- en
sparrenbosschen, die kaal gevreten zijn, hebben 4 of 5 jaar noodig voor
zij weer hersteld zijn, omdat zij zoo langzaam groeien.
Soms worden de bloemen vernield en dan komt er van den oogst niets
terecht; een andermaal worden de vruchten uitgegeten en ook dan is de
oogst waardeloos. ’t Komt ook voor, dat b.v. bladgroenten zoo door luis
zijn bezet, dat ze ongenietbaar zijn, b.v. kropsla. De beschadiging van
bladluizen aan twijgen van boomen, wordt soms gevolgd door schimmel- of
zwamziekten. In de wonden, door deze luizen gemaakt, ontkiemen dan de
sporen van schimmels. Het knagen van keverlarven en rupsen in
boomstammen, geeft aanleiding tot inwateren en vermolmen. De
plantenbeschadiging door insecten is dus een veelzijdige.