In de vrije natuur kunnen wij moeilijk één dier aanwijzen, dat òf
absoluut nuttig, òf totaal schadelijk is. Ieder dier heeft daar zijn
plaats en tracht die plaats te behouden. ’t Resultaat is, dat de natuur
een wonderschoon geheel blijft. Zoodra de mensch evenwel de natuur gaat
beschouwen met egoïstische oogen, en alle planten en dieren indeelt
naar het voor- of nadeel dat hij er persoonlijk van heeft, dan krijgen
wij een indeeling in nuttige en schadelijke planten en dieren, hoe
wonderlijk en mooi die schadelijke individuen dan ook mogen zijn. Die
indeeling is dan een economische en geen natuurwetenschappelijke.
Nuttig noemt de mensch dan alles wat goed voor hem is, en dat hem helpt
bij zijn bezigheden; b.v. een koe (voeding), een paard (trekkracht). En
schadelijk is dan elk dier of elke plant, die hem op zeker oogenblik
nadeel aanbrengt. Maar meestal zijn vele dieren nu eens nuttig en dan
weer lastig. Veel vogels zijn in den tijd, dat zij jongen hebben, zeer
nuttig, doordat zij zooveel insecten naar ’t nest brengen; zijn later
de bessen, kersen en erwten rijp, dan worden ze weer lastig, omdat ze
deze vruchten ook lusten. Zoo is het b.v. zéér moeilijk te zeggen,
welke vogel eigenlijk schadelijk is; op ieders gedragboekje staan goed-
en afkeuringen.
Wat nu de insecten betreft ten opzichte van het nut, dat de mensch er
van heeft, kunnen wij ze in 2 groepen verdeelen; 1º direct nuttige, 2º
indirect nuttige. Van de eerste heeft de mensch zelf persoonlijk
voordeel, van de tweede langs een omweg.
DIRECT NUTTIGE INSECTEN: Hiertoe behooren b.v.: de verschillende
soorten zijderupsen, die zijde leveren, de galwespen, wier gallen
gebruikt worden bij de inktbereiding, de honingbijen, die ons honing en
was geven. De opbrengsten van deze insecten bedragen over de heele
wereld jaarlijks vele millioenen guldens. In Duitschland b.v. wordt
jaarlijks—’t eene jaar is beter dan ’t andere—ongeveer voor 15 millioen
gulden aan honing verzameld en was geproduceerd door de bijen.
INDIRECT NUTTIGE INSECTEN. Tot deze groep behooren de insecten, die ons
zijdelings voordeel aanbrengen: 1º de bloemenbestuivende insecten, 2º
de roofinsecten, 3º de parasieten. De eerste groep zorgt er voor, dat
wij vruchten kunnen oogsten; de roofinsecten verslinden vele andere
insecten, die onze kultuurgewassen aantasten: de poppenroover (33), die
rupsen eet, en de O. L. H. beestjes (72) die bladluizen oppeuzelen; de
parasieten eten als larven o.a. veel rupsen uit.
Een gelijke indeeling kunnen wij maken van de schadelijke insecten;
onder direct schadelijke verstaan wij dan die, welke ons persoonlijk,
ons lichaam, benadeelen; de indirect schadelijke veroorzaken ons nadeel
in ons bedrijf.
DIRECT SCHADELIJKE INSECTEN. Hiertoe behooren de overbrengers van
ziektekiemen en die, welke ons op andere wijze lichamelijk kwellen. Als
zoodanig staan met de zwarte kool aangeteekend: muggen, vliegen,
vlooien, wantsen en luizen. De malariamug brengt de malariakoorts over,
de kamervlieg verbreidt de tuberculose, de cholera, de typhus en is ook
oorzaak van de zomerdiarrhee bij jonge kinderen. Bij de afzonderlijke
behandeling dezer dieren (147–151) staat daarover meer te lezen.
Vlooien brengen in onze Oost de pest van de ratten op den mensch over.
De gele koorts wordt ook overgebracht door een steekmug en het miltvuur
door een steekvlieg.
INDIRECT SCHADELIJKE INSECTEN. Tot deze groep behooren:
1º die insecten, welke onze huisdieren aanvallen: b.v.
runderhorzel, schapenhorzel, paardenhorzel (156–157).
2º de huis- en magazijninsecten, die allerlei stoffen vernielen en
verontreinigen: mieren, kakkerlakken, suikergasten in de keuken; de
kleermotten in de kleeden, meubels, bont en kleeren; houtwormen in
meubels; boekenluizen en kevers in boekenkasten en meeltor),
insectenverzamelingen. In pakhuizen meelwormen (larven van de
Anobium paniceum in allerlei droge stoffen, Lasioderma laeve in
tabak, in magazijnen en pakhuizen. Hier treffen we vooral veel
„cosmopolieten” aan, die met de verschillende waren meekomen.
3º de beschadigers van onze kultuurgewassen; deze vormen een
reusachtig leger, dat geregeld door de land-, tuin- en boschbouwers
moet worden bestreden. Omdat de meeste insecten vegetariers of
planteneters zijn, is het aantal schadelijke insecten voor onze
kultuuren zeer groot: rupsen, bladluizen, schildluizen, kevers. Tot
deze groep behooren ook de larven van kevers en wespen, die in
boomstammen leven en daardoor de technische waarde van het hout
verminderen; boktorren, houtwespen.