XII. NUTTIGE EN SCHADELIJKE INSECTEN.

In de vrije natuur kunnen wij moeilijk één dier aanwijzen, dat òf

absoluut nuttig, òf totaal schadelijk is. Ieder dier heeft daar zijn

plaats en tracht die plaats te behouden. ’t Resultaat is, dat de natuur

een wonderschoon geheel blijft. Zoodra de mensch evenwel de natuur gaat

beschouwen met egoïstische oogen, en alle planten en dieren indeelt

naar het voor- of nadeel dat hij er persoonlijk van heeft, dan krijgen

wij een indeeling in nuttige en schadelijke planten en dieren, hoe

wonderlijk en mooi die schadelijke individuen dan ook mogen zijn. Die

indeeling is dan een economische en geen natuurwetenschappelijke.

Nuttig noemt de mensch dan alles wat goed voor hem is, en dat hem helpt

bij zijn bezigheden; b.v. een koe (voeding), een paard (trekkracht). En

schadelijk is dan elk dier of elke plant, die hem op zeker oogenblik

nadeel aanbrengt. Maar meestal zijn vele dieren nu eens nuttig en dan

weer lastig. Veel vogels zijn in den tijd, dat zij jongen hebben, zeer

nuttig, doordat zij zooveel insecten naar ’t nest brengen; zijn later

de bessen, kersen en erwten rijp, dan worden ze weer lastig, omdat ze

deze vruchten ook lusten. Zoo is het b.v. zéér moeilijk te zeggen,

welke vogel eigenlijk schadelijk is; op ieders gedragboekje staan goed-

en afkeuringen.

Wat nu de insecten betreft ten opzichte van het nut, dat de mensch er

van heeft, kunnen wij ze in 2 groepen verdeelen; 1º direct nuttige, 2º

indirect nuttige. Van de eerste heeft de mensch zelf persoonlijk

voordeel, van de tweede langs een omweg.

DIRECT NUTTIGE INSECTEN: Hiertoe behooren b.v.: de verschillende

soorten zijderupsen, die zijde leveren, de galwespen, wier gallen

gebruikt worden bij de inktbereiding, de honingbijen, die ons honing en

was geven. De opbrengsten van deze insecten bedragen over de heele

wereld jaarlijks vele millioenen guldens. In Duitschland b.v. wordt

jaarlijks—’t eene jaar is beter dan ’t andere—ongeveer voor 15 millioen

gulden aan honing verzameld en was geproduceerd door de bijen.

INDIRECT NUTTIGE INSECTEN. Tot deze groep behooren de insecten, die ons

zijdelings voordeel aanbrengen: 1º de bloemenbestuivende insecten, 2º

de roofinsecten, 3º de parasieten. De eerste groep zorgt er voor, dat

wij vruchten kunnen oogsten; de roofinsecten verslinden vele andere

insecten, die onze kultuurgewassen aantasten: de poppenroover (33), die

rupsen eet, en de O. L. H. beestjes (72) die bladluizen oppeuzelen; de

parasieten eten als larven o.a. veel rupsen uit.

Een gelijke indeeling kunnen wij maken van de schadelijke insecten;

onder direct schadelijke verstaan wij dan die, welke ons persoonlijk,

ons lichaam, benadeelen; de indirect schadelijke veroorzaken ons nadeel

in ons bedrijf.

DIRECT SCHADELIJKE INSECTEN. Hiertoe behooren de overbrengers van

ziektekiemen en die, welke ons op andere wijze lichamelijk kwellen. Als

zoodanig staan met de zwarte kool aangeteekend: muggen, vliegen,

vlooien, wantsen en luizen. De malariamug brengt de malariakoorts over,

de kamervlieg verbreidt de tuberculose, de cholera, de typhus en is ook

oorzaak van de zomerdiarrhee bij jonge kinderen. Bij de afzonderlijke

behandeling dezer dieren (147–151) staat daarover meer te lezen.

Vlooien brengen in onze Oost de pest van de ratten op den mensch over.

De gele koorts wordt ook overgebracht door een steekmug en het miltvuur

door een steekvlieg.

INDIRECT SCHADELIJKE INSECTEN. Tot deze groep behooren:

1º die insecten, welke onze huisdieren aanvallen: b.v.

runderhorzel, schapenhorzel, paardenhorzel (156–157).

2º de huis- en magazijninsecten, die allerlei stoffen vernielen en

verontreinigen: mieren, kakkerlakken, suikergasten in de keuken; de

kleermotten in de kleeden, meubels, bont en kleeren; houtwormen in

meubels; boekenluizen en kevers in boekenkasten en meeltor),

insectenverzamelingen. In pakhuizen meelwormen (larven van de

Anobium paniceum in allerlei droge stoffen, Lasioderma laeve in

tabak, in magazijnen en pakhuizen. Hier treffen we vooral veel

„cosmopolieten” aan, die met de verschillende waren meekomen.

3º de beschadigers van onze kultuurgewassen; deze vormen een

reusachtig leger, dat geregeld door de land-, tuin- en boschbouwers

moet worden bestreden. Omdat de meeste insecten vegetariers of

planteneters zijn, is het aantal schadelijke insecten voor onze

kultuuren zeer groot: rupsen, bladluizen, schildluizen, kevers. Tot

deze groep behooren ook de larven van kevers en wespen, die in

boomstammen leven en daardoor de technische waarde van het hout

verminderen; boktorren, houtwespen.

Nederlandsche Insecten · 第 20 / 72 题