XI. De BETEEKENIS der INSECTEN voor de HUISHOUDING der NATUUR.

En welke plaats nemen de insecten nu in tusschen de andere dieren en

tusschen de planten? Dat zullen wij in het kort trachten na te gaan. In

’t algemeen zijn de insecten maar kleine diertjes en als hun rol in de

natuur toch nog belangrijk is, dan vindt dit zijn oorzaak in het groote

aantal, waarin zij optreden.

Het grootste insect, b.v. een vliegend hert (48) of de groote

glazenmaker (79) is nog betrekkelijk klein en als wij van de groote

vlinders de vleugels afnemen, blijkt het eigenlijke lichaam toch ook

maar klein te zijn.

Het aantal insectensoorten is zeer groot. Tot heden zijn er 250000

soorten in de wereld bekend, en vele streken zijn nog niet voldoende

onderzocht. In ons land zijn ruim 9000 soorten bekend, waaronder: ruim

3000 keversoorten, ruim 2000 vliegen en muggen, ruim 1800 bijen,

wespen, mieren, z.g. vliesvleugeligen, ruim 1700 soorten vlinders, 53

waternimfen, 29 sprinkhanen, krekels, verder groote aantallen

bladluissoorten, enz. enz.

Dat zijn getallen om eerbied voor te krijgen. Toch zijn die getallen

niet verontrustend, want van vele insectensoorten komen maar weinige

exemplaren voor. Maar wel verschrikkelijk is vaak de reusachtige

toename van sommige soorten; men denke aan de muggenzwermen in den

zomer ook in ons land en de sprinkhanenzwermen in de zuidelijker

landen. Marcheerende rupsen zijn soms in zoo groot aantal bijeen, dat

zij een spoortrein den weg versperren. Soms worden vlinderzwermen

waargenomen, die uit vele millioenen exemplaren bestaan.

De meeste insecten leven op het land en in de binnenwateren; op en in

de zee komen er maar weinigen voor. Het talrijkst zijn de

insectensoorten in de warme landen, in de tropen: het aantal neemt dan

ook geregeld van den evenaar tot den pool af. Die feitelijke inkrimping

houdt gelijken tred met de mindere ontwikkeling van de plantenwereld in

de koudere streken. Waar weinig plantengroei is, is ook weinig dierlijk

leven, omdat de dieren afhankelijk zijn van de planten.

Wat hun plaats in de levende natuur betreft, kunnen wij ’t volgende

opmerken:

1º Velen behooren tot de opruimers; doode dieren en planten

gebruiken zij of hun jongen tot voedsel en zoodoende zijn die

gestorven organismen spoedig weggewerkt: doodgravers, vliegen.

2º De plantenetende insecten vernietigen veel planten, waardoor er

een zeker evenwicht blijft bestaan. Dat geldt ook voor de

vleeschetende, die o.a. ook wel insecten verorberen: rupsen,

bladluizen, roofkevers, oorwormen.

3º Vele insecten zijn voedsel voor andere dieren, o.a. voor vogels,

kikkers; larven van muggen, die in ’t water leven, vormen een

heerlijk voer voor de visschen.

4º Tal van insecten bewerken bij de bloemen kruisbestuiving,

waardoor een goede zaadvorming wordt ingeleid; bijen, hommels,

vlinders.

5º Verschillende insecten zorgen voor de verbreiding van

plantenzaden; een belangrijke rol spelen hierbij de mieren.

6º De bodeminsecten nemen deel aan de bodembearbeiding.

Over de beteekenis der insecten als overbrengers van ziektekiemen

spreken wij nog nader. Laten wij over de 6 verschillende functies nog

iets meer zeggen, omdat wij hierdoor de beteekenis der insecten beter

leeren kennen.

DE OPRUIMERS. Het spreekt van zelf, dat de doode dieren en planten niet

kunnen blijven liggen; dan zou de natuur spoedig één mestvaalt zijn.

Het opruimen van dat vuil is een belangrijk werk en is opgedragen aan

verschillende kevers en vliegen, die eieren in die lijken leggen. De

larven werken de lijken dan weg.

Dat geldt ook voor den plantenafval. Vele insecten leven daarvan. Als

een mierenkolonie haar nest bouwt in een dooden boomstronk is hij

sneller weggewerkt dan wanneer hij vrij van insecten bleef. Wij vinden

zelden dierenlijken in de vrije natuur en dit komt, omdat de vliegen en

doodgravers er zoo snel bij zijn om daarin hun eieren te leggen. Ook

uitwerpselen van dieren worden spoedig weggewerkt door mestkevers en

door vliegenmaden. Als in een paardenstal veel vliegen zijn — en die

zijn er altijd — dan moeten wij dit als een welwillendheid van de

vliegen opvatten, die den stal willen zuiveren van paardenmest, want

daarin leggen zij eieren. De larven zijn mesteters.

De BEWAARDERS van het EVENWICHT. De eene dierengroep houdt de andere in

bedwang. Dat dit werkelijk zoo is, zien wij in landen, waarin, door

welke oorzaak dan ook, schadelijke insecten wel zijn ingevoerd, doch

niet de vijanden van deze schadelijke dieren. In Amerika zijn

verschillende van deze dieren uit Europa aangeland, doch hun vervolgers

en parasieten bleven in Europa. Het gevolg van een en ander is, dat die

dieren in Amerika zich snel vermenigvuldigen en daar zeer groote

verwoestingen aanrichten, b.v. de plakker en de bastaardsatijnvlinder,

wier rupsen daar nu al sedert jaren vreeslijk huishouden. In Europa

hebben deze rupsen verschillende vijanden, ook in ons land, en daarom

worden ze hier nooit zulke plagen als in Amerika. Men is dan ook in

Amerika bezig de verdelgers van genoemde rupsen uit Europa in te

voeren.

VOEDSEL voor andere DIEREN. De vogelwereld wordt voor een zeer groot

deel geheel gevoed door de insecten. Zelfs de zaadeters geven aan hun

jongen in het nest insecten te eten. In zooverre is dus de vogelwereld

afhankelijk van de insecten. Wanneer wij soms wat boos worden, als wij

zien hoe de insecten in onzen tuin en in onze boomen huishouden, dan

moeten wij toch weer bedenken, dat die insecten het voedsel zijn voor

zoovele vogels, die ons met hun gezang verrukken.

Steekmuggen—wie heeft er niet ’t land aan? Toch vormen de larven van

deze muggen, die in het water leven, een zeer smakelijk voedsel voor de

visschen, en dat wij een lekker vischje op tafel kunnen krijgen hebben

wij ten slotte te danken aan die leelijke steekmuggen. Zij voeren de

visschen en wij eten die. En nu moge de steekmug ons ’s nachts

hinderen, zij zorgt er toch ook voor, dat wij ’s middags een vischje op

tafel hebben.

BLOEMENBESTUIVERS: Het is bekend, dat een bloem, behalve uit kelk- en

bloembladen, bestaat uit meeldraden en een of meer stampers. De

kelkbladen beschutten de teere bloemdeelen in de knoppen; de gekleurde

bloembladen lokken de insecten; de meeldraden brengen stuifmeel voort,

dat op den top van den stamper wordt gebracht, daar buizen vormt, die

den stamper indringen en zoo bij de eitjes komen, waar dan een

samensmelting plaats heeft van den inhoud der stuifmeelbuizen met de

eitjes. Die samensmelting noemt men bevruchting en na de bevruchting

groeien de eitjes uit tot zaden. Zonder bevruchting der eitjes of

zaadknoppen brengt geen plant zaden voort; een enkele uitgezonderd. De

bevruchting is dus van veel belang, het is een levensvoorwaarde voor

het voortbestaan der plantensoorten.

Als het stuifmeel op den top—den stempel—van den stamper komt, dan zegt

men, dat er bestuiving plaats heeft; die bestuiving leidt dus de

bevruchting in. De bestuiving kunnen wij zien, de bevruchting niet: die

geschiedt in het inwendige van den stamper.

Hoewel rondom elken stamper vele meeldraden staan, die dus stuifmeel

genoeg voortbrengen om den eigen stamper te bestuiven, ligt het toch in

de natuur om vooral met stuifmeel uit andere bloemen—van dezelfde

soort—op den stamper te werken. Zeker, met eigen stuifmeel brengen de

meeste stampers ook wel zaden voort, doch als „vreemd” stuifmeel is

gebruikt, worden de zaden grooter, bezitten ze meer kiemkracht, en de

planten die hieruit ontstaan, zijn gewoonlijk sterker, forscher en

bezitten meer weerstandsvermogen. Wij kunnen daarom dit wel

vaststellen: de natuur wil werken met vreemd stuifmeel. Het stuifmeel

van bloem A gaat naar bloem B, en van B naar A; het kruist elkaar, en

deze bestuiving noemt men kruisbestuiving.

Maar hoe komt nu het stuifmeel van de eene bloem naar de andere? Wie

transporteert het? Dat kan op drie manieren geschieden: 1º door den

wind, 2º door het water en 3º door dieren. Elke plant wordt op een

dezer manieren bestoven; nooit op 2 manieren, want de aard, de

bekleeding van het stuifmeel, hangt weer samen met de manier waarop het

stuifmeel wordt vervoerd.

Bloemen, die door den wind worden bestoven, hebben weinig of geen kleur

en zijn meestal zeer beweeglijk: hazelaar, els, eik, beuk, berk, rogge,

grassen, maïs. Het stuifmeel is klein, glad, rond.

Door het water wordt niet veel stuifmeel vervoerd; als ’t gebeurt is

het stuifmeel omgeven door een laagje kurk. Kurk, al is ’t geen

eigenlijk vet, heeft vele eigenschappen van vet, houdt net als vet het

water tegen.

Het meeste stuifmeel wordt vervoerd door dieren; en al bewerken in de

warmere landen verschillende kleine vogeltjes en bij ons ook nog wel de

slakken soms bestuiving, wij kunnen die gerust buiten beschouwing

laten. De bloemenbestuivers zijn bij ons die insecten, en als wij nu

weten, dat meer dan 80% van alle bloemen door insecten worden bestoven,

dan wordt het ons duidelijk van welke groote beteekenis de insecten

voor de bloemenwereld zijn. Zonder insecten geen bloemen. En dat de

bloemen geheel ingericht zijn op insectenbezoek, bewijzen ons de

lokmiddelen, waardoor de insecten bewogen worden tot bezoek. De

insectenbloemen zijn kleurig, geuren en brengen meestal honing voort;

alles terwille van de insecten, die door kleur en geur gelokt worden.

Zoo ver is onderlinge afhankelijkheid reeds gegaan, dat b.v. de bijen-

en de hommelkolonies niet kunnen bestaan zonder bloemen, want die

leveren stuifmeel en honing, waarmede de larven der bijen en hommels

worden gevoed.

De insecten, die zich voornamelijk met de bestuiving belasten, zijn:

bijen, hommels, vlinders, vliegen en ook enkele kevers. De bijen en

hommels spelen de belangrijkste rol, omdat in de bloemen de geheele

voeding van de larven zit; zij moeten dus het geheele voorjaar en den

geheelen zomer er op uit.

Merkwaardig is, hoe de werksters van de bijen en de werksters en

Koninginnen van de hommels, aan haar achterpooten een

verzamelinrichting hebben, waarin het stuifmeel wordt vastgezet, dat

naar de kolonie wordt gedragen. Die verzamelinrichting, het z.g.

korfje, ontbreekt bij de bijenkoningin omdat zij toch nooit stuifmeel

gaat halen.

Bijen, hommels en bloemen behooren dus bij elkaar.

De bouw van de roltong van vele vlinders wijst er op, hoe ook deze

dieren tot taak hebben bloemen te bezoeken; wij hebben dit al gezien

bij het koolwitje. De insecten steken hun snuitje in de bloemen, zuigen

honing, en gelijktijdig worden zij met stuifmeel bepoederd. Vliegen zij

nu naar een andere bloem, dan stooten zij met hun bepoederden kop of

hun bepoederd lichaam tegen den stamper van die andere bloem, en geven

daar stuifmeel af. Dat is dan kruisbestuiving. Als een insect aan het

garen van honing of stuifmeel is, dan bepaalt het zich zooveel mogelijk

tot ééne soort; een volgende keer krijgt weer een andere soort een

beurt. Avondvlinders met lange roltong, zooals de ligusterpijlstaart

(13 geeft de rups te zien), halen ook honing uit bloemen en bestuiven

ook den stamper, doch bezoeken alleen bloemen die ’s avonds geuren,

zooals de kamperfoelie. Dan kan men deze vlinders wel eens zien „staan”

voor die bloemen.

Wij kunnen niet langer stilstaan bij dit belangrijke onderwerp;

intusschen zullen de lezers wel tot de overtuiging zijn gekomen, dat

genoemde insecten niet gemist kunnen worden in de natuur. En van

hoeveel nut b.v. de bijen zijn voor de vruchtzetting van bessen, appels

en peren, daar weten de fruitkweekers van. In verschillende streken van

ons land, o.a. in Z. Limburg, brachten verschillende kersenboomen geen

vruchten meer voort, hoewel zij toch bloeiden. Nadat men in de

boomgaarden bijenkorven had gezet, was de vruchtvorming weer

overvloedig. Verschillende planten toch brengen zonder vreemd stuifmeel

geen vruchten voort. Dit was ook het geval met eenige Limburgsche

kersen. In kassen met bloeiende perziken zet men ook dikwijls korven

met bijen.

VERBREIDERS van PLANTEN: In een bosch kunnen de zaden en vruchten der

hooge boomen gemakkelijk door den wind worden verplaatst en verstrooid.

De struiken, die veel lager groeien, en waarvan vele besvruchten

dragen, vinden in de vogels, die deze bessen eten, zeer bekwame

zaadverspreiders. Zij eten de bessen met zaden op, en na verloop van

een klein uurtje—ze kunnen dan reeds een heel eind verwijderd zijn van

de voederplaats—worden de ingeslikte zaden met de uitwerpselen uit het

lichaam verwijderd. Op deze wijze verspreiden de vogels de zaden. Als

men in een dakgoot of in een knotwilg b.v. een vlier ziet staan, dan is

die daar „gezaaid” door een vogel, een spreeuw of een lijster.

En hoe worden nu de zaden verspreid van de lagere boschplanten, die

weinig van den wind bewogen of door de vogels bezocht worden? Daar

zorgen de mieren voor. De zaden van die lage boschplanten, ’t

sneeuwklokje, ’t longenkruid, veronica, welriekend viooltje, zijn

voorzien van een zacht navelknobbeltje, dat rijk is aan olie en waarop

de mieren verlekkerd zijn. Zij sleepen de zaden daarom mede, bijten

onderweg het olieknobbeltje af, en laten de zaden dan achter; trots

deze „ontknobbeling” blijven de zaden kiemkrachtig. En zoo voeren de

mieren de zaden dan ver van de plaats waar zij ontstonden. Een Zweedsch

plantkundige, Sernander, heeft deze verspreidingswijze in de laatste

jaren uitvoerig bestudeerd. Een kolonie van de roode boschmier

(169–171) kan op deze wijze in één vegetatieperiode minstens 36000

zaden verspreiden.

De rijkste „mierenflora” vinden wij in de eiken- en beukenbosschen; de

armste in de dennen- en sparrenbosschen.

INSECTEN als BODEMBEWERKERS. Regenwormen spelen een belangrijke rol als

bewerkers van den bodem. Dat kunnen wij ook getuigen van de vele

insecten en larven, die in den bodem leven. Verschillende leven van

humus, die zij in hun lichaam omzetten en waarvan de uitwerpselen een

goeden mest vormen. Door hun woelen in den grond en het graven van

gangen en holen, maken zij den bodem meer doorlaatbaar, waardoor vocht

en lucht tot de benedenlagen kunnen doordringen, wat de omzetting der

humusstoffen en den groei der planten bevordert.

De insecten zijn dus in velerlei richting in de natuur werkzaam; hun

beteekenis voor de huishouding der natuur is dus zeer groot.

Nederlandsche Insecten · 第 19 / 72 题