En welke plaats nemen de insecten nu in tusschen de andere dieren en
tusschen de planten? Dat zullen wij in het kort trachten na te gaan. In
’t algemeen zijn de insecten maar kleine diertjes en als hun rol in de
natuur toch nog belangrijk is, dan vindt dit zijn oorzaak in het groote
aantal, waarin zij optreden.
Het grootste insect, b.v. een vliegend hert (48) of de groote
glazenmaker (79) is nog betrekkelijk klein en als wij van de groote
vlinders de vleugels afnemen, blijkt het eigenlijke lichaam toch ook
maar klein te zijn.
Het aantal insectensoorten is zeer groot. Tot heden zijn er 250000
soorten in de wereld bekend, en vele streken zijn nog niet voldoende
onderzocht. In ons land zijn ruim 9000 soorten bekend, waaronder: ruim
3000 keversoorten, ruim 2000 vliegen en muggen, ruim 1800 bijen,
wespen, mieren, z.g. vliesvleugeligen, ruim 1700 soorten vlinders, 53
waternimfen, 29 sprinkhanen, krekels, verder groote aantallen
bladluissoorten, enz. enz.
Dat zijn getallen om eerbied voor te krijgen. Toch zijn die getallen
niet verontrustend, want van vele insectensoorten komen maar weinige
exemplaren voor. Maar wel verschrikkelijk is vaak de reusachtige
toename van sommige soorten; men denke aan de muggenzwermen in den
zomer ook in ons land en de sprinkhanenzwermen in de zuidelijker
landen. Marcheerende rupsen zijn soms in zoo groot aantal bijeen, dat
zij een spoortrein den weg versperren. Soms worden vlinderzwermen
waargenomen, die uit vele millioenen exemplaren bestaan.
De meeste insecten leven op het land en in de binnenwateren; op en in
de zee komen er maar weinigen voor. Het talrijkst zijn de
insectensoorten in de warme landen, in de tropen: het aantal neemt dan
ook geregeld van den evenaar tot den pool af. Die feitelijke inkrimping
houdt gelijken tred met de mindere ontwikkeling van de plantenwereld in
de koudere streken. Waar weinig plantengroei is, is ook weinig dierlijk
leven, omdat de dieren afhankelijk zijn van de planten.
Wat hun plaats in de levende natuur betreft, kunnen wij ’t volgende
opmerken:
1º Velen behooren tot de opruimers; doode dieren en planten
gebruiken zij of hun jongen tot voedsel en zoodoende zijn die
gestorven organismen spoedig weggewerkt: doodgravers, vliegen.
2º De plantenetende insecten vernietigen veel planten, waardoor er
een zeker evenwicht blijft bestaan. Dat geldt ook voor de
vleeschetende, die o.a. ook wel insecten verorberen: rupsen,
bladluizen, roofkevers, oorwormen.
3º Vele insecten zijn voedsel voor andere dieren, o.a. voor vogels,
kikkers; larven van muggen, die in ’t water leven, vormen een
heerlijk voer voor de visschen.
4º Tal van insecten bewerken bij de bloemen kruisbestuiving,
waardoor een goede zaadvorming wordt ingeleid; bijen, hommels,
vlinders.
5º Verschillende insecten zorgen voor de verbreiding van
plantenzaden; een belangrijke rol spelen hierbij de mieren.
6º De bodeminsecten nemen deel aan de bodembearbeiding.
Over de beteekenis der insecten als overbrengers van ziektekiemen
spreken wij nog nader. Laten wij over de 6 verschillende functies nog
iets meer zeggen, omdat wij hierdoor de beteekenis der insecten beter
leeren kennen.
DE OPRUIMERS. Het spreekt van zelf, dat de doode dieren en planten niet
kunnen blijven liggen; dan zou de natuur spoedig één mestvaalt zijn.
Het opruimen van dat vuil is een belangrijk werk en is opgedragen aan
verschillende kevers en vliegen, die eieren in die lijken leggen. De
larven werken de lijken dan weg.
Dat geldt ook voor den plantenafval. Vele insecten leven daarvan. Als
een mierenkolonie haar nest bouwt in een dooden boomstronk is hij
sneller weggewerkt dan wanneer hij vrij van insecten bleef. Wij vinden
zelden dierenlijken in de vrije natuur en dit komt, omdat de vliegen en
doodgravers er zoo snel bij zijn om daarin hun eieren te leggen. Ook
uitwerpselen van dieren worden spoedig weggewerkt door mestkevers en
door vliegenmaden. Als in een paardenstal veel vliegen zijn — en die
zijn er altijd — dan moeten wij dit als een welwillendheid van de
vliegen opvatten, die den stal willen zuiveren van paardenmest, want
daarin leggen zij eieren. De larven zijn mesteters.
De BEWAARDERS van het EVENWICHT. De eene dierengroep houdt de andere in
bedwang. Dat dit werkelijk zoo is, zien wij in landen, waarin, door
welke oorzaak dan ook, schadelijke insecten wel zijn ingevoerd, doch
niet de vijanden van deze schadelijke dieren. In Amerika zijn
verschillende van deze dieren uit Europa aangeland, doch hun vervolgers
en parasieten bleven in Europa. Het gevolg van een en ander is, dat die
dieren in Amerika zich snel vermenigvuldigen en daar zeer groote
verwoestingen aanrichten, b.v. de plakker en de bastaardsatijnvlinder,
wier rupsen daar nu al sedert jaren vreeslijk huishouden. In Europa
hebben deze rupsen verschillende vijanden, ook in ons land, en daarom
worden ze hier nooit zulke plagen als in Amerika. Men is dan ook in
Amerika bezig de verdelgers van genoemde rupsen uit Europa in te
voeren.
VOEDSEL voor andere DIEREN. De vogelwereld wordt voor een zeer groot
deel geheel gevoed door de insecten. Zelfs de zaadeters geven aan hun
jongen in het nest insecten te eten. In zooverre is dus de vogelwereld
afhankelijk van de insecten. Wanneer wij soms wat boos worden, als wij
zien hoe de insecten in onzen tuin en in onze boomen huishouden, dan
moeten wij toch weer bedenken, dat die insecten het voedsel zijn voor
zoovele vogels, die ons met hun gezang verrukken.
Steekmuggen—wie heeft er niet ’t land aan? Toch vormen de larven van
deze muggen, die in het water leven, een zeer smakelijk voedsel voor de
visschen, en dat wij een lekker vischje op tafel kunnen krijgen hebben
wij ten slotte te danken aan die leelijke steekmuggen. Zij voeren de
visschen en wij eten die. En nu moge de steekmug ons ’s nachts
hinderen, zij zorgt er toch ook voor, dat wij ’s middags een vischje op
tafel hebben.
BLOEMENBESTUIVERS: Het is bekend, dat een bloem, behalve uit kelk- en
bloembladen, bestaat uit meeldraden en een of meer stampers. De
kelkbladen beschutten de teere bloemdeelen in de knoppen; de gekleurde
bloembladen lokken de insecten; de meeldraden brengen stuifmeel voort,
dat op den top van den stamper wordt gebracht, daar buizen vormt, die
den stamper indringen en zoo bij de eitjes komen, waar dan een
samensmelting plaats heeft van den inhoud der stuifmeelbuizen met de
eitjes. Die samensmelting noemt men bevruchting en na de bevruchting
groeien de eitjes uit tot zaden. Zonder bevruchting der eitjes of
zaadknoppen brengt geen plant zaden voort; een enkele uitgezonderd. De
bevruchting is dus van veel belang, het is een levensvoorwaarde voor
het voortbestaan der plantensoorten.
Als het stuifmeel op den top—den stempel—van den stamper komt, dan zegt
men, dat er bestuiving plaats heeft; die bestuiving leidt dus de
bevruchting in. De bestuiving kunnen wij zien, de bevruchting niet: die
geschiedt in het inwendige van den stamper.
Hoewel rondom elken stamper vele meeldraden staan, die dus stuifmeel
genoeg voortbrengen om den eigen stamper te bestuiven, ligt het toch in
de natuur om vooral met stuifmeel uit andere bloemen—van dezelfde
soort—op den stamper te werken. Zeker, met eigen stuifmeel brengen de
meeste stampers ook wel zaden voort, doch als „vreemd” stuifmeel is
gebruikt, worden de zaden grooter, bezitten ze meer kiemkracht, en de
planten die hieruit ontstaan, zijn gewoonlijk sterker, forscher en
bezitten meer weerstandsvermogen. Wij kunnen daarom dit wel
vaststellen: de natuur wil werken met vreemd stuifmeel. Het stuifmeel
van bloem A gaat naar bloem B, en van B naar A; het kruist elkaar, en
deze bestuiving noemt men kruisbestuiving.
Maar hoe komt nu het stuifmeel van de eene bloem naar de andere? Wie
transporteert het? Dat kan op drie manieren geschieden: 1º door den
wind, 2º door het water en 3º door dieren. Elke plant wordt op een
dezer manieren bestoven; nooit op 2 manieren, want de aard, de
bekleeding van het stuifmeel, hangt weer samen met de manier waarop het
stuifmeel wordt vervoerd.
Bloemen, die door den wind worden bestoven, hebben weinig of geen kleur
en zijn meestal zeer beweeglijk: hazelaar, els, eik, beuk, berk, rogge,
grassen, maïs. Het stuifmeel is klein, glad, rond.
Door het water wordt niet veel stuifmeel vervoerd; als ’t gebeurt is
het stuifmeel omgeven door een laagje kurk. Kurk, al is ’t geen
eigenlijk vet, heeft vele eigenschappen van vet, houdt net als vet het
water tegen.
Het meeste stuifmeel wordt vervoerd door dieren; en al bewerken in de
warmere landen verschillende kleine vogeltjes en bij ons ook nog wel de
slakken soms bestuiving, wij kunnen die gerust buiten beschouwing
laten. De bloemenbestuivers zijn bij ons die insecten, en als wij nu
weten, dat meer dan 80% van alle bloemen door insecten worden bestoven,
dan wordt het ons duidelijk van welke groote beteekenis de insecten
voor de bloemenwereld zijn. Zonder insecten geen bloemen. En dat de
bloemen geheel ingericht zijn op insectenbezoek, bewijzen ons de
lokmiddelen, waardoor de insecten bewogen worden tot bezoek. De
insectenbloemen zijn kleurig, geuren en brengen meestal honing voort;
alles terwille van de insecten, die door kleur en geur gelokt worden.
Zoo ver is onderlinge afhankelijkheid reeds gegaan, dat b.v. de bijen-
en de hommelkolonies niet kunnen bestaan zonder bloemen, want die
leveren stuifmeel en honing, waarmede de larven der bijen en hommels
worden gevoed.
De insecten, die zich voornamelijk met de bestuiving belasten, zijn:
bijen, hommels, vlinders, vliegen en ook enkele kevers. De bijen en
hommels spelen de belangrijkste rol, omdat in de bloemen de geheele
voeding van de larven zit; zij moeten dus het geheele voorjaar en den
geheelen zomer er op uit.
Merkwaardig is, hoe de werksters van de bijen en de werksters en
Koninginnen van de hommels, aan haar achterpooten een
verzamelinrichting hebben, waarin het stuifmeel wordt vastgezet, dat
naar de kolonie wordt gedragen. Die verzamelinrichting, het z.g.
korfje, ontbreekt bij de bijenkoningin omdat zij toch nooit stuifmeel
gaat halen.
Bijen, hommels en bloemen behooren dus bij elkaar.
De bouw van de roltong van vele vlinders wijst er op, hoe ook deze
dieren tot taak hebben bloemen te bezoeken; wij hebben dit al gezien
bij het koolwitje. De insecten steken hun snuitje in de bloemen, zuigen
honing, en gelijktijdig worden zij met stuifmeel bepoederd. Vliegen zij
nu naar een andere bloem, dan stooten zij met hun bepoederden kop of
hun bepoederd lichaam tegen den stamper van die andere bloem, en geven
daar stuifmeel af. Dat is dan kruisbestuiving. Als een insect aan het
garen van honing of stuifmeel is, dan bepaalt het zich zooveel mogelijk
tot ééne soort; een volgende keer krijgt weer een andere soort een
beurt. Avondvlinders met lange roltong, zooals de ligusterpijlstaart
(13 geeft de rups te zien), halen ook honing uit bloemen en bestuiven
ook den stamper, doch bezoeken alleen bloemen die ’s avonds geuren,
zooals de kamperfoelie. Dan kan men deze vlinders wel eens zien „staan”
voor die bloemen.
Wij kunnen niet langer stilstaan bij dit belangrijke onderwerp;
intusschen zullen de lezers wel tot de overtuiging zijn gekomen, dat
genoemde insecten niet gemist kunnen worden in de natuur. En van
hoeveel nut b.v. de bijen zijn voor de vruchtzetting van bessen, appels
en peren, daar weten de fruitkweekers van. In verschillende streken van
ons land, o.a. in Z. Limburg, brachten verschillende kersenboomen geen
vruchten meer voort, hoewel zij toch bloeiden. Nadat men in de
boomgaarden bijenkorven had gezet, was de vruchtvorming weer
overvloedig. Verschillende planten toch brengen zonder vreemd stuifmeel
geen vruchten voort. Dit was ook het geval met eenige Limburgsche
kersen. In kassen met bloeiende perziken zet men ook dikwijls korven
met bijen.
VERBREIDERS van PLANTEN: In een bosch kunnen de zaden en vruchten der
hooge boomen gemakkelijk door den wind worden verplaatst en verstrooid.
De struiken, die veel lager groeien, en waarvan vele besvruchten
dragen, vinden in de vogels, die deze bessen eten, zeer bekwame
zaadverspreiders. Zij eten de bessen met zaden op, en na verloop van
een klein uurtje—ze kunnen dan reeds een heel eind verwijderd zijn van
de voederplaats—worden de ingeslikte zaden met de uitwerpselen uit het
lichaam verwijderd. Op deze wijze verspreiden de vogels de zaden. Als
men in een dakgoot of in een knotwilg b.v. een vlier ziet staan, dan is
die daar „gezaaid” door een vogel, een spreeuw of een lijster.
En hoe worden nu de zaden verspreid van de lagere boschplanten, die
weinig van den wind bewogen of door de vogels bezocht worden? Daar
zorgen de mieren voor. De zaden van die lage boschplanten, ’t
sneeuwklokje, ’t longenkruid, veronica, welriekend viooltje, zijn
voorzien van een zacht navelknobbeltje, dat rijk is aan olie en waarop
de mieren verlekkerd zijn. Zij sleepen de zaden daarom mede, bijten
onderweg het olieknobbeltje af, en laten de zaden dan achter; trots
deze „ontknobbeling” blijven de zaden kiemkrachtig. En zoo voeren de
mieren de zaden dan ver van de plaats waar zij ontstonden. Een Zweedsch
plantkundige, Sernander, heeft deze verspreidingswijze in de laatste
jaren uitvoerig bestudeerd. Een kolonie van de roode boschmier
(169–171) kan op deze wijze in één vegetatieperiode minstens 36000
zaden verspreiden.
De rijkste „mierenflora” vinden wij in de eiken- en beukenbosschen; de
armste in de dennen- en sparrenbosschen.
INSECTEN als BODEMBEWERKERS. Regenwormen spelen een belangrijke rol als
bewerkers van den bodem. Dat kunnen wij ook getuigen van de vele
insecten en larven, die in den bodem leven. Verschillende leven van
humus, die zij in hun lichaam omzetten en waarvan de uitwerpselen een
goeden mest vormen. Door hun woelen in den grond en het graven van
gangen en holen, maken zij den bodem meer doorlaatbaar, waardoor vocht
en lucht tot de benedenlagen kunnen doordringen, wat de omzetting der
humusstoffen en den groei der planten bevordert.
De insecten zijn dus in velerlei richting in de natuur werkzaam; hun
beteekenis voor de huishouding der natuur is dus zeer groot.