Er is wel geen enkel dier, dat ongestoord zijn weg kan gaan. Ieder
heeft zoo zijn vijanden, die hem naar het leven staan, en dat is maar
goed ook. De wereld zou anders spoedig te klein worden, zoo snel gaat
de voortplanting. Stel dat een vlinder 150 eieren legt, en dat 50
hiervan zich tot wijfjes ontwikkelen; het volgende jaar worden er dus
50 maal 150 = 7500 eieren gelegd. Groeit het derde deel weer uit tot
wijfjes, dan kunnen die 2500 maal 150 = 375000 eieren leggen. Dat is
dus de nakomelingschap van één vlinder in het tweede jaar.
Maar ook al is het voortplantingsvermogen gering, dan kunnen er na
enkele jaren vele nakomelingen zijn. Als een vogelsoort, die 5 jaar
leeft en in dien tijd 4 maal 4 jongen krijgt, dan heeft ze na 15 jaar .
. . . . 2000 millioen nakomelingen.
Het is dus wel gewenscht, dat geregeld een deel der verschillende
dieren wordt opgeruimd; en dat geschiedt dan ook.
Behalve door het weer, geschiedt de verdelging van veel insecten door:
1º dieren, 2º schimmels en 3º bacteriën.
Wat de dieren betreft, kunnen wij de insectenverdelgers in twee groepen
verdeelen, in parasieten en van roof levende dieren. Over de parasieten
hebben wij reeds gesproken. De dieren, die insecten aanvallen, en dan
tegelijk verslinden, zijn de volgende:
1º de vleermuizen;
2º insecteneters, als: mol, spitsmuis, egel;
3º wezel, hermelijn, vos;
4º zeer vele vogels;
5º tal van insecten, zooals: loopkevers, Onze Lieve-Heersbeestjes,
libellen, gaasvliegen, roofvliegen, wantsen, mieren, wespen;
6º duizendpooten en spinnen.
Al deze dieren helpen ons in den strijd tegen de vele planteneters. Hun
werk is daarom zoo te waardeeren, omdat zij er altijd op uit zijn
insecten in te rekenen. Daardoor voorkomen zij dikwijls het ontstaan
van insectenplagen. Men noemt ze daarom wel eens de „dierkundige
politie”.
Hoe groot b.v. de invloed der vogels op de insectenwereld is, blijkt
uit het volgende: 2 koolmeezen gebruikten van 6 uur ’s morgens tot 7
uur ’s avonds 187 vlinderpoppen en 3 blauwmeesjes en 3 dennenmeesjes
aten een tijdlang dagelijks ongeveer 10000 vlindereieren op. Natuurlijk
pikken de vogels ook wel nuttige insecten op, doch door elkaar
gerekend, zal het voordeel toch wel aan onze zijde zijn.
Over de van roof levende insecten spreken wij bij de afzonderlijke
groepen. Dat vele insecten ten offer vallen aan de spinnen is bekend.
Van groot belang zijn ook de schimmels en bacteriën, die de insecten
dooden. Velen zullen wel eens doode kamervliegen hebben zien zitten
omringd door een wit poeder. Hier was een schimmelziekte aan het werk
geweest. En bij de geschiedenis van het koolwitje hebben wij verhaald,
hoe de bacteriën vaak opruiming onder de rupsen houden.
Allerlei rupsen, kevers, en andere insecten, worden door schimmels en
bacteriën aangevallen, en menigmaal worden insectenplagen hierdoor tot
staan gebracht.
De imkers weten mede te praten over het vuilbroed, een bacterieziekte,
die de bijenkolonies teistert. Wij kunnen over deze „insectenziekten”
niet verder uitweiden, hoe belangrijk deze zaak ook is. Maar dit willen
wij nog wel even vastleggen, dat ook hieruit weer blijkt, over hoevele
middelen de natuur beschikt om te groote toename van de dierengroepen
te voorkomen. Al die ziekten toch zijn middelen om de getalverhouding
tusschen de dieren onderling binnen de gewenschte grenzen te houden.
Zoodra een dierengroep zich al te sterk heeft uitgebreid, vinden de
ziektekiemen, die er toch altijd zijn, een prachtige gelegenheid voor
haar ontwikkeling, en dan vallen de dieren als sneeuw voor de zon. Zoo
zorgt de natuur voor haar eigen behoud . . . . . . door vernietiging.
Uit het medegedeelde blijkt ten duidelijkste, dat de insecten door een
leger van vijanden worden aangevallen.