Dat het weer invloed op de insecten heeft, ligt voor de hand. Toch
hebben velen hiervan een verkeerde voorstelling. Dat rupseneieren wel
een koude van -30° C. kunnen verdragen, zal men niet gauw gelooven;
toch is dit juist. Koude schaadt niet—ten spijt van de algemeene
opinie—als ze maar komt in het overwinteringsstadium der insecten en
als de temperatuur voor de betreffende landstreek niet al te abnormaal
is, en als de koude geleidelijk intreedt.
Insecten kunnen goed tegen de kou.
Ja, zij hebben die zelfs noodig voor een normale ontwikkeling, omdat de
hoeveelheid reservevoedsel, waarmede zij den winter moeten doorkomen,
maar beperkt is. Bij stijging van temperatuur in de wintermaanden,
stijgt de ademhaling ten koste van het reservevoedsel; ook is de
uitdroging dan sterker. Zoodoende is het dier spoedig aan het einde van
zijn menu, terwijl aanvoer van nieuwen voorraad nog niet mogelijk is.
Wel is schadelijk de ontijdige kou in ’t late voorjaar of het vroege
najaar. En nu mogen de voorjaarsvorsten onzen planten een gevoeligen
tik geven, de land- en tuinbouwers weten niet hoeveel gevaarlijk
gedierte dan om zeep gaat.
Plotselinge koude in den zomer werkt storend op de voortplanting van de
koudbloedige insecten en dat scheelt soms wel eens één generatie of
meerdere in één jaar.
Zeer erg is natte koude.
Zoo zal een sterke dooi, die des nachts onderbroken wordt door daling
van de temperatuur, heel wat verwoesting onder de insecten aanrichten.
Zijn de bodem en de boomstammen eerst klets nat en zet de vorst het
water daarna in ijs om, dan hebben de insecten het hard te
verantwoorden.
Warmte daarentegen bevordert den groei en de ontwikkeling der
koudbloedige dieren; daarentegen is droge warmte doodend vooral voor
die insecten, die veel behoefte hebben aan lichaamsvocht, b.v.
bladluizen. Het is waargenomen, dat sterk met bladluizen bezette boomen
als bij tooverslag werden „ontluisd” toen de temperatuur steeg tot
38½°C.
Is het voorjaar reeds vergevorderd, dan kan in de maanden Mei, Juni en
Juli groote vochtigheid sterk vernietigend op het insectenleger
inwerken. In die maanden toch verkeeren veel insecten in den ei- of
larvetoestand, twee stadiën, waarin de dieren zeer gevoelig voor vocht
zijn. Dit weten vooral keververzamelaars zeer goed; een vochtige tijd
van Mei tot Juli geeft daarna een slecht keverjaar.
Ook een nat najaar verzuurt het insectenleven en dat aanhoudende zware
regens en sterke wind veel slachtoffers eischen ligt voor de hand.
„Slechte bijenjaren” b.v. ontstaan door deze klimatologische invloeden.
Het insectenleven gaat dus op en neer met het weer, en zoo is het niet
te verwonderen, dat het in groote massa optreden van bepaalde
insectengroepen in verschillende jaren zoozeer uiteen kan loopen.