IX. Het WEER en de INSECTEN.

Dat het weer invloed op de insecten heeft, ligt voor de hand. Toch

hebben velen hiervan een verkeerde voorstelling. Dat rupseneieren wel

een koude van -30° C. kunnen verdragen, zal men niet gauw gelooven;

toch is dit juist. Koude schaadt niet—ten spijt van de algemeene

opinie—als ze maar komt in het overwinteringsstadium der insecten en

als de temperatuur voor de betreffende landstreek niet al te abnormaal

is, en als de koude geleidelijk intreedt.

Insecten kunnen goed tegen de kou.

Ja, zij hebben die zelfs noodig voor een normale ontwikkeling, omdat de

hoeveelheid reservevoedsel, waarmede zij den winter moeten doorkomen,

maar beperkt is. Bij stijging van temperatuur in de wintermaanden,

stijgt de ademhaling ten koste van het reservevoedsel; ook is de

uitdroging dan sterker. Zoodoende is het dier spoedig aan het einde van

zijn menu, terwijl aanvoer van nieuwen voorraad nog niet mogelijk is.

Wel is schadelijk de ontijdige kou in ’t late voorjaar of het vroege

najaar. En nu mogen de voorjaarsvorsten onzen planten een gevoeligen

tik geven, de land- en tuinbouwers weten niet hoeveel gevaarlijk

gedierte dan om zeep gaat.

Plotselinge koude in den zomer werkt storend op de voortplanting van de

koudbloedige insecten en dat scheelt soms wel eens één generatie of

meerdere in één jaar.

Zeer erg is natte koude.

Zoo zal een sterke dooi, die des nachts onderbroken wordt door daling

van de temperatuur, heel wat verwoesting onder de insecten aanrichten.

Zijn de bodem en de boomstammen eerst klets nat en zet de vorst het

water daarna in ijs om, dan hebben de insecten het hard te

verantwoorden.

Warmte daarentegen bevordert den groei en de ontwikkeling der

koudbloedige dieren; daarentegen is droge warmte doodend vooral voor

die insecten, die veel behoefte hebben aan lichaamsvocht, b.v.

bladluizen. Het is waargenomen, dat sterk met bladluizen bezette boomen

als bij tooverslag werden „ontluisd” toen de temperatuur steeg tot

38½°C.

Is het voorjaar reeds vergevorderd, dan kan in de maanden Mei, Juni en

Juli groote vochtigheid sterk vernietigend op het insectenleger

inwerken. In die maanden toch verkeeren veel insecten in den ei- of

larvetoestand, twee stadiën, waarin de dieren zeer gevoelig voor vocht

zijn. Dit weten vooral keververzamelaars zeer goed; een vochtige tijd

van Mei tot Juli geeft daarna een slecht keverjaar.

Ook een nat najaar verzuurt het insectenleven en dat aanhoudende zware

regens en sterke wind veel slachtoffers eischen ligt voor de hand.

„Slechte bijenjaren” b.v. ontstaan door deze klimatologische invloeden.

Het insectenleven gaat dus op en neer met het weer, en zoo is het niet

te verwonderen, dat het in groote massa optreden van bepaalde

insectengroepen in verschillende jaren zoozeer uiteen kan loopen.

Nederlandsche Insecten · 第 17 / 72 题