Onder parasieten verstaan wij dieren, die geheel ten koste van andere
dieren leven en zich voeden met stoffen, die de gastheer voor zich zelf
had bestemd. Een parasiet verslindt zijn gastheer niet in eens, doch
eet hem van lieverlede toch geheel uit.
De insecten hebben vooral van twee soorten parasieten te lijden, die
zelf ook tot de insecten behooren n.l. de sluipwespen en de
sluipvliegen, die ook wel rupsvliegen worden genoemd. Tot de insecten,
die in of op warmbloedige dieren parasiteeren, behooren de horzels, de
luisvliegen en de luizen.
Uit een entomologisch oogpunt zijn vooral de sluipwespen en
sluipvliegen van belang. Met een sluipwesp hebben wij reeds bij de
koolrups kennis gemaakt. Dat was een kleine soort; we zullen nog
grootere leeren kennen.
De sluipwespen hebben allen een lange legboor en een lang gerekt
lichaam. Zij moeten goed snuffelen om een gastheer te vinden, waarin
zij haar eieren kunnen afzetten. Daarom hebben zij goede oogen en
vooral is haar reuk uitstekend; haar sprieten zijn dan ook lang en
altijd in beweging. Het ei wordt ook wel eens op den gastheer gelegd en
dan kruipt de larve, die hieruit komt, of den gastheer in, of zij
blijft op het dier. Is de larve volwassen, dan verpopt ze in of buiten
den gastheer.
Het komt ook voor, dat, als een rups in zich herbergt de larven van een
sluipwesp, dat dan weer een andere soort sluipwesp komt en haar eieren
legt in de larven van de eerste. Dan gaan de eerste sluipwespen er aan
en kunnen ze ons geen hulp meer verleenen. Men noemt zulke sluipwespen
parasieten van den tweeden graad. Er zijn zelfs parasieten van den
derden graad bekend. De beteekenis van de parasieten is zeer groot want
zij helpen ons in den strijd tegen verschillende plantenvernielsters.
Zij vermenigvuldigen zich zeer snel en omdat die vermenigvuldiging
gepaard gaat met het dooden van de rupsen, daarom vallen er zóóvele
schadelijke dieren, dat tenslotte de ergste rupsenplaag tot staan komt.
De sluipwespen vallen ook wel nuttige insecten aan, b.v. Onze
Lieve-Heersbeestjes, maar dit daargelaten, moeten de sluipwespen tot de
nuttigste dieren worden gerekend.
Behalve larven (rupsen), worden ook wel eieren, poppen en imago’s
geïnfecteerd.
Bij het opkweeken van insecten in huis kunnen wij herhaaldelijk kennis
maken met sluipwespen.
Eenzelfde rol als de sluipwespen spelen de sluipvliegen. Zij vertoonen
het echt vliegen-type en zijn in het bezit van groote stekelharen op de
segmenten van ’t achterlijf. Er zijn al meer dan 400 soorten bekend,
die in rupsen leven.
De sluipvliegen leggen haar eieren op de rupsen; de larven, die hieruit
komen, kruipen naar binnen. Soms worden de eieren in de stigma’s, de
ademhalingsopeningen, gelegd; er wordt ook wel eens gebruik gemaakt van
een legstekel.
De eigenaardigste manier van infecteeren is de volgende. De sluipvlieg
legt haar eieren op een plant; terwijl de rupsen nu deze bezette
bladeren eten, peuzelen zij tegelijk de eieren naar binnen, waaruit
zich dan in het lichaam van de rups de larven ontwikkelen. Deze
bijzondere infectie-methode is het eerst waargenomen door een Japanner
bij de Japansche zijderups. Later is dit ook in Europa waargenomen.
Bij het bestrijden van rupsenplagen bewijzen de sluip- of rupsenvliegen
ons groote diensten.