Insecten, die in kolonies of staten leven, zooals wespen, bijen,
hommels, mieren, noemt men sociale insecten, omdat zij als het ware een
maatschappij vormen. De dieren zijn dan gezellen onder elkaar;
socius-gezel. Insecten, die alleen of eenzaam leven, noemt men
solitaire insecten.
Onder polymorphisme verstaan wij het verschijnsel, dat van één
diersoort drie of meer vormen optreden; polymorphisme beteekent
veelvormigheid. Deze veelvormigheid komt nu voor zoowel bij de
solitaire als bij de sociale insecten.
POLYMORPHISME BIJ SOLITAIRE INSECTEN. Hiervan geven wij de volgende
voorbeelden.
1. Bij den oranje-lucernvlinder, Colias edusa, komen 2 soorten
mannetjes voor en maar 1 wijfjessoort.
2. Van den geelgeranden waterroofkever kennen wij 2 wijfjesvormen;
de eene met geribde, de andere met gladde dekschilden.
3. Bij wantsen komen kort- en langvleugelige wijfjes voor.
4. Bij de kleine waterjuffers treden kleurverschillen bij de
wijfjes op; ’t achterlijf is daardoor niet constant van kleur.
5. Van het mannelijk vliegend hert kent men 4 verschillende vormen;
de verschillen zitten in de bovenkaken.
6. Acentropus niveus is een vlinder, die als rups in het water leeft.
Het mannetje is normaal; een deel der wijfjes is gevleugeld, een
ander deel heeft alleen stompjes van vleugels en verlaten het
water niet. Beide vormen komen bij ons voor. Merkwaardig dat in
Duitschland alleen kortvleugelige en in Zweden slechts
langvleugelige wijfjes voorkomen.
7. Van de oorwormen kennen we 2 mannelijke vormen; het verschil zit
in de tangen aan ’t achterlijf.
POLYMORPHISME BIJ DE SOCIALE INSECTEN. Deze veelvormigheid is het
langst bekend en wel bij de statenvormende bijen, hommels, mieren en
wespen.
HOMMELS. In ’t najaar sterft de heele hommelkolonie uit; alleen de
nieuwe, in den zomer geboren koninginnen overwinteren. Die kruipen hier
of daar weg en komen in het voorjaar te voorschijn. Op een klompje
stuifmeel met wat honing worden de eieren gelegd en daaruit komen
kleine werksters. Later worden wat grootere werksters geboren en
vervolgens ook mannetjes en wijfjes of koninginnen. Als een
hommelkolonie dus op volle kracht is treffen wij daarin aan: de oude
koningin, verschillende soorten werksters, mannetjes en nieuwe
koninginnen. De werksters zijn gewijzigde wijfjes.
HONINGBIJEN. In een bijenkorf treffen we drie soorten individuen aan:
een koningin, mannetjes of darren en werksters of gewijzigde wijfjes.
De werksters zorgen voor het halen van stuifmeel en honing, zij houden
den korf schoon en wat vooral van belang is, zij voeden de jongen.
Precies als bij de hommels; daar verzorgen de werksters ook de jongen.
De koningin legt eieren. Midden in den zomer worden alle mannetjes den
korf uit gejaagd, zoodat er in den winter alleen een koningin met
werksters over blijft.
WESPEN. Deze beginnen ook in het voorjaar met een overwinterde
koningin. Die vangt aan zelf een nest te bouwen en uit de eerste
eieren, die zij legt, komen werksters. Later komen er weer nieuwe
koninginnen en mannetjes. We hebben dus ook hier weer drie vormen.
MIEREN. Hier hebben wij ook drie kasten: mannetjes, wijfjes, en
werksters. Deze werksters worden gewoonlijk soldaten genoemd en kunnen
weer in groepen worden ingedeeld. De soldaten zijn ook hier gewijzigde
wijfjes.
Uit hetgeen wij nu vertelden over de hommels, de bijen, de wespen en de
mieren, is gebleken, dat er een groote groep van dieren in elk dier
kolonies leeft, die zich uitsluitend bezig houden met de verzorging der
jongen; dat zijn de werksters. Als wij deze dieren afzonderlijk
beschrijven komen wij hierop uitvoerig terug, maar dit kunnen wij
alvast opmerken, dat door de veelvormigheid der individuen in de
insectenkolonies de verdeeling van arbeid mogelijk is geworden.