Iedereen weet dadelijk een kip van een haan te onderscheiden: dat zien
we aan de kammen, aan de staarten; we hooren dat de een kraait, de
ander kakelt. Van zeer veel insecten kunnen wij de mannetjes en wijfjes
ook op het eerste gezicht onderscheiden: de verschillen zijn dan zeer
opvallend en men spreekt van dimorphisme of tweevormigheid. Wij zullen
enkele gevallen bespreken.
SPRIETEN. Bij de boktorren hebben de mannetjes soms zulke lange
sprieten, dat de lengte daarvan eenige malen die van het lichaam
bedraagt. Bij het wijfje zijn ze dan soms niet langer dan het lichaam.
De sprieten verschillen ook in vorm; bij den meikever en andere
bladsprietigen heeft het mannetje grootere bladen aan de sprieten dan
het wijfje; ook bestaat er verschil in aantal dezer bladen: 7 voor het
mannetje en 6 voor het wijfje. Bij de vlinders zijn de sprieten der
mannetjes veel grooter en meestal zeer vertakt: de mannetjes hebben dus
goede neuzen. Ook bestaan de sprieten wel uit meer leden bij de
mannetjes: een dar heeft 13 sprietleden, een koningin maar 12. Op
iederen spriet heeft een mannetjes-bij 15000 zintuigorganen en een
werkster maar 4000.
Aan de sprieten kan men gemakkelijk de mannetjes der steekmuggen
herkennen, zoo groot en vertakt zijn die.
OOGEN. Bij de Tweevleugelingen hebben de mannetjes 2 soorten facetten
in de oogen, bij bremsen zeer goed te zien. Dit verschil is van groot
belang bij ’t waarnemen van bewegingen. Op betrekkelijk groote
afstanden nemen de insecten al bewegingen waar; zij vliegen dan op. Men
weet, hoe moeilijk het is, b.v. kamervliegen te vangen.
Bij de Haften is het oog van het mannetje geheel verdeeld, zoodat zij
feitelijk vier oogen hebben.
MONDDEELEN. Sommige mannetjes zijn te herkennen aan de groote
bovenkaken, b.v. het vliegend hert (48); het verschil met het wijfje
(46) valt wel duidelijk op. Bij bloedzuigende insecten (steekmuggen)
missen de mannetjes de bovenkaken; die steken dan ook niet, dat doen
alleen de wijfjes.
POOTEN. Soms hebben de mannetjes aanhangsels aan de pooten; dit is een
soort pootversiering, die o.a. voorkomt bij den geranden waterkever
(28).
VLEUGELS. Deze vertoonen vaak groote verschillen in vorm, aantal en
kleur. Zoo zijn b.v. de vleugels van de mannelijke witjes iets spitser.
Vooral bij vlinders uit de tropen zien wij sterk sprekende verschillen.
Bij de wintervlinders (139) zijn de mannetjes flink gevleugeld, terwijl
de wijfjes slechts stompjes of geen vleugels hebben. Van de
keukenkakkerlak (83) is het mannetje gevleugeld, ’t wijfje
ongevleugeld. Datzelfde zien wij bij den witvlakvlinder (143); wie het
niet weet, ziet het wijfje heelemaal niet voor een vlinder aan.
De kleur en teekening der vleugels loopt nog al vaak uiteen bij de
vlinders en libellen. Van de meerjuffer (80) hebben de mannetjes
donkerblauwe vleugels en de wijfjes bruinachtige.
Het achterlijf vertoont minder verschillen. Toch is b.v. het achterlijf
van de groote glazenmakers meer blauw-zwart bedauwd, terwijl de wijfjes
een meer geel achterlijf hebben.
Het komt ook voor, dat de wijfjes organen bezitten, die de mannetjes
missen. Zoo hebben de koninginnen en werksters bij de hommels
verzamelkorfjes, waarin het stuifmeel mede naar de kolonie wordt
genomen; de mannetjes, de darren, verzamelen geen stuifmeel. De
genoemde wijfjes bezitten ook een angel, dien de mannetjes missen.
Zoo’n angel is een gewijzigde legboor. Zijn de wijfjes in het bezit van
een legboor, dan missen de mannetjes die; sprinkhanen, bladwespen.
Men ziet uit deze voorbeelden, die wij met honderden zouden kunnen
vermeerderen, dat het vaak op het eerste gezicht al te zien is of wij
met een mannetje of een wijfje te doen hebben.