In het algemeen kunnen wij zeggen, dat de meerderheid der insecten voor
hun ontwikkeling van ei tot imago één jaar noodig hebben. Komen er
meerdere geslachten in één jaar voor, dan duurt de ontwikkeling
natuurlijk korter. Meestal duurt de ontwikkeling van de wintergeneratie
dan langer. Van de eieren, die de witvlakvlinder in Augustus legt,
komen eerst in April of Mei vlinders; dat duurt 9 à 10 maanden. De
zomergeneratie daarentegen ontwikkelt zich in 2, 2½ of 3 maanden.
Er zijn evenwel insecten, die langer tijd noodig hebben om zich tot
imago te ontwikkelen; dan hebben vooral de larven langer tijd noodig.
Van vele houtkevers duurt de ontwikkeling 2 jaar, de meikever heeft 3–4
jaar noodig, en een Amerikaansche cicade zelfs 17 jaar. Invloed op den
duur der ontwikkeling hebben de warmte en de vochtigheid van de lucht.
Er schijnen nog andere invloeden werkzaam te zijn, die men nog niet
kent. Het komt voor, dat b.v. vlinders, die in ’t begin van den zomer
uit de pop moesten komen, daarmede nog 1 of meer jaren wachten, zelfs
5, 6, ja 8 jaren.
Of deze poppen, die dan toch leven en daardoor voedsel verbruiken, ten
slotte niet uitgeput raken? Het schijnt van niet. Volgens een bekende
insectenkundige, gravin von Linden, zouden de poppen net als de planten
koolzuur uit de lucht opnemen en hiervan de koolstof vasthouden; ook
zouden zij stikstof uit de lucht kunnen opnemen, zooals de bacteriën
aan de wortels van de vlinderbloemigen doen. Intusschen wordt deze
opvatting door anderen weer bestreden. Maar het feit van de „verjaring”
der poppen staat vast. Wie vlinders opkweekt en soms tevergeefs wacht
op het uitkomen der poppen, moet zijn poppen dus nog niet wegdoen.
Sommige imago’s leven maar enkele uren, b.v. het oeveraas (75);
verschillende vlinders verscheidene maanden, vooral die, welke als
imago overwinteren, ’t citroentje (109). Sommige kevers leven meerdere
jaren, o.a. schorskevers, de poppenroover (33) en andere
schallebijters. De langste levensduur hebben de wijfjes of koninginnen
van de sociale insecten. Een bijenkoningin wordt 5 jaar, die uit een
mierenkolonie tot 12 en een termietenkoningin zelfs tot 15 jaar. In al
dien tijd behouden zij de geschiktheid eieren te leggen.