Alle insecten ontstaan uit eieren. Vroeger meende men, dat de insecten
uit vuil konden ontstaan; dat is onjuist. Wel is het waar, dat vele
insecten in vuil hun eieren leggen en dat daaruit dan nieuwe insecten
ontstaan, maar als er geen eieren worden gelegd komen er ook geen
insecten. Sommige huismoeders denken dat de hoofdparasieten bij de
kinderen vanzelf ontstaan; ook dat is niet waar. Als de oude parasieten
geregeld door wasschen en kammen worden verwijderd, houdt men de
hoofden rein. Wel loopen de ongedierten van het eene kind naar het
andere.
Er zijn timmerlieden, die meenen, dat in den zaagselhoop van zelf
vlooien ontstaan. De waarheid is, dat de vlooien in die hoopen gaarne
haar eieren leggen en dat uit die eieren dan weer nieuwe vlooien komen.
Van tuinlieden hoort men wel, dat door tocht bladluizen ontstaan. Ook
dat kan niet. Wel worden door den wind, door tocht, gevleugelde
bladluizen medegevoerd van de eene plant naar de andere. Insecten
ontstaan dus alleen uit eieren, die door de oude insecten worden
gelegd.
HOE DIKWIJLS LEGGEN DE INSECTEN EIEREN? De meeste insecten leggen maar
eenmaal eieren en sterven dan. Loopkevers en ook wel snuittorren en
schorskevers leggen de eieren met groote tusschenpoozen. Die dieren
leven als imago dan ook 2 tot 3 jaar. Een bijenkoningin legt gedurende
4 à 5 jaar eieren en de wijfjes der mieren en termieten doen dat wel
tot 15 jaar; dat worden dus heel oude dieren.
HET AANTAL EIEREN. Een vloo legt maar een dozijn eieren; een doodgraver
een 30, een zijdevlinder 500, de groote beervlinder een 1600. De
sociale wespen, dat zijn die, welke in kolonies leven, kunnen wel van
20 tot 30000 eieren leggen, en een bijenkoningin kan het gedurende haar
leven wel brengen tot 60000. Termieten leggen eenige millioenen eieren.
WAAR WORDEN DE EIEREN GELEGD? De meeste eieren worden op of in het
voedsel gelegd, dat de larve zal eten. Vlinders leggen hun eieren op
planten, vleeschvliegen op vleesch en lijken; eten de larven wortels
van planten, dan worden de eieren in den grond gelegd, zooals de
meikever dat doet.
Soms wordt bij het ei voedsel gelegd; dat doen graafwespen. En bij
sociale wespen worden de larven geregeld gevoederd.
HOE WORDEN DE EIEREN AFGEZET? 1º Sommige insecten, zooals de wandelende
takken, die wij wel in Artis kunnen zien, laten hun eieren maar gewoon
vallen; deze eieren gelijken veel op zaden. De eieren van de wandelende
bladen lijken nog meer op zaden en wel op die van de schermbloemigen.
Zou dit een soort bescherming, mimicry, zijn? 2º Ook worden de eieren
wel in groepen of schooltjes gelegd; ze worden dan aan een onderlaag
vastgekleefd: de ringelrupsvlinder legt ze in een ringetje om een
takje, de plakker bedekt de eieren, de witvlakvlinder legt ze op zijn
cocon en het koolwitje aan de onderzijde der koolbladeren. 3º De
gaasvliegen (106) leggen gesteelde eieren. Dat gaat zoo. Eerst wordt
kleefstof op een blad aangebracht en daarmede het ei in aanraking
gebracht, dat nu opgetrokken wordt; de steel ontstaat uit de kleefstof.
4º Eieren worden ook in kapsels gelegd; die kapsels ontstaan uit
klierstoffen; wij zien dit bij sprinkhanen, die er ook nog zand bij
mengen en bij kakkerlakken. 5º Kokerjuffers leggen haar eieren in
structuurlooze kapsels; de eieren zijn dan omgeven door gelei.
BESCHERMING DER EIEREN. Hoe beter de eieren beschermd zijn, des te meer
kans bestaat, dat de insecten niet zullen uitsterven. Daarom worden de
vijanden zooveel mogelijk van de eieren afgehouden. Het wijfje legt
daartoe de eieren in reten en scheuren van boomstammen, aan de
onderzijde der bladeren. De zwarte, spinnende watertor (25) spint voor
de eieren een groot kapsel, het bekende bootje. Vaak worden de eieren
met haren bedekt. Bij de schildluizen zit de moeder op de eieren. De
keukenkakkerlak draagt de eieren bij zich. De oorwormen houden onder
steenen de wacht bij de eieren, en verdedigen ze tegen andere insecten.
De veenmol legt ze in een nest en bewaakt dat. Bij de sociale insecten,
(mieren, wespen,) worden de eieren beschermd door de strijdlustige
arbeidsters en soldaten, en zoo noodig verplaatst. Als een bijzondere
bescherming van de eieren en jongen is het te beschouwen, als de eieren
en larven in het lichaam van het oude insect worden bewaard. Dat
verschijnsel heet vivipari.
VIVIPARI. Hieronder verstaat men het verschijnsel, dat de eieren niet
worden gelegd, doch in het lichaam worden uitgebroed. Deze insecten
brengen dus larven voort, meer of minder ontwikkeld. Er is maar één
geval bekend, dat zoo’n larve het zelfs tot imago brengt, voor zij ter
wereld komt. Bij hoogere dieren komt vivipari ook wel voor. Haaien
broeden de eieren in de lichaamsholte uit; ook bij ringslangen komt dit
wel voor.
Vivipari treedt in alle orden der insecten op. Bekend zijn vooral de
bladluizen en schildluizen, bij wie het veel voorkomt. Bij de
tweevleugeligen (vliegen) komt het in verschillende trappen voor. Van
parasietvliegen is het bekend, dat uit de eieren, die op de rupsen
worden gelegd, direct de larven voor den dag komen.
GERMINOGONIE. Dit is een heel bijzondere manier van voortplanting; uit
één ei komen dan honderden insecten. Dit is omstreeks 1900 ontdekt. Zoo
heeft men in één rups 1000 en meer sluipwespen gevonden, die uit zulke
uiteengevallen eieren waren ontstaan. Bij hoogere dieren komt dit ook
wel voor; bij de aardwormen komen uit één ei twee jongen en bij de
gordeldieren komen uit één ei 4 jongen.
PARTHENOGENESE. Het verschijnsel, dat er veel meer wijfjes optreden dan
mannetjes, zelfs, dat er in het geheel geen mannetjes ontstaan of
bekend zijn, noemt men parthenogenese.
In het algemeen komen er in de dierenwereld meer mannetjes dan wijfjes
voor. Bij de hoenders worden er meer hennen dan haantjes geboren.
Daarentegen zijn er bij de spinnen 8 maal zooveel mannetjes als
wijfjes.
Parthenogenese komt in alle insectenorden voor. In mierennesten leeft
o.a. een soort krekel, Myrmecophila acervorum, waarvan onlangs voor het
eerst een mannetje is waargenomen. Ook van sommige soorten wandelende
takken zijn nooit mannetjes gezien. Onder de heel groote soorten, die
wij wel in Artis in Amsterdam zien, komen maar zelden mannetjes voor.
Bij de kommaschildluis vinden wij ook geen mannetjes. Van vele
vachtluizen zijn de mannetjes onbekend of komen zelden voor. Bij de
bladwespen komt parthenogenese veel voor. Als men deze dieren in huis
kweekt, krijgt men daarentegen vaak alleen mannetjes. Ook bij
sluipwespen neemt men dit waar.
Bekend is het, dat uit de eieren van de werksters van de bijen alleen
mannetjes komen. Ook bij vlinders is parthenogenese waargenomen,
evenals bij enkele keversoorten.
HETEROGONIE. Men spreekt van heterogonie of cyclische voortplanting,
als een generatie van mannetjes en wijfjes afwisselt met een of meer
geslachten van uitsluitend wijfjes. Tusschen deze beide generaties
bestaan dan niet zelden zeer groote verschillen in vorm, waardoor deze
dieren vroeger verschillende namen hebben gekregen. Heterogonie komt
voor bij galwespen (166) en bij bladluizen. Van de bladluizen is het
bekend, dat op één geslacht van mannetjes en wijfjes vele geslachten
van uitsluitend wijfjes volgen; in één zomer soms wel 10 tot 16.
Wanneer in den zomer onze planten vol luis zitten, zijn dit uitsluitend
wijfjes.
GEDAANTEVERWISSELING. Alle insecten ontwikkelen zich uit eieren; de
jonge insecten, die uit de eieren komen, noemt men larven. Lijken de
jonge insecten, de larven, nu ook al op de ouden, zooals b.v. een jong
kuikentje al op een kip of haan gelijkt? Soms wel, soms niet. Zoo lijkt
de larve, die uit een sprinkhanenei is gekropen, al aardig op een
grooten sprinkhaan; ze is wel veel kleiner, ook de organen zijn niet
geheel uitgegroeid en de vleugels ontbreken nog geheel, maar men kan
toch wel zien, dat het een sprinkhaan zal worden. De larve, die uit een
vlinderei komt—een rups—lijkt in ’t geheel niet op een vlinder; toch
wordt de rups eenmaal een vlinder. Zoo lijkt de larve van een
meikever—een engerling (5)—ook niet op een meikever.
Uit de eieren van suikergasten (73), van ongevleugelde dierluizen en
vachtluizen komen jongen, die geheel op de ouden gelijken, doch alleen
veel kleiner zijn. Er is dus nog al eenig onderscheid in de
verschillende groepen.
We kunnen dus 3 gevallen onderscheiden:
1º de jongen zijn geheel gelijk aan de ouden, doch veel kleiner; ze
gebruiken hetzelfde voedsel als de ouden;
2º de jongen gelijken wel op de ouden, doch hebben geen vleugels en
ook andere organen zijn nog niet geheel uitgegroeid; ook deze
larven leven meestal op dezelfde wijze als de ouden;
3º de jongen gelijken heelemaal niet op de ouden; ze gebruiken
meestal geheel ander voedsel dan de ouden en leven ook op een
andere manier; een rups leeft van bladeren en een vlinder van
honing.
Maar hoe wordt een rups nu een vlinder? Al groeit zij nog zoo hard en
al eet zij nog zooveel, een rups blijft een rups, en toch moet er een
vlinder van worden.
Er moet dus een heele verandering in de rups plaatsgrijpen, een
verandering, die zoo groot is, dat wij ons daarvan haast geen
voorstelling kunnen maken. Om die verandering tot stand te brengen,
gaat de rups over in een toestand van uitwendige rust, om alle krachten
te kunnen wijden aan haar vormverandering. De rups gaat, voor zij
vlinder wordt, in den poptoestand over.
Zoo’n poptoestand komt ook voor bij de kevers, bij de vliegen, bij de
bijen, hommels en bij meer andere insecten.
Na verloop van langer of korter tijd scheurt de pophuid open en komt de
volwassen vlinder, kever, vlieg, wesp of bij er uit. Van deze insecten,
die in hun ontwikkeling een poptoestand doormaken, zegt men, dat zij
hebben een volkomen gedaanteverwisseling, dus eerst ei, dan larve,
daarna pop en ten slotte imago.
Bij andere insecten nemen wij geen poptoestand waar, die is daar ook
niet noodig, want al groeiende en vervellende begint de larve op de
ouden te gelijken en bij de laatste vervelling is zij een imago
geworden. Wij kennen hier dus maar 3 sterk van elkaar verschillende
toestanden: ei, larve en imago. In tegenstelling met de vorige groep
insecten, zegt men van deze, dat zij hebben een onvolkomen
gedaanteverwisseling. Dat woord „onvolkomen” zou ons doen denken, dat
er iets aan de gedaanteverwisseling hapert. Dit is niet het geval. Men
gebruikt nu eenmaal dit woord en daarom zullen wij het ook maar doen,
doch mooi en correct is het niet.
Als wij nu nog eens samenvatten, wat wij hierboven vertelden, dan
kunnen wij omtrent de gedaanteverwisseling het volgende zeggen:
1º er zijn insecten zonder gedaanteverwisseling: suikergasten,
luizen;
2º een onvolkomen gedaanteverwisseling nemen wij waar bij de
rechtvleugeligen (krekels, kakkerlakken, sprinkhanen, veenmol,
wandelende takken en bladen), bij de oorwormen en bij libellen of
waterjuffers; bij deze laatste heeft nog iets bijzonders plaats,
waarop wij nog terugkomen;
3º een volkomen gedaanteverwisseling treffen we aan bij de
vlinders, de kevers, de bijen, de mieren en andere.
Al deze gevallen hebben betrekking op de verandering van de dieren, als
zij eenmaal uit het ei zijn gekropen. In het ei zelve heeft evenwel de
grootste vormverandering plaats gehad; daar is uit één cel een heel
dier gegroeid. Men noemt dit wel de embryonale gedaanteverwisseling.
Over de larven spreken wij nog nader bij Plaat I en over de poppen bij
Plaat II.