III. VAN EI TOT IMAGO.

Alle insecten ontstaan uit eieren. Vroeger meende men, dat de insecten

uit vuil konden ontstaan; dat is onjuist. Wel is het waar, dat vele

insecten in vuil hun eieren leggen en dat daaruit dan nieuwe insecten

ontstaan, maar als er geen eieren worden gelegd komen er ook geen

insecten. Sommige huismoeders denken dat de hoofdparasieten bij de

kinderen vanzelf ontstaan; ook dat is niet waar. Als de oude parasieten

geregeld door wasschen en kammen worden verwijderd, houdt men de

hoofden rein. Wel loopen de ongedierten van het eene kind naar het

andere.

Er zijn timmerlieden, die meenen, dat in den zaagselhoop van zelf

vlooien ontstaan. De waarheid is, dat de vlooien in die hoopen gaarne

haar eieren leggen en dat uit die eieren dan weer nieuwe vlooien komen.

Van tuinlieden hoort men wel, dat door tocht bladluizen ontstaan. Ook

dat kan niet. Wel worden door den wind, door tocht, gevleugelde

bladluizen medegevoerd van de eene plant naar de andere. Insecten

ontstaan dus alleen uit eieren, die door de oude insecten worden

gelegd.

HOE DIKWIJLS LEGGEN DE INSECTEN EIEREN? De meeste insecten leggen maar

eenmaal eieren en sterven dan. Loopkevers en ook wel snuittorren en

schorskevers leggen de eieren met groote tusschenpoozen. Die dieren

leven als imago dan ook 2 tot 3 jaar. Een bijenkoningin legt gedurende

4 à 5 jaar eieren en de wijfjes der mieren en termieten doen dat wel

tot 15 jaar; dat worden dus heel oude dieren.

HET AANTAL EIEREN. Een vloo legt maar een dozijn eieren; een doodgraver

een 30, een zijdevlinder 500, de groote beervlinder een 1600. De

sociale wespen, dat zijn die, welke in kolonies leven, kunnen wel van

20 tot 30000 eieren leggen, en een bijenkoningin kan het gedurende haar

leven wel brengen tot 60000. Termieten leggen eenige millioenen eieren.

WAAR WORDEN DE EIEREN GELEGD? De meeste eieren worden op of in het

voedsel gelegd, dat de larve zal eten. Vlinders leggen hun eieren op

planten, vleeschvliegen op vleesch en lijken; eten de larven wortels

van planten, dan worden de eieren in den grond gelegd, zooals de

meikever dat doet.

Soms wordt bij het ei voedsel gelegd; dat doen graafwespen. En bij

sociale wespen worden de larven geregeld gevoederd.

HOE WORDEN DE EIEREN AFGEZET? 1º Sommige insecten, zooals de wandelende

takken, die wij wel in Artis kunnen zien, laten hun eieren maar gewoon

vallen; deze eieren gelijken veel op zaden. De eieren van de wandelende

bladen lijken nog meer op zaden en wel op die van de schermbloemigen.

Zou dit een soort bescherming, mimicry, zijn? 2º Ook worden de eieren

wel in groepen of schooltjes gelegd; ze worden dan aan een onderlaag

vastgekleefd: de ringelrupsvlinder legt ze in een ringetje om een

takje, de plakker bedekt de eieren, de witvlakvlinder legt ze op zijn

cocon en het koolwitje aan de onderzijde der koolbladeren. 3º De

gaasvliegen (106) leggen gesteelde eieren. Dat gaat zoo. Eerst wordt

kleefstof op een blad aangebracht en daarmede het ei in aanraking

gebracht, dat nu opgetrokken wordt; de steel ontstaat uit de kleefstof.

4º Eieren worden ook in kapsels gelegd; die kapsels ontstaan uit

klierstoffen; wij zien dit bij sprinkhanen, die er ook nog zand bij

mengen en bij kakkerlakken. 5º Kokerjuffers leggen haar eieren in

structuurlooze kapsels; de eieren zijn dan omgeven door gelei.

BESCHERMING DER EIEREN. Hoe beter de eieren beschermd zijn, des te meer

kans bestaat, dat de insecten niet zullen uitsterven. Daarom worden de

vijanden zooveel mogelijk van de eieren afgehouden. Het wijfje legt

daartoe de eieren in reten en scheuren van boomstammen, aan de

onderzijde der bladeren. De zwarte, spinnende watertor (25) spint voor

de eieren een groot kapsel, het bekende bootje. Vaak worden de eieren

met haren bedekt. Bij de schildluizen zit de moeder op de eieren. De

keukenkakkerlak draagt de eieren bij zich. De oorwormen houden onder

steenen de wacht bij de eieren, en verdedigen ze tegen andere insecten.

De veenmol legt ze in een nest en bewaakt dat. Bij de sociale insecten,

(mieren, wespen,) worden de eieren beschermd door de strijdlustige

arbeidsters en soldaten, en zoo noodig verplaatst. Als een bijzondere

bescherming van de eieren en jongen is het te beschouwen, als de eieren

en larven in het lichaam van het oude insect worden bewaard. Dat

verschijnsel heet vivipari.

VIVIPARI. Hieronder verstaat men het verschijnsel, dat de eieren niet

worden gelegd, doch in het lichaam worden uitgebroed. Deze insecten

brengen dus larven voort, meer of minder ontwikkeld. Er is maar één

geval bekend, dat zoo’n larve het zelfs tot imago brengt, voor zij ter

wereld komt. Bij hoogere dieren komt vivipari ook wel voor. Haaien

broeden de eieren in de lichaamsholte uit; ook bij ringslangen komt dit

wel voor.

Vivipari treedt in alle orden der insecten op. Bekend zijn vooral de

bladluizen en schildluizen, bij wie het veel voorkomt. Bij de

tweevleugeligen (vliegen) komt het in verschillende trappen voor. Van

parasietvliegen is het bekend, dat uit de eieren, die op de rupsen

worden gelegd, direct de larven voor den dag komen.

GERMINOGONIE. Dit is een heel bijzondere manier van voortplanting; uit

één ei komen dan honderden insecten. Dit is omstreeks 1900 ontdekt. Zoo

heeft men in één rups 1000 en meer sluipwespen gevonden, die uit zulke

uiteengevallen eieren waren ontstaan. Bij hoogere dieren komt dit ook

wel voor; bij de aardwormen komen uit één ei twee jongen en bij de

gordeldieren komen uit één ei 4 jongen.

PARTHENOGENESE. Het verschijnsel, dat er veel meer wijfjes optreden dan

mannetjes, zelfs, dat er in het geheel geen mannetjes ontstaan of

bekend zijn, noemt men parthenogenese.

In het algemeen komen er in de dierenwereld meer mannetjes dan wijfjes

voor. Bij de hoenders worden er meer hennen dan haantjes geboren.

Daarentegen zijn er bij de spinnen 8 maal zooveel mannetjes als

wijfjes.

Parthenogenese komt in alle insectenorden voor. In mierennesten leeft

o.a. een soort krekel, Myrmecophila acervorum, waarvan onlangs voor het

eerst een mannetje is waargenomen. Ook van sommige soorten wandelende

takken zijn nooit mannetjes gezien. Onder de heel groote soorten, die

wij wel in Artis in Amsterdam zien, komen maar zelden mannetjes voor.

Bij de kommaschildluis vinden wij ook geen mannetjes. Van vele

vachtluizen zijn de mannetjes onbekend of komen zelden voor. Bij de

bladwespen komt parthenogenese veel voor. Als men deze dieren in huis

kweekt, krijgt men daarentegen vaak alleen mannetjes. Ook bij

sluipwespen neemt men dit waar.

Bekend is het, dat uit de eieren van de werksters van de bijen alleen

mannetjes komen. Ook bij vlinders is parthenogenese waargenomen,

evenals bij enkele keversoorten.

HETEROGONIE. Men spreekt van heterogonie of cyclische voortplanting,

als een generatie van mannetjes en wijfjes afwisselt met een of meer

geslachten van uitsluitend wijfjes. Tusschen deze beide generaties

bestaan dan niet zelden zeer groote verschillen in vorm, waardoor deze

dieren vroeger verschillende namen hebben gekregen. Heterogonie komt

voor bij galwespen (166) en bij bladluizen. Van de bladluizen is het

bekend, dat op één geslacht van mannetjes en wijfjes vele geslachten

van uitsluitend wijfjes volgen; in één zomer soms wel 10 tot 16.

Wanneer in den zomer onze planten vol luis zitten, zijn dit uitsluitend

wijfjes.

GEDAANTEVERWISSELING. Alle insecten ontwikkelen zich uit eieren; de

jonge insecten, die uit de eieren komen, noemt men larven. Lijken de

jonge insecten, de larven, nu ook al op de ouden, zooals b.v. een jong

kuikentje al op een kip of haan gelijkt? Soms wel, soms niet. Zoo lijkt

de larve, die uit een sprinkhanenei is gekropen, al aardig op een

grooten sprinkhaan; ze is wel veel kleiner, ook de organen zijn niet

geheel uitgegroeid en de vleugels ontbreken nog geheel, maar men kan

toch wel zien, dat het een sprinkhaan zal worden. De larve, die uit een

vlinderei komt—een rups—lijkt in ’t geheel niet op een vlinder; toch

wordt de rups eenmaal een vlinder. Zoo lijkt de larve van een

meikever—een engerling (5)—ook niet op een meikever.

Uit de eieren van suikergasten (73), van ongevleugelde dierluizen en

vachtluizen komen jongen, die geheel op de ouden gelijken, doch alleen

veel kleiner zijn. Er is dus nog al eenig onderscheid in de

verschillende groepen.

We kunnen dus 3 gevallen onderscheiden:

1º de jongen zijn geheel gelijk aan de ouden, doch veel kleiner; ze

gebruiken hetzelfde voedsel als de ouden;

2º de jongen gelijken wel op de ouden, doch hebben geen vleugels en

ook andere organen zijn nog niet geheel uitgegroeid; ook deze

larven leven meestal op dezelfde wijze als de ouden;

3º de jongen gelijken heelemaal niet op de ouden; ze gebruiken

meestal geheel ander voedsel dan de ouden en leven ook op een

andere manier; een rups leeft van bladeren en een vlinder van

honing.

Maar hoe wordt een rups nu een vlinder? Al groeit zij nog zoo hard en

al eet zij nog zooveel, een rups blijft een rups, en toch moet er een

vlinder van worden.

Er moet dus een heele verandering in de rups plaatsgrijpen, een

verandering, die zoo groot is, dat wij ons daarvan haast geen

voorstelling kunnen maken. Om die verandering tot stand te brengen,

gaat de rups over in een toestand van uitwendige rust, om alle krachten

te kunnen wijden aan haar vormverandering. De rups gaat, voor zij

vlinder wordt, in den poptoestand over.

Zoo’n poptoestand komt ook voor bij de kevers, bij de vliegen, bij de

bijen, hommels en bij meer andere insecten.

Na verloop van langer of korter tijd scheurt de pophuid open en komt de

volwassen vlinder, kever, vlieg, wesp of bij er uit. Van deze insecten,

die in hun ontwikkeling een poptoestand doormaken, zegt men, dat zij

hebben een volkomen gedaanteverwisseling, dus eerst ei, dan larve,

daarna pop en ten slotte imago.

Bij andere insecten nemen wij geen poptoestand waar, die is daar ook

niet noodig, want al groeiende en vervellende begint de larve op de

ouden te gelijken en bij de laatste vervelling is zij een imago

geworden. Wij kennen hier dus maar 3 sterk van elkaar verschillende

toestanden: ei, larve en imago. In tegenstelling met de vorige groep

insecten, zegt men van deze, dat zij hebben een onvolkomen

gedaanteverwisseling. Dat woord „onvolkomen” zou ons doen denken, dat

er iets aan de gedaanteverwisseling hapert. Dit is niet het geval. Men

gebruikt nu eenmaal dit woord en daarom zullen wij het ook maar doen,

doch mooi en correct is het niet.

Als wij nu nog eens samenvatten, wat wij hierboven vertelden, dan

kunnen wij omtrent de gedaanteverwisseling het volgende zeggen:

1º er zijn insecten zonder gedaanteverwisseling: suikergasten,

luizen;

2º een onvolkomen gedaanteverwisseling nemen wij waar bij de

rechtvleugeligen (krekels, kakkerlakken, sprinkhanen, veenmol,

wandelende takken en bladen), bij de oorwormen en bij libellen of

waterjuffers; bij deze laatste heeft nog iets bijzonders plaats,

waarop wij nog terugkomen;

3º een volkomen gedaanteverwisseling treffen we aan bij de

vlinders, de kevers, de bijen, de mieren en andere.

Al deze gevallen hebben betrekking op de verandering van de dieren, als

zij eenmaal uit het ei zijn gekropen. In het ei zelve heeft evenwel de

grootste vormverandering plaats gehad; daar is uit één cel een heel

dier gegroeid. Men noemt dit wel de embryonale gedaanteverwisseling.

Over de larven spreken wij nog nader bij Plaat I en over de poppen bij

Plaat II.

Nederlandsche Insecten · 第 11 / 72 题