III. HET ACHTERLIJF.

Het achterlijf draagt geen organen, wel aanhangsels, als: staart,

legboor, angel. In den larvetoestand vinden wij soms buikpooten aan het

achterlijf, zooals bij rupsen en bastaardrupsen. Een belangrijk

aanhangsel in de legboor, die o.a. voorkomt bij sprinkhanen,

waterjuffers, sluipwespen, bladwespen. De legboor dient om eieren in

den grond of op andere verscholen plaatsen af te zetten. Bij de wijfjes

van de bijen en hommels doet de legboor ook dienst als wapen en heet

dan angel. In dien angel vloeit het vocht uit een giftklier.

Op de segmenten van het achterlijf zijn goed waarneembaar kleine

openingen, stigma’s, die het begin zijn van de ademhalingsbuizen.

Sommige insecten, zooals de bijen, scheiden uit het achterlijf was af;

dat zweeten zij uit aan de buikzijde.

In verband met de meerdere of mindere ontwikkeling van de vleugels en

pooten zou men de insecten aldus kunnen indeelen:

1. Loopers; hebben goede pooten en vliegen weinig; oorwormen en

kevers. Hiertoe behooren ook de springers.

2. Vliegers; hebben meestal zwakke pooten, zooals vlinders, bijen.

3. Stilzitters; dit zijn meestal parasieten, die goed ontwikkelde

pooten hebben om zich vast te houden, b.v. schildluizen, luizen.

De huid van de insecten bestaat uit een laag chitine, waaronder levende

cellen. Deze cellen scheiden de chitine af. Chitine bezit een groot

weerstandsvermogen, het is oplosbaar in kokend geconcentreerd

salpeterzuur. Op de huid nemen wij haren en schubben waar. Deze

ontstaan uit de laag levende cellen onder de chitinelaag. De beteekenis

der haren is zeer verschillend; sommige brengen indrukken of prikkels

van buiten over, dat zijn zintuigharen; de bijen hebben verzamelharen,

waartusschen het stuifmeel blijft zitten; processierupsen bezitten

giftharen. Bij verschillende waterinsecten wordt de ademhalingslucht

door de haren vastgehouden. Niet zoo algemeen verbreid als de haren

zijn de schubben; toch komen zij bij veel insecten voor, bij de

kokerjuffers, bij vlinders, bij eenige kevers, tweevleugeligen en

anderen. Schubben zijn kleiner dan haren. Sommige schubben geuren; men

noemt ze riekschubben. Er zijn ook vlinders zonder schubben: sesia’s

(123).

b) INWENDIGE BOUW VAN HET LICHAAM.

Insecten hebben geen geraamte zooals de gewervelde dieren, bij wie de

spieren aan de beenderen vastzitten. Wel bezitten de insecten ook

spieren, doch die zijn bevestigd aan de huid, die door de chitine

stevig is. Daarom zegt men ook wel dat de insecten hebben een

huid-skelet. Dat stevige huidskelet maakt, dat de insecten niet in

elkaar zakken. Alle hoofdorganen, die de hoogere dieren bezitten,

treffen wij ook bij de insecten aan, n.l. spijsverteringskanaal,

ademhalingsorganen, een hart, dat de bloedsomloop regelt, een

zenuwstelsel, dat alle spieren bestuurt, en ook uitloopers naar de

zintuigen zendt; verder verschillende klieren, die vochten naar binnen

of naar buiten afscheiden.

SPIJSVERTERING. De planteneters hebben een veel langer darmkanaal dan

de vleescheters, net als bij de hoogere dieren. Insecten, die honing

naar huis moeten dragen, doen dat in hun maag, zooals de bijen en

hommels. Als men een gevulde honingbij, die naar den korf vliegt, vangt

en wat drukt, komt de honing door den mond naar buiten. In de

honingmaag ondergaat de honing al eenige wijziging; o.a. is hij zoo

waterrijk niet als hij in de bloemen was. Komt een bij in den korf

terug, dan werkt zij den honing door den mond weer naar buiten.

Veel insecten eten in den larvetoestand zeer veel, b.v. rupsen. Dan

leggen zij tegelijk wat reservevoedsel aan, dat zij als pop verwerken.

Gewoonlijk eten de larven het meest.

Sommige volwassen insecten eten in het geheel niet en andere gebruiken

zeer weinig. Het wijfje van den witvlakvlinder en de haften eten niets;

zij leven ook maar kort; de eerste een paar dagen en de laatste soms

maar een paar uur of nog korter. Larven die veel eten, zooals de

rupsen, produceeren heel wat uitwerpselen. Wie wel eens rupsen heeft

opgekweekt weet dat, en zorgt er voor, dat dagelijks het rupsenhuis

wordt gereinigd.

ADEMHALING. Alle insecten hebben lucht noodig; toch niet zooveel als

men gewoonlijk denkt. Landinsecten, die men onder water brengt, houden

het vaak nog eenige dagen vol; dat bewijst, dat zij niet veel versche

lucht noodig hebben. De meeste insecten hebben 10 paar luchtbuizen,

tracheeën; 2 of 3 paar in het borststuk, de rest in het achterlijf.

Zoo’n luchtbuis gelijkt een boom, die tot in zijn fijnste vertakkingen

geheel is uitgehold; ’t dikke ondereinde staat met de buitenlucht in

verbinding, door een zeefvormig traliewerk. De lucht kan er wel door,

doch het stof wordt tegengehouden. Al die boomvormige luchtbuizen staan

in het lichaam van een insect met elkaar in verbinding. De stigma’s

zelf, zoo heet dat zeefvormig traliewerk, kan men gemakkelijk aan de

zijkanten van het achterlijf zien.

Soms zijn er nog aanhangsels aan de luchtbuizen; dat zijn dan

luchtzakken, die het insect volpompt voor het gaat vliegen. Bij de

meikevers kennen wij dit wel en noemen het „geldtellen”.

Hoe halen nu de waterinsecten adem?

1º Sommige komen van tijd tot tijd aan de oppervlakte om lucht te

halen, b.v. de gerande watertor (28) en de zwarte watertor (25). De

gerande watertor komt met het achterlijf naar boven. De zwarte of

spinnende watertor komt met den kop naar boven en gebruikt zijn

korte, verbreede en sterk behaarde sprieten om daarmede de lucht op

te nemen, die langs den fijn behaarden buik naar de stigma’s wordt

gevoerd. De larve van den zwarten heeft aan het achterlijf 2

stigma’s zitten en komt hiermede van tijd tot tijd naar boven. Dat

doen meer larven.

2º Andere larven van waterinsecten halen adem door kieuwen, die

huiduitstulpingen zijn. De uitwisseling der gassen heeft dan door

de huid heen plaats.

BLOEDSOMLOOP. Het hart van de insecten ligt aan de rugzijde. Evenals

bij de hoogere dieren is het hart de motor, die het bloed door het

lichaam drijft. Een bloedvatenstelsel ontbreekt; men spreekt in zoo’n

geval van open bloedsomloop. Toch is de strooming wel min of meer

geregeld. Het bloed komt aan de achterzijde van het hart in beweging en

gaat aan de voorzijde er weer uit. De beweging van het bloed wordt

veroorzaakt door het kloppen (samentrekken) van het hart; soms klopt

het 40 tot 50 maal en na het vliegen soms maar dan 100 maal per minuut.

Bij een pop klopt het hart zeer langzaam. De hoogere dieren hebben in

hun bloed roode en witte bloedlichaampjes; de roode zijn dan de

ademhalingscellen, die de zuurstof door het lichaam vervoeren. Omdat

bij een insect de lucht het geheele lichaam doortrekt, hebben deze

dieren geen roode bloedlichaampjes noodig. Een enkele uitzondering is

evenwel waargenomen. De bloedvloeistof of het serum is kleurloos of

gekleurd en in dit laatste geval geel-, rood- of bruinachtig. Soms

groen, doch dit komt dan van het eten van bladgroen.

ZENUWSTELSEL. Het zenuwstelsel bestaat uit een dubbele streng, waarin

verschillende verdikkingen worden gezien. Die verdikkingen heeten

zenuwknoopen. De eerste zenuwknoop ligt boven in den kop, alle andere

liggen aan de buikzijde. De eerste en tweede zenuwknoop zijn door

strengen verbonden en daar tusschen loopt de slokdarm. Dit gedeelte van

het zenuwstelsel noemt men den slokdarmring.

Van den bovensten kopzenuwknoop gaan zenuwen naar de oogen en naar de

sprieten; van den tweeden knoop naar de monddeelen, de speekselklieren.

De andere zenuwknoopen zenden zenuwen naar de pooten, vleugels en alle

inwendige organen.

DE ZINTUIGEN. De insecten bezitten dezelfde zintuigen als de hoogere

dieren: het gezicht, het gehoor, het gevoel, den smaak en den reuk. De

reuk is ongetwijfeld het sterkst ontwikkeld, en sterker, dan wij ons

zelfs kunnen voorstellen. Laten wij over de zintuigen nog iets naders

vertellen.

HET GEZICHT. Bij verschillende insecten hebben de mannetjes betere

oogen dan de wijfjes. Bij de tweevleugeligen zien wij twee soorten van

vlakjes of facetten in de oogen: groote en kleine. Dit verschil moet

van groot voordeel zijn bij het waarnemen van bewegingen. Op afstanden

nemen de insecten al bewegingen waar en vliegen dan op; dat weet ieder

die beproeft insecten te vangen. Bij de haften is die verdeeling zoo

ver gegaan, dat ieder oog der mannetjes in 2 oogen is verdeeld;

zoodoende hebben deze dieren feitelijk 4 oogen.

In verband met het gezicht staat ook het lichtgevend vermogen van

sommige avond- of nachtdieren. Wij kennen dit vermogen vooral bij de

glimwormen (42–43). Van onze gewone glimwormen is het mannetje

gevleugeld en wijfje ongevleugeld. Zoo’n wijfje lijkt daardoor veel op

een larve. Het meeste licht geeft het wijfje. De lichtgevende cellen

zijn veranderde cellen van het vetlichaam; hierdoor loopen sterk

vertakte luchtbuizen.

Eigenaardig is het, dat het lichtgevendvermogen onafhankelijk van het

dier zelf is; na den dood lichten ze nog.

DE REUK. De reuk is wel ongemeen sterk ontwikkeld. Veel meer dan het

gezicht helpt de reuk de insecten om hun voedsel te vinden. Den geur

der bloemen kunnen de insecten op grooten afstand waarnemen. Wanneer

hier of daar een stuk vleesch wordt neergelegd, dan is dit in een

minimum van tijd bezet met vleeschvliegen, die daarop haar eieren komen

leggen. Zoo gaat het ook met dierenlijken in de vrije natuur. De

doodgravers (kevers) (30) ruiken de lijken en komen er op af, evenals

de aasvliegen en in weinige dagen is er al veel weggewerkt. Besmeert

men boomstammen met honing, of met bier, stroop, rum en appelaether,

dan komen daarop in de schemeringuren allerlei vlinders af, die dan

gemakkelijk zijn te vangen. Deze vangmethode noemt men „stroopen” d.i.

met stroop werken.

Avondvlinders ruiken ook de boomen, op wier bladeren zij eieren

afzetten. Den geur van vele boombladeren kunnen wij nauwelijks

waarnemen, doch voor de vlinders gaat dit zonder bezwaar.

Van het sterke reukvermogen der mannetjes kan men juist profiteeren om

hen te vangen. Van af midden Juli vliegt als een razende door de lucht,

het mannetje van den witvlakvlinder (143); het wijfje van dezen vlinder

is ongevleugeld en kan zich niet verplaatsen. Heeft men nu een wijfje

en zet men dit in een sigarenkistje buiten, dan komen de mannetjes

hierop af en gaan op het sigarenkistje zitten. Zet men het

sigarenkistje in huis voor een gesloten raam, ook dan nog komen de

mannetjes er op af en zetten zich tegen het raam neer. Dat is wel een

bewijs, hoe goed de mannetjes ruiken kunnen. Bij een andere

vlindersoort is het gelukt op deze wijze in één avond meer dan 100

mannetjes te vangen. Zooals wij reeds vermeldden, staat hiermede in

verband, dat de mannetjes grootere en meer vertakte sprieten hebben,

waardoor zij beter kunnen ruiken. Sommige mannetjes van de vlinders

geuren zelf ook; zij bezitten daartoe speciale riekschubben, die deze

geuren verspreiden. Het zijn meestal aangename geuren: ananas, citroen,

heliotroop.

HET GEHOOR. Dat de insecten een gehoor bezitten, kunnen wij reeds

hieruit opmaken, dat vele insecten geluid voortbrengen. Dat moet

natuurlijk dienen om de aandacht van andere soortgenooten te trekken.

Een keukenkakkerlak houdt met loopen op, zoodra een vioolsnaar wordt

aangestreken, en de rugzwemmers (97) en de duikerwantsen (98) snellen

wild door elkaar als op een viool d' wordt aangestreken.

Vroeger dacht men, dat het gehoororgaan in de voelhorens zat—men

vergeleek die met de ooren van een mensch—doch thans weten wij, dat de

ooren der insecten op verschillende plaatsen van het lichaam zitten: in

de beenen, in de vleugels, in ’t achterlijf en soms ook in de sprieten.

Evenals in de plaatsing is er ook groote verscheidenheid in den bouw

der gehoororganen. Het voortbrengen van geluid komt vooral voor bij de

rechtvleugeligen: de veldsprinkhaan, de sabelsprinkhaan en de krekel.

Het beginsel bij het voortbrengen van geluid bij deze dieren is dit,

dat over een rasp een chitinelijst wordt gestreken. Als wij over een

kam strijken ontstaat ook geluid.

Bij de veldsprinkhanen zit de kam aan de dikke dij van den achterpoot

en de lijst aan den voorvleugel. Bij de sabelsprinkhanen ligt de rasp

aan de onderzijde van den linkervleugel en de lijst aan de bovenzijde

van den rechtervleugel. Bij de lijst bevindt zich tevens een

resoneerplaat, waardoor het geluid versterkt wordt.

Deze organen worden alleen bij de mannetjes waargenomen. De wijfjes der

sprinkhanen bezitten ook een soort geluidsorgaan, dat zijn eigen bouw

heeft; het zit vaak op een andere plaats.

Op de heide bij ons komt een sprinkhaan voor, het huphaantje,

Ephippigera vitium, dat gereduceerde voorvleugels heeft; de

achtervleugels ontbreken.

Hier maken mannetjes en wijfjes muziek, doch de ligging der organen is

verschillend; bij het mannetje is de linkervleugel kam en de

rechtervleugel lijst; bij wijfje is het precies andersom.

De wijfjes komen op de sjilpende mannetjes af.

De groote treksprinkhanen hebben maar zeer kleine geluidsorganen; ze

zijn altijd in grooten getale bij elkaar, zoodat ze feitelijk geen

loktonen noodig hebben.

Bij de krekels is het als bij de sabelsprinkhanen. In Artis in

Amsterdam zijn in het insectarium van tijd tot tijd veldkrekels. Daar

kan men hen geluid zien en hooren maken.

Indien dit voortbrengen van het geluid een doel heeft, dan moeten er

ook gehoororganen zijn om dit op te vangen. En die zijn er ook. Bij de

veldsprinkhanen zit het gehoororgaan aan den basis van het achterlijf

en bij de sabelsprinkhanen en de krekels aan de scheen van den

voorpoot. Bekend is ook het geluidsorgaan van de cicaden, doch daar is

het van een geheel andere constructie. Het grootste deel van het

achterlijf der mannetjes is geluidstrommel. Deze dieren maken soms een

vreeselijk geluid, dat op verren afstand te hooren is; zij komen in ons

land evenwel niet voor. Sommige insecten maken geluid door hun kop

tegen een voorwerp aan te slaan; dat doet o.a. het doodskloppertje

(50). Door deze loktonen komen deze kevers tot elkaar.

Bekend is het, dat verschillende insecten onder en door het vliegen

geluid maken. Door den snellen vleugelslag begint de lucht te trillen:

vliegen, muggen, bijen, hommels, pijlstaartvlinders. Wij kunnen de

vliegtonen nog waarnemen als de vleugels zich minstens 20 maal per

seconde bewegen. Langzame vliegers, zooals de dagvlinders, zij

fladderen, vliegen geruischloos; een koolwitje doet maar 9 slagen in de

seconde. Pijlstaarten maken 70 tot 80 vleugelslagen, bijen ongeveer 180

en kamervliegen 330 slagen per seconde. Ook kevers, o.a. de

doodgravers, boktorren en mestkevers, enkele wantsen, mieren en zelfs

de doodshoofdvlinder maakt geluid, o.a. als men hem aan den kop plaagt.

DE SMAAK. De organen voor den smaak zetelen voornamelijk aan den kop;

als zoodanig doen zich voor allerlei aanhangsels, tasters, aan de

onderkaken en onderlip. Sommige insecten bepalen zich tot één soort

voedsel; zij sterven liever, dan iets anders tot zich te nemen. Het

onderzoek naar den aard van het voedsel geschiedt nu door de tasters.

Wellicht zijn nog andere organen daarbij werkzaam.

HET GEVOEL. Dat zetelt in de huidzintuigorganen, waarvan er vele op het

lichaam van het insect worden aangetroffen. Wij kunnen hierop niet

verder ingaan, maar dit staat wel vast, dat de insecten op velerlei

manieren de buitenwereld kunnen waarnemen.

DE KLIEREN. Een klier is een groep cellen, (soms ook maar één cel), die

een bepaalde stof afscheiden. Bekend zijn de speekselklieren, de

maagklieren, die in verband staan met de spijsvertering. Behalve deze

klieren bezitten de verschillende insecten er nog andere, die eveneens

voor de dieren van groote beteekenis zijn. Men kan die klieren tot de

volgende groepen brengen: verdedigingsklieren, giftklieren, spin- en

lijmklieren, wasklieren.

VERDEDIGINGSKLIEREN. Deze produceeren alle een onaangenaam riekende

stof. Wantsen, kakkerlakken, geven bekende luchten af. Oorwormen

bezitten ook stinkklieren. Verschillende kevers brengen onaangename

stoffen naar buiten. Bij den bombardeerkever verdampt het naar buiten

gebrachte vocht terstond tot een blauwachtig wolkje.

Sommige rupsen brengen uitstulpbare klieren naar buiten.

GIFTKLIEREN. Komen voor bij bijen en hommels; ook mieren bezitten nog

deze klieren. Het speeksel van muggen, steekvliegen, vlooien en wantsen

bezit eveneens scherpe eigenschappen.

SPINKLIEREN. Zijn zeer belangrijk voor de insecten; bij de rupsen

monden zij uit aan de onderlip. De spinstof is taai en verhardt aan de

lucht. Technisch is de spindraad van de zijderups van beteekenis.

LIJMKLIEREN. Komen voor o.a. bij verschillende vlinders; met de

lijmstof worden de eieren vastgehecht.

WASKLIEREN vinden wij bij de bijen en bladluizen; ook nog bij andere

insecten. De wasklieren der bijen zijn geheel andere organen dan die

van de blad- en schildluizen.

Nederlandsche Insecten · 第 10 / 72 题