Het achterlijf draagt geen organen, wel aanhangsels, als: staart,
legboor, angel. In den larvetoestand vinden wij soms buikpooten aan het
achterlijf, zooals bij rupsen en bastaardrupsen. Een belangrijk
aanhangsel in de legboor, die o.a. voorkomt bij sprinkhanen,
waterjuffers, sluipwespen, bladwespen. De legboor dient om eieren in
den grond of op andere verscholen plaatsen af te zetten. Bij de wijfjes
van de bijen en hommels doet de legboor ook dienst als wapen en heet
dan angel. In dien angel vloeit het vocht uit een giftklier.
Op de segmenten van het achterlijf zijn goed waarneembaar kleine
openingen, stigma’s, die het begin zijn van de ademhalingsbuizen.
Sommige insecten, zooals de bijen, scheiden uit het achterlijf was af;
dat zweeten zij uit aan de buikzijde.
In verband met de meerdere of mindere ontwikkeling van de vleugels en
pooten zou men de insecten aldus kunnen indeelen:
1. Loopers; hebben goede pooten en vliegen weinig; oorwormen en
kevers. Hiertoe behooren ook de springers.
2. Vliegers; hebben meestal zwakke pooten, zooals vlinders, bijen.
3. Stilzitters; dit zijn meestal parasieten, die goed ontwikkelde
pooten hebben om zich vast te houden, b.v. schildluizen, luizen.
De huid van de insecten bestaat uit een laag chitine, waaronder levende
cellen. Deze cellen scheiden de chitine af. Chitine bezit een groot
weerstandsvermogen, het is oplosbaar in kokend geconcentreerd
salpeterzuur. Op de huid nemen wij haren en schubben waar. Deze
ontstaan uit de laag levende cellen onder de chitinelaag. De beteekenis
der haren is zeer verschillend; sommige brengen indrukken of prikkels
van buiten over, dat zijn zintuigharen; de bijen hebben verzamelharen,
waartusschen het stuifmeel blijft zitten; processierupsen bezitten
giftharen. Bij verschillende waterinsecten wordt de ademhalingslucht
door de haren vastgehouden. Niet zoo algemeen verbreid als de haren
zijn de schubben; toch komen zij bij veel insecten voor, bij de
kokerjuffers, bij vlinders, bij eenige kevers, tweevleugeligen en
anderen. Schubben zijn kleiner dan haren. Sommige schubben geuren; men
noemt ze riekschubben. Er zijn ook vlinders zonder schubben: sesia’s
(123).
b) INWENDIGE BOUW VAN HET LICHAAM.
Insecten hebben geen geraamte zooals de gewervelde dieren, bij wie de
spieren aan de beenderen vastzitten. Wel bezitten de insecten ook
spieren, doch die zijn bevestigd aan de huid, die door de chitine
stevig is. Daarom zegt men ook wel dat de insecten hebben een
huid-skelet. Dat stevige huidskelet maakt, dat de insecten niet in
elkaar zakken. Alle hoofdorganen, die de hoogere dieren bezitten,
treffen wij ook bij de insecten aan, n.l. spijsverteringskanaal,
ademhalingsorganen, een hart, dat de bloedsomloop regelt, een
zenuwstelsel, dat alle spieren bestuurt, en ook uitloopers naar de
zintuigen zendt; verder verschillende klieren, die vochten naar binnen
of naar buiten afscheiden.
SPIJSVERTERING. De planteneters hebben een veel langer darmkanaal dan
de vleescheters, net als bij de hoogere dieren. Insecten, die honing
naar huis moeten dragen, doen dat in hun maag, zooals de bijen en
hommels. Als men een gevulde honingbij, die naar den korf vliegt, vangt
en wat drukt, komt de honing door den mond naar buiten. In de
honingmaag ondergaat de honing al eenige wijziging; o.a. is hij zoo
waterrijk niet als hij in de bloemen was. Komt een bij in den korf
terug, dan werkt zij den honing door den mond weer naar buiten.
Veel insecten eten in den larvetoestand zeer veel, b.v. rupsen. Dan
leggen zij tegelijk wat reservevoedsel aan, dat zij als pop verwerken.
Gewoonlijk eten de larven het meest.
Sommige volwassen insecten eten in het geheel niet en andere gebruiken
zeer weinig. Het wijfje van den witvlakvlinder en de haften eten niets;
zij leven ook maar kort; de eerste een paar dagen en de laatste soms
maar een paar uur of nog korter. Larven die veel eten, zooals de
rupsen, produceeren heel wat uitwerpselen. Wie wel eens rupsen heeft
opgekweekt weet dat, en zorgt er voor, dat dagelijks het rupsenhuis
wordt gereinigd.
ADEMHALING. Alle insecten hebben lucht noodig; toch niet zooveel als
men gewoonlijk denkt. Landinsecten, die men onder water brengt, houden
het vaak nog eenige dagen vol; dat bewijst, dat zij niet veel versche
lucht noodig hebben. De meeste insecten hebben 10 paar luchtbuizen,
tracheeën; 2 of 3 paar in het borststuk, de rest in het achterlijf.
Zoo’n luchtbuis gelijkt een boom, die tot in zijn fijnste vertakkingen
geheel is uitgehold; ’t dikke ondereinde staat met de buitenlucht in
verbinding, door een zeefvormig traliewerk. De lucht kan er wel door,
doch het stof wordt tegengehouden. Al die boomvormige luchtbuizen staan
in het lichaam van een insect met elkaar in verbinding. De stigma’s
zelf, zoo heet dat zeefvormig traliewerk, kan men gemakkelijk aan de
zijkanten van het achterlijf zien.
Soms zijn er nog aanhangsels aan de luchtbuizen; dat zijn dan
luchtzakken, die het insect volpompt voor het gaat vliegen. Bij de
meikevers kennen wij dit wel en noemen het „geldtellen”.
Hoe halen nu de waterinsecten adem?
1º Sommige komen van tijd tot tijd aan de oppervlakte om lucht te
halen, b.v. de gerande watertor (28) en de zwarte watertor (25). De
gerande watertor komt met het achterlijf naar boven. De zwarte of
spinnende watertor komt met den kop naar boven en gebruikt zijn
korte, verbreede en sterk behaarde sprieten om daarmede de lucht op
te nemen, die langs den fijn behaarden buik naar de stigma’s wordt
gevoerd. De larve van den zwarten heeft aan het achterlijf 2
stigma’s zitten en komt hiermede van tijd tot tijd naar boven. Dat
doen meer larven.
2º Andere larven van waterinsecten halen adem door kieuwen, die
huiduitstulpingen zijn. De uitwisseling der gassen heeft dan door
de huid heen plaats.
BLOEDSOMLOOP. Het hart van de insecten ligt aan de rugzijde. Evenals
bij de hoogere dieren is het hart de motor, die het bloed door het
lichaam drijft. Een bloedvatenstelsel ontbreekt; men spreekt in zoo’n
geval van open bloedsomloop. Toch is de strooming wel min of meer
geregeld. Het bloed komt aan de achterzijde van het hart in beweging en
gaat aan de voorzijde er weer uit. De beweging van het bloed wordt
veroorzaakt door het kloppen (samentrekken) van het hart; soms klopt
het 40 tot 50 maal en na het vliegen soms maar dan 100 maal per minuut.
Bij een pop klopt het hart zeer langzaam. De hoogere dieren hebben in
hun bloed roode en witte bloedlichaampjes; de roode zijn dan de
ademhalingscellen, die de zuurstof door het lichaam vervoeren. Omdat
bij een insect de lucht het geheele lichaam doortrekt, hebben deze
dieren geen roode bloedlichaampjes noodig. Een enkele uitzondering is
evenwel waargenomen. De bloedvloeistof of het serum is kleurloos of
gekleurd en in dit laatste geval geel-, rood- of bruinachtig. Soms
groen, doch dit komt dan van het eten van bladgroen.
ZENUWSTELSEL. Het zenuwstelsel bestaat uit een dubbele streng, waarin
verschillende verdikkingen worden gezien. Die verdikkingen heeten
zenuwknoopen. De eerste zenuwknoop ligt boven in den kop, alle andere
liggen aan de buikzijde. De eerste en tweede zenuwknoop zijn door
strengen verbonden en daar tusschen loopt de slokdarm. Dit gedeelte van
het zenuwstelsel noemt men den slokdarmring.
Van den bovensten kopzenuwknoop gaan zenuwen naar de oogen en naar de
sprieten; van den tweeden knoop naar de monddeelen, de speekselklieren.
De andere zenuwknoopen zenden zenuwen naar de pooten, vleugels en alle
inwendige organen.
DE ZINTUIGEN. De insecten bezitten dezelfde zintuigen als de hoogere
dieren: het gezicht, het gehoor, het gevoel, den smaak en den reuk. De
reuk is ongetwijfeld het sterkst ontwikkeld, en sterker, dan wij ons
zelfs kunnen voorstellen. Laten wij over de zintuigen nog iets naders
vertellen.
HET GEZICHT. Bij verschillende insecten hebben de mannetjes betere
oogen dan de wijfjes. Bij de tweevleugeligen zien wij twee soorten van
vlakjes of facetten in de oogen: groote en kleine. Dit verschil moet
van groot voordeel zijn bij het waarnemen van bewegingen. Op afstanden
nemen de insecten al bewegingen waar en vliegen dan op; dat weet ieder
die beproeft insecten te vangen. Bij de haften is die verdeeling zoo
ver gegaan, dat ieder oog der mannetjes in 2 oogen is verdeeld;
zoodoende hebben deze dieren feitelijk 4 oogen.
In verband met het gezicht staat ook het lichtgevend vermogen van
sommige avond- of nachtdieren. Wij kennen dit vermogen vooral bij de
glimwormen (42–43). Van onze gewone glimwormen is het mannetje
gevleugeld en wijfje ongevleugeld. Zoo’n wijfje lijkt daardoor veel op
een larve. Het meeste licht geeft het wijfje. De lichtgevende cellen
zijn veranderde cellen van het vetlichaam; hierdoor loopen sterk
vertakte luchtbuizen.
Eigenaardig is het, dat het lichtgevendvermogen onafhankelijk van het
dier zelf is; na den dood lichten ze nog.
DE REUK. De reuk is wel ongemeen sterk ontwikkeld. Veel meer dan het
gezicht helpt de reuk de insecten om hun voedsel te vinden. Den geur
der bloemen kunnen de insecten op grooten afstand waarnemen. Wanneer
hier of daar een stuk vleesch wordt neergelegd, dan is dit in een
minimum van tijd bezet met vleeschvliegen, die daarop haar eieren komen
leggen. Zoo gaat het ook met dierenlijken in de vrije natuur. De
doodgravers (kevers) (30) ruiken de lijken en komen er op af, evenals
de aasvliegen en in weinige dagen is er al veel weggewerkt. Besmeert
men boomstammen met honing, of met bier, stroop, rum en appelaether,
dan komen daarop in de schemeringuren allerlei vlinders af, die dan
gemakkelijk zijn te vangen. Deze vangmethode noemt men „stroopen” d.i.
met stroop werken.
Avondvlinders ruiken ook de boomen, op wier bladeren zij eieren
afzetten. Den geur van vele boombladeren kunnen wij nauwelijks
waarnemen, doch voor de vlinders gaat dit zonder bezwaar.
Van het sterke reukvermogen der mannetjes kan men juist profiteeren om
hen te vangen. Van af midden Juli vliegt als een razende door de lucht,
het mannetje van den witvlakvlinder (143); het wijfje van dezen vlinder
is ongevleugeld en kan zich niet verplaatsen. Heeft men nu een wijfje
en zet men dit in een sigarenkistje buiten, dan komen de mannetjes
hierop af en gaan op het sigarenkistje zitten. Zet men het
sigarenkistje in huis voor een gesloten raam, ook dan nog komen de
mannetjes er op af en zetten zich tegen het raam neer. Dat is wel een
bewijs, hoe goed de mannetjes ruiken kunnen. Bij een andere
vlindersoort is het gelukt op deze wijze in één avond meer dan 100
mannetjes te vangen. Zooals wij reeds vermeldden, staat hiermede in
verband, dat de mannetjes grootere en meer vertakte sprieten hebben,
waardoor zij beter kunnen ruiken. Sommige mannetjes van de vlinders
geuren zelf ook; zij bezitten daartoe speciale riekschubben, die deze
geuren verspreiden. Het zijn meestal aangename geuren: ananas, citroen,
heliotroop.
HET GEHOOR. Dat de insecten een gehoor bezitten, kunnen wij reeds
hieruit opmaken, dat vele insecten geluid voortbrengen. Dat moet
natuurlijk dienen om de aandacht van andere soortgenooten te trekken.
Een keukenkakkerlak houdt met loopen op, zoodra een vioolsnaar wordt
aangestreken, en de rugzwemmers (97) en de duikerwantsen (98) snellen
wild door elkaar als op een viool d' wordt aangestreken.
Vroeger dacht men, dat het gehoororgaan in de voelhorens zat—men
vergeleek die met de ooren van een mensch—doch thans weten wij, dat de
ooren der insecten op verschillende plaatsen van het lichaam zitten: in
de beenen, in de vleugels, in ’t achterlijf en soms ook in de sprieten.
Evenals in de plaatsing is er ook groote verscheidenheid in den bouw
der gehoororganen. Het voortbrengen van geluid komt vooral voor bij de
rechtvleugeligen: de veldsprinkhaan, de sabelsprinkhaan en de krekel.
Het beginsel bij het voortbrengen van geluid bij deze dieren is dit,
dat over een rasp een chitinelijst wordt gestreken. Als wij over een
kam strijken ontstaat ook geluid.
Bij de veldsprinkhanen zit de kam aan de dikke dij van den achterpoot
en de lijst aan den voorvleugel. Bij de sabelsprinkhanen ligt de rasp
aan de onderzijde van den linkervleugel en de lijst aan de bovenzijde
van den rechtervleugel. Bij de lijst bevindt zich tevens een
resoneerplaat, waardoor het geluid versterkt wordt.
Deze organen worden alleen bij de mannetjes waargenomen. De wijfjes der
sprinkhanen bezitten ook een soort geluidsorgaan, dat zijn eigen bouw
heeft; het zit vaak op een andere plaats.
Op de heide bij ons komt een sprinkhaan voor, het huphaantje,
Ephippigera vitium, dat gereduceerde voorvleugels heeft; de
achtervleugels ontbreken.
Hier maken mannetjes en wijfjes muziek, doch de ligging der organen is
verschillend; bij het mannetje is de linkervleugel kam en de
rechtervleugel lijst; bij wijfje is het precies andersom.
De wijfjes komen op de sjilpende mannetjes af.
De groote treksprinkhanen hebben maar zeer kleine geluidsorganen; ze
zijn altijd in grooten getale bij elkaar, zoodat ze feitelijk geen
loktonen noodig hebben.
Bij de krekels is het als bij de sabelsprinkhanen. In Artis in
Amsterdam zijn in het insectarium van tijd tot tijd veldkrekels. Daar
kan men hen geluid zien en hooren maken.
Indien dit voortbrengen van het geluid een doel heeft, dan moeten er
ook gehoororganen zijn om dit op te vangen. En die zijn er ook. Bij de
veldsprinkhanen zit het gehoororgaan aan den basis van het achterlijf
en bij de sabelsprinkhanen en de krekels aan de scheen van den
voorpoot. Bekend is ook het geluidsorgaan van de cicaden, doch daar is
het van een geheel andere constructie. Het grootste deel van het
achterlijf der mannetjes is geluidstrommel. Deze dieren maken soms een
vreeselijk geluid, dat op verren afstand te hooren is; zij komen in ons
land evenwel niet voor. Sommige insecten maken geluid door hun kop
tegen een voorwerp aan te slaan; dat doet o.a. het doodskloppertje
(50). Door deze loktonen komen deze kevers tot elkaar.
Bekend is het, dat verschillende insecten onder en door het vliegen
geluid maken. Door den snellen vleugelslag begint de lucht te trillen:
vliegen, muggen, bijen, hommels, pijlstaartvlinders. Wij kunnen de
vliegtonen nog waarnemen als de vleugels zich minstens 20 maal per
seconde bewegen. Langzame vliegers, zooals de dagvlinders, zij
fladderen, vliegen geruischloos; een koolwitje doet maar 9 slagen in de
seconde. Pijlstaarten maken 70 tot 80 vleugelslagen, bijen ongeveer 180
en kamervliegen 330 slagen per seconde. Ook kevers, o.a. de
doodgravers, boktorren en mestkevers, enkele wantsen, mieren en zelfs
de doodshoofdvlinder maakt geluid, o.a. als men hem aan den kop plaagt.
DE SMAAK. De organen voor den smaak zetelen voornamelijk aan den kop;
als zoodanig doen zich voor allerlei aanhangsels, tasters, aan de
onderkaken en onderlip. Sommige insecten bepalen zich tot één soort
voedsel; zij sterven liever, dan iets anders tot zich te nemen. Het
onderzoek naar den aard van het voedsel geschiedt nu door de tasters.
Wellicht zijn nog andere organen daarbij werkzaam.
HET GEVOEL. Dat zetelt in de huidzintuigorganen, waarvan er vele op het
lichaam van het insect worden aangetroffen. Wij kunnen hierop niet
verder ingaan, maar dit staat wel vast, dat de insecten op velerlei
manieren de buitenwereld kunnen waarnemen.
DE KLIEREN. Een klier is een groep cellen, (soms ook maar één cel), die
een bepaalde stof afscheiden. Bekend zijn de speekselklieren, de
maagklieren, die in verband staan met de spijsvertering. Behalve deze
klieren bezitten de verschillende insecten er nog andere, die eveneens
voor de dieren van groote beteekenis zijn. Men kan die klieren tot de
volgende groepen brengen: verdedigingsklieren, giftklieren, spin- en
lijmklieren, wasklieren.
VERDEDIGINGSKLIEREN. Deze produceeren alle een onaangenaam riekende
stof. Wantsen, kakkerlakken, geven bekende luchten af. Oorwormen
bezitten ook stinkklieren. Verschillende kevers brengen onaangename
stoffen naar buiten. Bij den bombardeerkever verdampt het naar buiten
gebrachte vocht terstond tot een blauwachtig wolkje.
Sommige rupsen brengen uitstulpbare klieren naar buiten.
GIFTKLIEREN. Komen voor bij bijen en hommels; ook mieren bezitten nog
deze klieren. Het speeksel van muggen, steekvliegen, vlooien en wantsen
bezit eveneens scherpe eigenschappen.
SPINKLIEREN. Zijn zeer belangrijk voor de insecten; bij de rupsen
monden zij uit aan de onderlip. De spinstof is taai en verhardt aan de
lucht. Technisch is de spindraad van de zijderups van beteekenis.
LIJMKLIEREN. Komen voor o.a. bij verschillende vlinders; met de
lijmstof worden de eieren vastgehecht.
WASKLIEREN vinden wij bij de bijen en bladluizen; ook nog bij andere
insecten. De wasklieren der bijen zijn geheel andere organen dan die
van de blad- en schildluizen.