II. HET BORSTSTUK.

Aan het borststuk treffen wij de organen aan, waarmede de insecten zich

kunnen verplaatsen: de pooten en de vleugels. Als wij een borststuk

netjes uit elkaar halen, dan blijkt, dat het uit drie deelen bestaat:

1º ’t voor-, 2º ’t midden- en 3º ’t achterborststuk. Elk van deze

deelen draagt één paar pooten, terwijl het midden- en achterborststuk

ieder één paar vleugels dragen. Het voorborststuk draagt nooit

vleugels. Bij de vliegen en muggen is het tweede paar vleugels

gewijzigd en vinden wij daarvoor in de plaats de z.g. kolfjes.

DE VLEUGELS. De vleugels dienen om te vliegen. Bij de kevers zijn de

voorste vleugels hard en dienen tot bescherming van de achtervleugels,

die in rust onder de dekschilden liggen opgevouwen. De oorspronkelijke

beteekenis der voorste vleugels is dus gewijzigd. Een kever vliegt

alzoo alleen met zijn achtervleugels. Bij de vliegen en muggen zijn de

achtervleugels zooals wij zagen gewijzigd tot kolfjes; daarmede kunnen

zij niet vliegen, dat doen zij dus met de voorvleugels.

De voor- en achtervleugels zijn vaak verbonden, zooals dat voorkomt bij

sommige avondvlinders en bijen en wespen; dat zijn daarom goede

vliegers. Gewoonlijk verschillen de voor- en achtervleugels in vorm,

teekening en grootte; bij vele libellen (77–79) zijn ze tamelijk wel

gelijk.

Mannetjes en wijfjes zijn vaak te herkennen aan de vleugels. Het komt

ook voor, dat de wijfjes de vleugels missen; dat vinden wij bij enkele

wintervlinders (139), den witvlakvlinder (143), de glimwormen (43) en

bij de schildluizen. Soms zijn van de vleugels nog kleine stompjes

over. Er zijn ook gevallen, dat mannetjes en wijfjes de vleugels

missen; dan kunnen ze vaak hard loopen of springen: de vloo en sommige

sprinkhanen. Sommige blijvende parasieten missen ook in beide

geslachten de vleugels; aan verplaatsing zouden zij ook weinig hebben;

waar ze zijn, vinden ze voedsel genoeg, We denken aan de

hoofdparasieten bij kinderen. Er zijn ook gevallen, dat gevleugelde en

ongevleugelde geslachten elkaar opvolgen: bladluizen.

DE POOTEN. Het normale aantal pooten bij de volwassen insecten bedraagt

6; daarom heeten ze wel hexapoden of zespootigen. Spinnen hebben 8

pooten.

De larven hebben soms meer dan 6 pooten, b.v. de rupsen, die meestal

nog 10 buikpooten er bij hebben; sommige bastaardrupsen hebben zelfs 16

buikpooten. De buikpooten en de eigenlijke of borstpooten verschillen

in vorm.

Elke borstpoot bestaat uit 5 deelen: heup, dijring, dij, scheen en

voet. In de dij zitten goede spieren. Aan het uiteinde van den voet

zitten 1 of 2 klauwtjes; daartusschen zitten vaak nog hechtlapjes o.a.

bij de vliegen. Door verlenging, verkorting, verbreeding, sterkere

beharing van een of meer der 5 deelen waaruit een poot bestaat,

ontstaan allerlei pootvormen, die aan de insecten speciale diensten

kunnen bewijzen.

Daardoor kunnen wij onderscheiden:

1. looppooten; die hebben de meeste insecten,

2. roofpooten; bij de waterschorpioen,

3. graafpooten; bij de veenmol en de mestkevers,

4. springpooten: bij de sprinkhanen,

5. verzamelpooten; bij de bijen en hommels,

6. zwempooten; bij de waterkevers en de waterwantsen.

Soms zijn de voorpooten in meerdere of mindere mate verkommerd; dan

spreekt men van poetspooten. Die komen voor bij de volgende vlinders:

vanessa’s, paarlemoervlinders en zandoogjes. Larven zonder pooten noemt

men maden (vliegen).

Nederlandsche Insecten · 第 9 / 72 题