I. DE KOP.

Aan den kop treffen wij de volgende organen aan: 1º de sprieten, 2º de

oogen, 3º de monddeelen.

DE SPRIETEN. Ieder insect heeft 2 sprieten. Vroeger noemde men die

voelhorens, omdat men meende, dat de insecten hiermede zouden kunnen

voelen. Het is wel mogelijk, dat de insecten er mede voelen kunnen,

maar zeker is het, dat ze er mede ruiken. De sprieten zijn dus de

neuzen. Als men in een rupsen- of vlinderhuis, waarin levende vlinders

zijn, een schoteltje honing zet, komen oogenblikkelijk de sprieten in

beweging, en gaan de vlinders op den honing af. Had men vooruit van

enkele vlinders de sprieten afgeknipt, dan zou men bemerken, dat de

sprietloozen niet naar den honing gingen, omdat zij dien nu niet ruiken

kunnen.

Zoowel de larven als de volwassen dieren hebben sprieten; die van de

larven zijn meestal klein, b.v. bij de rupsen. Zeer groote sprieten

hebben de boktorren; soms zijn die eenige malen langer dan het lichaam.

Hoe grooter de oogen zijn, hoe kleiner de sprieten; dat zien wij goed

bij de glazenmakers. Het aantal vormen der sprieten is zeer groot; ze

kunnen zijn: draad-, snoer-, haar-, en spoelvormig; ook: geknopt,

gezaagd, gekamd, bladvormig. Meestal hebben de mannetjes grootere en

meer ontwikkelde sprieten dan de wijfjes.

DE OOGEN. De insecten bezitten twee soorten van oogen: enkelvoudige en

samengestelde. Een rups heeft aan iedere zijde van den kop 6

enkelvoudige of kleine oogen; in ’t geheel dus 12. De samengestelde

oogen vertoonen aan de buitenzijde een groot aantal zeshoekige vlakjes;

soms eenige duizenden. De meeste volwassen insecten bezitten zoowel

enkelvoudige als samengestelde oogen; de kevers evenwel hebben haast

alleen slechts samengestelde oogen. Een groot aantal insecten is blind.

Het zijn dieren, die in holen, onder steenen of in hout leven. Ook

onder de mierengasten (31) komen blinden voor. Nog meer dan bij de

volwassen insecten vinden wij blinden onder de larven, b.v. de

vliegenmaden; de larven van bijen, mieren, wespen, sluipwespen en

boktorren zijn ook blind. Zij worden geboren midden in haar voedsel en

hebben dus geen oogen noodig; overal, waarheen zij zich wenden of

keeren, vinden zij haar boterham. Oogen dienen vooral om voedsel op te

zoeken. Verschillende blinde insecten zijn toch wel gevoelig voor

licht.

DE MONDDEELEN. De mond is een zeer belangrijk orgaan omdat hiermede het

voedsel wordt gegrepen en verkleind. Evenals bij de gewervelde dieren

de tanden verschillen al naar het voedsel, dat het dier gebruikt:

graseters, vruchteneters, vleescheters, vischeters, insecteneters, zoo

staat de vorm der monddeelen van een insect ook in verband met het

voedsel, dat het nuttigt. Van een insect geldt ook: „Laat mij je

monddeelen zien, en ik zal zeggen wat je eet”.

De monddeelen kunnen we in de volgende groepen verdeelen:

één bovenlip

twee bovenkaken

twee onderkaken

één onderlip;

dus totaal 6 deelen. De bovenlip, die een soort luifel is, hoort er

eigenlijk niet bij, maar gewoonlijk wordt zij er bij gerekend en daarom

zullen wij het ook maar doen.

Aan de onderkaken en aan de onderlip zitten vaak nog allerlei

aanhangsels, die men tasters noemt; hiermede schijnen de dieren het

voedsel te inspecteeren voor zij het naar binnen werken. Het voedsel

dat de insecten opnemen is vast of vloeibaar. Het vaste voedsel:

bladeren, stengels, wortels, vleesch, moet worden fijngeknipt; de kaken

werken dan als een schaar in horizontale richting, dus van links naar

rechts. Op deze wijze eten de kevers. Men zegt dat ze kauwen. Is het

voedsel vloeibaar, dan moet dit worden opgelikt of opgezogen. Zoo

likken de bijen en hommels den honing uit de bloemen, dat gemakkelijk

gaat omdat de honing aan de oppervlakte ligt. Ligt de honing evenwel

zeer diep, dan wordt hij door een buis naar boven gezogen; die buis is

dan gevormd door de twee onderkaken, die zeer in de lengte zijn

uitgegroeid, en met de holle zijde aan elkaar sluiten. Die lange buis,

die oprolbaar is, heet roltong. Bij een koolwitje kan men met een speld

of dun sprietje deze roltong heel gemakkelijk afrollen en uittrekken.

Soms zit het vloeibare voedsel, dat de insecten zullen verorberen, nog

achter weefsels verborgen, die dus doorboord moeten worden. Zulk

voedsel is b.v. menschenbloed en plantenvocht. Als een steekmug ons

bloed wil aftappen, geeft zij ons eerst een prik, zoo diep, dat zij bij

het bloed is; dan zuigt zij het bloed op. Haar monddeelen zijn dus een

soort zuigpomp die in ons lichaam wordt gezet. Daarom zijn de

monddeelen van een steekmug zeer in de lengte uitgegroeid. Dat is ook

het geval met de monddeelen van een bladluis. Die steekt haar snuit in

den stengel of in het blad en zuigt dan zoo de sappen uit; stengel en

blad worden leeggepompt, en als een blad nu aan één zijde met

bladluizen is bezet, de onderzijde, dan begint het om te krullen;

omgekrulde bladen wijzen op bladluizen of op mijten, die precies leven

als de bladluizen.

De bovenkaken werken, zooals wij zagen, van links naar rechts en niet

van boven naar beneden. Zij dienen:

1º om te kauwen en te bijten; men vindt die bij oorwormen,

glazenmakers, sprinkhanen, kevers; wespen, bijen; een rups knipt de

bladeren af.

2º om prooi te vangen; dat ziet men goed bij de roofinsecten (32).

3º als verdedigingsmiddel; dit is goed te zien bij de mannetjes van

het vliegend hert (48); die groote geweivormige kaken zijn de

bovenkaken en daarmede schijnen de mannetjes elkaar wel eens te

lijf te gaan.

4º als steekwerktuigen bij de wantsen.

Soms zijn de bovenkaken geheel verdwenen of rudimentair; dat komt voor

bij vlinders en de meeste tweevleugeligen.

De onderkaken dienen slechts zelden tot kauwen; meestal zijn die

gewijzigd tot steek- en zuigorganen.

De onderlip heeft ook geen vasten vorm; soms is zij een grijporgaan

geworden en dan weer doet zij dienst als een koker om de onder- en

bovenkaken te bergen.

Nederlandsche Insecten · 第 8 / 72 题