a) UITWENDIGE BOUW VAN HET LICHAAM.
Hoe verschillend de insecten er ook mogen uitzien, denk b.v. aan een
mier en een vlinder, zij zijn allen volgens hetzelfde beginsel gebouwd.
En dat beginsel is dit: het lichaam bestaat uit 3 goed te onderscheiden
deelen:
1º de kop, 2º het borststuk en 3º het achterlijf.
Elk van deze deelen heeft zijn eigen werk te doen, heeft een bepaalde
functie. Met den kop neemt het dier voedsel op en neemt het zijn
omgeving waar; het kan zich oriënteeren. Door middel van de organen,
die aan het borststuk zitten, de pooten en de vleugels, kan het zich
verplaatsen. In het achterlijf zijn opgeborgen de ademhalings- en
spijsverteringsorganen; als deze organen werken blijft het dier in
leven.
De indeeling van het lichaam berust dus op een verdeeling van arbeid;
ieder deel heeft zijn eigen werk.