I. INLEIDING.

De geschiedenis van het Koolwitje.

Het komt ons het meest gewenscht voor, de tekst van dit Album te

beginnen met een beschrijving van de geschiedenis van het Koolwitje.

Iedereen kent het Koolwitje; van April en Mei tot September en soms nog

later vliegen de witjes overal rond. Wie ze noodig heeft voor de studie

kan ze overal vangen. Behalve op wilde planten zijn de koolrupsen

vooral in Augustus en September overal in groententuinen te vinden. Wie

de rupsen wil opkweeken, kan dus in elken tuin materiaal vinden. Het

voer is gemakkelijk te verkrijgen ook voor hen, die in de stad wonen;

de groentenboer heeft altijd kool op den wagen.

Iedereen kan dus rupsen opfokken en de vlinders komen dan vanzelf.

Zoodoende kan men aan de levende dieren waarnemen, wat wij nu gaan

vertellen. De Koolwitjes vliegen in het geheele land, dus iedereen kan

deze diertjes bestudeeren. Wij zullen, terwijl wij over het Koolwitje

schrijven tegelijk wat termen leeren en eenige algemeene dingen over de

insecten zeggen. Tevens bedoelen wij met deze beschrijving een

voorbeeld te geven, hoe men een insect moet bestudeeren en waarnemen.

Wie insecten wil leeren kennen moet beproeven van hen een

levensbeschrijving te maken, naar aanleiding van de waarnemingen, die

men aan de dieren doet; dat is de goede methode. En nu beginnen wij.

DE EERSTE KOOLWITJES. ’s Winters vliegen er geen Koolwitjes; de eerste

komen in April en Mei. Waar hebben ze voor dien tijd gezeten? Waar en

hoe hebben ze den winter doorgebracht? Dit is een belangrijke vraag en

we moeten zorgen, dat we van alle insecten te weten komen, waar zij in

den winter en in het vroege voorjaar hebben gezeten. Dit is vooral van

belang als we te doen hebben met schadelijke insecten. Als we weten,

waar ze ’s winters zitten, dan kunnen wij ze daar doodmaken, tenminste

als we er bij kunnen komen. En wat dan in den winter wordt vernietigd,

zal in het voorjaar en de volgende maanden ons geen last veroorzaken in

den tuin of op den akker. De meeste menschen beginnen moord en brand te

schreeuwen als de insecten in grooten getale hun planten beschadigen;

en geen wonder, want de planten worden dan danig gehavend; maar waarom

hebben ze niet vroeger ingegrepen?

De beste manier om van de insecten geen last te hebben, is, zoo vroeg

mogelijk den strijd tegen hen aan te binden. De mensch moet het winnen,

als hij tenminste vroeg bij de pinken is.

Waar komen nu de eerste Koolwitjes in April en Mei vandaan? Die hebben

het geheele najaar, den winter en ook de eerste voorjaarsweken hier of

daar tegen een boom, tegen een schutting of muur gezeten; ook wel in

schuren en stallen. Maar toen waren het nog geen vlinders, doch poppen.

Wij zeggen daarom dat het koolwitje als pop overwintert. Sommige

vlinders blijven als vlinder over, b.v. de kleine vos (112) en van weer

anderen blijft de rups ’s winters over, b.v. de beerrups (125). Van den

ringelrupsvlinder (134) blijven de eieren ’s winters over. Er is dus

nog al verschil.

WAT GAAN DE EERSTE KOOLWITJES DOEN? Als we de insecten willen leeren

kennen, moeten we trachten hun heele „doen en laten” te volgen, want

alleen hieruit leeren we welke plaats deze dieren in de huishouding der

natuur innemen. Kijk, daar vliegt het Koolwitje naar een bloem. Het

gaat rechtop zitten, de vleugels naar boven toegeslagen, zoodat wij

alleen de onderzijde hiervan zien. Het werpt nu zijn roltong uit en

brengt die in de bloem. Met die roltong zuigt het honing uit de bloem.

Die honing is voedsel voor het witje. Iets anders gebruikt het beestje

niet. Het eet dus geen bladeren, geen stuifmeel, alleen maar honing, er

hiervan nog niet eens veel.

Het Koolwitje behoeft ook niet meer te groeien. Alle volwassen

insecten: vlinders, kevers, libellen, enz. groeien niet meer. Zij eten

om niet te sterven.

Hoe wist het Koolwitje, dat in de bloem honing zat? Er zijn ook

bloemen, die geen honing leveren. Het witje ruikt den honing. Op zijn

kop staan 2 lange sprieten en daarmede kan het ruiken. Wij kunnen den

honing niet ruiken op een afstand, doch het witje en de andere vlinders

wel. De insecten hebben dus een veel sterker reukvermogen dan de

mensch. Honden kunnen ook goed ruiken: jachthonden, politiehonden.

Zoo vliegt het witje van bloem tot bloem en al snoepende brengt het ’t

stuifmeel, dat aan de roltong en den kop kleeft van de eene bloem naar

de andere, waardoor flinke zaden in die bloem ontstaan. Men zegt: het

Koolwitje bevordert de Kruisbestuiving van de bloemen. Zoo hebben de

bloemen nog voordeel van het insectenbezoek; de honing brengt dus zijn

geld wel op. Bloemen en insecten helpen elkaar. Dit is een der mooiste

verhoudingen in de natuur, waarover we nog meer hebben te vertellen als

we wat verder zijn.

En doet het witje nog meer dan honing snoepen?

Zie, daar vliegt het weg en gaat op het herderstaschje zitten, een

bekend wild plantje, dat overal voorkomt. Hier gaat het niet snoepen,

doch zet aan de onderzijde van een blad zijn eitjes af.

HET EIERLEGGEN. De voorjaars-Koolwitjes leggen hun eieren meestal aan

wilde Kruisbloemigen, ook wel aan reseda en O. I. kers; wij vinden ze

ook wel aan judaspenning, die in April zoo mooi staat te bloeien. Het

Koolwitje legt de gele eitjes netjes naast elkaar aan de onderzijde der

bladeren; daar zitten ze goed beschermd tegen regen, tegen de felle zon

en tegen eierpikkers. Toch leggen sommige witjes ze weleens op de

bovenzijde; dat is dan een vergissing. Zoo’n schooltje vlindereitjes

bestaat wel uit een 100 à 150 stuks. Dat belooft dus een mooi regiment

rupsen te worden.

Wie nu geen vriend van rupsen is, en ze liever niet in zijn tuin ziet,

kan door het dooddrukken der eieren honderd en meer rupsen om zeep

brengen. Dat doen dan ook de groententelers. Die zeggen, dat het

gemakkelijker is 100 rupseneieren tegelijk te dooden dan 100 rupsen te

vangen en zoo is het ook. Niet alle vlindersoorten leggen haar eieren

in schooltjes; de atalanta en de pijlstaarten leggen ze afzonderlijk.

Sommige vlinders bedekken de eieren met haren van het achterlijf.

WAT DOET HET WITJE NA HET EIERLEGGEN? Ja, wat zal het gaan doen? Er is

een spreekwoord, dat zegt: „Aan alle lofzangen komt een eind” en dat

geldt ook voor het witje. Als het de eieren heeft afgezet, heeft het

zijn taak volbracht en gaat sterven. Dat is het gewone verschijnsel bij

de insecten; na het eierleggen sterven de dieren. En zoo komt er een

tijd, dat er in Mei haast geen Koolwitjes meer zijn; ze zijn allen

dood. Intusschen zijn uit de eieren kleine rupsjes gekropen, die

terstond aan hun boterham beginnen. Dat is altijd een voordeel voor de

rupsen: zoodra ze op de wereld komen, staat haar boterham klaar; ze

worden daarop geboren.

Het was dus heel verstandig van het Koolwitje, dat het zijn eieren op

een herderstaschje afzette. Of de Koolwitjes dan die planten alle

kennen? Iedere plant heeft een eigen geur en die geur wijst den

vlinders den weg. Een vlinder zal nooit de eieren leggen op een plant,

die de rupsen niet lusten. De jonge rupsen doen goed haar best en na

eenige weken zijn ze volwassen. Dan gaan ze zich verpoppen, en na een

kleine veertien dagen komen hieruit weer Koolwitjes. Dat is dan het

tweede of het zomergeslacht en in Juli en begin Augustus vliegt het

Koolwitje weer overal rond.

HET ZOMERGESLACHT OF DE ZOMERGENERATIE. In Juli en Augustus vliegen er

veel meer Koolwitjes dan in het voorjaar. En wat gaan deze nu weer

doen? Eerst wat honing snoepen en dan weer eieren leggen. In onze

groententuinen en bij de groentenboeren staan in Juli en Augustus

honderden en duizenden koolplanten van allerlei soort. En hierheen gaan

nu de vlinders; op de bladeren leggen ze eieren en dan vertrekken ze

weer. Hebben ze alle eieren afgezet, dan gaan ze net als de eerste

generatie, dood.

EEN RUPSENPLAAG TREEDT OP. We zeiden al, dat de tweede generatie

vlinders veel talrijker is dan de eerste. Daardoor konden er nu ook

zooveel eieren op de koolplanten worden afgezet. En als het tegen half

Augustus of begin September loopt, dan merkt de groentenboer met

schrik, dat duizenden en duizenden rupsen zijn kool aan het vernielen

zijn. Sommige planten staan er dan vreeslijk gehavend bij. Is het

aantal rupsen zeer groot, dan zegt men, dat een rupsenplaag heerscht.

HET BESTRIJDEN VAN EEN KOOLRUPSENPLAAG. In de vrije natuur komen ook

wel plagen voor, doch na verloop van langer of korter tijd komen die

vanzelf tot staan, omdat er dan geen voedsel voor de dieren meer is.

Bovendien treden dan ook dikwijls ziekten op onder de dieren. Hoe kan

men nu een koolrupsenplaag bestrijden? Het beste is een plaag te

voorkomen, door zooveel mogelijk de eierhoopjes op te zoeken en die

ineen te drukken. Maar is dit niet geschied, zijn de rupsen „heer en

meester” geworden, dan zit er niet veel anders op, dan de rupsen op te

zoeken. In een groententuintje gaat dit wel, maar als een geheele akker

vol zit, dan is dat niet te doen. Men kan de kippen er wel in jagen,

doch die beginnen al gauw aan de kool ook te pikken en dan zijn we nog

verder van huis.

Bovendien krijgen de kippen spoedig genoeg van de rupsen; ze gaan haar

tegen staan en dan geeft het ook niet. Eigenlijk kunnen wij er niet

veel aan doen als onze culturen wat uitgebreid zijn. Gelukkig leven er

in de natuur nog verschillende vijanden van de koolrupsen, die ons

helpen in den strijd tegen deze kooleters.

VIJANDEN VAN DE KOOLRUPSEN EN KOOLWITJES. Er is wel geen enkel dier,

dat geen vijanden heeft. De een loert op den ander. Een vogel loert op

een rups, en een kat tracht dien vogel naar binnen te werken. Een

kikker snapt levende insecten op en de ooievaar pakt den kikker en

brengt hem naar de jongen op het nest. Zoo gaat het overal en in de

heele natuur. De een peuzelt den ander op. En zoo hebben de koolrupsen

en de koolwitjes ook hun vijanden. Die vijanden zijn: vogels, libellen

(77–79), sluipwespen (168) terwijl in den zomer gewoonlijk nog ziekten

onder de rupsen optreden. Op deze wijze worden de koolrupsen niet

heelemaal baas, doch wordt haar aantal geregeld sterk gedund.

In het algemeen eten de vogels weinig koolrupsen, alleen de koekoek

houdt er wel van. Wel snappen de vogels van tijd tot tijd een

koolwitje; men kan wel eens zien, dat zij de koolwitjes nazitten,

snappen en het lichaam opeten. De vleugels gaan niet naar binnen;

musschen lusten wel een koolwitje. De groene sabelsprinkhaan (87) pakt

ook wel eens een koolwitje, dat tegen een grasplant zit te rusten. De

libellen, die men wel eens de „zwaluwen onder de insecten” noemt, omdat

zij al vliegend andere insecten vangen net als de zwaluwen, pikken ook

nog al eens een koolwitje op; menigmaal hebben wij dit gezien. Soms

wordt het koolwitje overvallen, maar het komt ook voor, dat het eerst

wordt nagezeten. Maar de ergste vijanden—en daardoor juist onze beste

vrienden—dat zijn de sluipwespen. Er is een klein sluipwespje, het heet

Apanteles glomeratus en is afgebeeld op plaatje 168, dat op een rups

gaat zitten en dan zijn legboor door de huid steekt en tegelijk door de

legboor een 40 of 50 eitjes schuift. Dan vliegt het diertje snel weg.

Uit die eitjes komen heel gauw maden zonder pooten en zonder oogen,

doch die goed kunnen eten. De rups heeft dus een veertig of vijftig

kostgangsters en om die allen te eten te geven, moet de rups zelf eten

als een paard, anders bezwijkt ze. Die maden eten natuurlijk de heele

rups uit en als zij volwassen zijn, is de rups zoowat geheel op. De

maden kruipen dan de rupsen uit, zij boren door de huid van de rupsen

heen en gaan direct verpoppen. Misschien heeft men wel eens een doode

rups gevonden, waarbij aan de beide zijden van het lichaam een hoopje

gele, ovale, zeer kleine coconnetjes lagen, net eitjes. Nu, die gele

dingetjes waren de popjes van de sluipwespmaden. Na 10 à 14 dagen komen

uit deze popjes zeer kleine wespjes, een paar millimeter lang.

De rups zelve is dood; gewoonlijk leeft ze na het uitkruipen der maden

nog een of een paar dagen, maar het einde is toch de dood. Het kleine

sluipwespje heeft dus èèn rups gedood en bovendien zijn er weer 40 of

50 nieuwe sluipwespjes geboren, die weer andere rupsen kunnen gaan

aanvallen. Het aantal sluipwespen wordt dus steeds grooter en daardoor

vallen er hoe langer hoe meer koolrupsen. Wij mogen die sluipwespen dus

wel in eere houden en als wij hier of daar die gele coconnetjes zien

zitten, laten wij ze ongemoeid.

Wie met deze kleine nuttige diertjes eens wil kennis maken, moet maar

eens wat koolrupsen uit den tuin halen, tegen den tijd, dat zij

volwassen zijn; licht zijn er eenige aangetaste rupsen bij.

Er is nog een andere sluipwesp, die ons ook helpt, maar die legt haar

eieren niet in de rups. Op het oogenblik, dat een gezonde rups haar

huid afstroopt en de pop voor den dag komt, is de pophuid nog zacht en

week. Dan komt een sluipwesp Pteromalus puparum, steekt haar legboor

door de zachte pophuid en schuift er zoo haar eieren in. De maden, die

hier uit komen, eten de pop uit en verlaten haar later. Ook dit is dus

een nuttig beestje.

Soms worden de rupsen ook aangetast door een soort schimmelziekte; de

rupsen worden bruin en slap en sterven. De ziekte schijnt zich snel

onder de rupsen te verspreiden. Wanneer nu veel rupsen zijn aangetast

en er komt een flinke regenbui, dan spoelen zij allen van de

koolbladeren af en na de bui lijkt het, of de rupsen zijn weggeregend.

De koolteler is dan blij, maar die vreugde beteekent niet veel, want de

dieren waren binnen enkele dagen toch gestorven. Gezonde koolrupsen

regenen niet weg. Kleine sluipwespen en kleine schimmelplanten blijken

dus onze grootste vrienden te zijn. En hoe meer wij de natuur

bestudeeren, des te grooter wordt onze bewondering voor al het

geschapene en voor het onderlinge verband, dat er tusschen de levende

wezens bestaat.

WAAR GAAN DE GEZONDE RUPSEN IN SEPTEMBER HEEN? De rupsen, die den dans

nog ontspringen, gaan zich in September gereed maken om te verpoppen.

Dat doen zij nooit aan lage planten, doch zoeken liefst op boomen,

schuttingen, muren, stokken, in één woord die plaatsen, waar zij hoog

boven den grond zich kunnen neerzetten. Als het mogelijk is zoeken zij

een afdakje, waaronder ze droog zitten; dat merkt men goed aan houten

schuttingen. Is er in de buurt geen goede gelegenheid, b.v. als de

rupsen op een koolveld zijn groot geworden, dat wat ver het land in

lag, dan marcheeren zij met elkaar op en gaan een goede gelegenheid

zoeken. Dan ondernemen zij soms heele tochten. Het is een aardig en

vreemd gezicht, zoo’n troep „landverhuizers” tegen te komen. Hebben ze

een geschikte plaats gevonden, dan gaan ze verpoppen en blijven daar

den geheelen winter zitten. Het is een interessant gezicht hoe dat

verpoppen geschiedt, want de rups spint eerst een gordel, waarin de pop

komt te hangen. Men kan dat heel gemakkelijk zien, als men de rupsen

thuis opkweekt. Uit deze winterpoppen komen nu in het voorjaar weer de

eerste koolwitjes en dan begint het lieve leventje opnieuw. Er komen

per jaar dus twee geslachten of generaties voor; als het weer zeer

gunstig is, kunnen er in 2 jaar wel eens 5 generaties ontstaan.

Merkwaardig is het, dat de zomervorm wat grooter is, aan de onderzijde

der vleugels wat lichter geel en ook minder zwart. Dat komt bij

insecten meer voor, dat twee opeenvolgende geslachten niet precies

gelijk zijn. Het weer, de temperatuur en ook het voedsel, schijnen

hierop invloed te hebben.

DE BETEEKENIS VAN DE KOOLWITJES VOOR DEN MENSCH. Na al het voorgaande

zal iedereen daarover zijn oordeel wel kunnen zeggen en dat oordeel zal

wel eensluidend zijn. De koolrupsen zijn voor den mensch schadelijk. En

dat alleen omdat zij dezelfde neiging hebben als de mensch: ze lusten

ook graag kool. Dat kunnen de koolrupsen niet helpen, maar zij zullen

het ons dan ook niet kwalijk nemen, dat wij haar daarom bestrijden.

En hoe mooi de koolwitjes ook zijn, ’t zijn inderdaad lieve dieren—we

moeten ze bestrijden, omdat zij in haar jeugd, een rups is immers een

jonge vlinder, onze culturen in de war sturen. En hoe gaarne we met

alle dieren in vrede leven, met de koolrupsen gaat dat niet.

DE BETEEKENIS VAN DE KOOLWITJES IN DE VRIJE NATUUR. Nu kunnen wij wat

goeds vertellen. Zooals wij zagen, halen de vlinders honing uit de

bloemen en brengen dan tegelijk stuifmeel van de eene bloem naar de

andere waardoor een goede zaadvorming wordt ingeleid. Voor de zaadteelt

zijn zij dus wel nuttig, net als de bijen en hommels. En de rupsen?

Zoolang het wilde planten betreft, doen zij ook eenig nut. Zij zorgen

er voor, dat er niet te veel kruisbloemigen komen, want zij eten er

vele op. Zoodoende bewaren zij min of meer het evenwicht onder de

planten.

Het doet ons genoegen, dat wij ten slotte toch nog iets goeds van de

koolrupsen hebben kunnen zeggen.

Uit het medegedeelde kunnen wij nu het volgende vastleggen:

1º Een vlinder doorloopt 4 stadiën of toestanden; hij is eerst een

ei, hieruit komt een larve, die rups heet, als deze voldoende is

gegroeid trekt zij de rupshuid voor de laatste maal uit en wordt

een pop; in dezen toestand wordt geen voedsel opgenomen; ten

slotte komt uit de pop een vlinder. Men zegt, dat een vlinder een

gedaanteverwisseling doorloopt.

2º Een volwassen insect, een kever, een vlinder, een bij, enz.

noemt men een imago.

3º Het jonge dier, dat uit een insectenei komt, noemt men een

larve. Soms hebben die larven nog speciale namen, als: rups, made,

enz.

4º Insecten eten in hun jeugd soms heel andere stoffen dan als

imago; een koolrups eet koolbladeren, een koolwitje honing.

5º Insecten hebben ook vijanden, n.l. vogels en ook andere

insecten.

6º Sommige insecten eten andere insecten gedurende hun leven geheel

uit, zooals de maden van een sluipwesp de koolrups uiteten; die

uiteters noemt men parasieten.

7º Vlinders kunnen goed ruiken; dat kunnen trouwens alle insecten

goed.

8º Vlinders leven meestal maar kort; als ze eieren hebben gelegd,

gaan ze dood.

9º Voor het eierleggen zoeken de vlinders planten uit, die door de

rupsen gaarne gegeten worden.

10º ’s Winters is er geen enkel koolwitje te vinden; alleen zijn er

dan poppen.

Nederlandsche Insecten · 第 6 / 72 题