Verwant hiermede is het bijv. op Celebes voorkomende gebruik, den

ziektedemon in een beeld te tooveren en dit vervolgens angstvallig te

schuwen.

Wij zien dus, hoe een oeroud animistisch geloof zich nu nog bij

primitieve volkeren handhaaft, terwijl het bij een meer beschaafd volk

(de oude Egyptenaren) aanleiding gaf tot grove bedriegerij.

Proclus vermeldt ook[105] dat "sommigen door het sap van nachtschade en

andere gewassen zich in de oogen te druppelen beelden van demonen in de

lucht zien", zooals dan ook werkelijk door ooginspuitingen

"hallucinaties" kunnen worden opgewekt. In de tooverpapyri vindt men ook

dienomtrent aanwijzingen, maar de meest belangrijke passage is te

onduidelijk om haar hier aan te halen; wij moeten ons dus met een ander

veel minder treffend, maar toch belangwekkend specimen behelpen[106].

"Eene bezwering ter verkrijging van een onmiddellijk visioen.

Eeim, To, Eim, Alalēp, Barbariath, Menebreio, Arbathiaōth,

Iouel, Iael, Ouenēiie, Mesommias. De god kome, dien ik voor mij

raadpleeg, en ga niet weg voordat ik hem zal hebben vrijgelaten.

Ournaour, Soul, Zasoul, Ouot, Nooumbiaou, Thabrat, Beriaou,

Achthiri, Marai, Elpheon, Tabaoth, Kirasina, Lampsourē, Iaboe,

Ablanathanalba, Akrammachamarei. [Doe water] in eene bronzen kom

met olie [er op, z.b.], zalf uw rechter oog met water uit een

verongelukt schip en het linker met eenig koptisch antimonium met

het water vermengd. Indien gij geen water uit een verongelukt schip

kunt vinden, dan van een ondergedompeld uit teen gevlochten

veerschuitje."

Proclus spreekt van diergelijke "autopsieën" als uit eigen ervaring en

tracht ook hun ontstaan nader toe te lichten:

"De goden laten vele gestalten voor zich uitgaan en vertoonen vele

afwisselende figuren; nu eens gaat een vormeloos vuur voor hen uit,

dan een dat tot de gedaante van een mensch is gevormd en dan een

dat weer eene andere gestalte heeft aangenomen"[107].

"Terwijl de goden zelven onveranderlijk blijven en er niets bij

verkrijgen of verliezen, gaan goddelijke verschijningen voor hen

uit, die in de ruimte om ons heen ontstaan. Want daar de

aanschouwenden lichamelijk en de goden zelven onlichamelijk zijn,

hebben de visioenen die ze aan hen, die zulks waardig zijn, toonen,

iets van de toonenden, maar ook iets, dat aan de aanschouwenden

verwant is. Daarom worden zij ook gezien en niet door allen gezien.

Want de aanschouwenden zelven zien ze door middel van de stralende

omhulsels der zielen. Men ziet ze althans vaak als de oogen omhuld

zijn"[108].

De theorie, dat de mensch nog een fijner organisme dan het

grofstoffelijke lichaam bezit, vindt men in Plotinus' geschriften

slechts eventjes aangeduid (Enn. I, 1, 7; VI, 4, 15), maar reeds bij

Porphyrius[109] is ze in dier voege ontwikkeld, dat hij verscheidene

"omhulsels" der ziel aanneemt. Damascius, een denker uit de zesde eeuw,

spreekt o.m. van een "sterreachtig"[110] voertuig der ziel; vandaar

blijkbaar de uitdrukking, "astraal" lichaam, thans bij voorkeur door de

theosophen gebezigd. Bij de spiritisten vindt men ook de uitdrukking

"perisprit". Volgens onderzoekers, wier wetenschappelijkheid aan geen

twijfel onderhevig is, schijnt de hypothese van zulk een ijler lichaam

noodig, om zekere "mediamieke" verschijnselen te verklaren.

De Christelijke kerk heeft zich officieel, d.w.z. bij monde van

concilies, tegen de magie uitgesproken.

De zesde canon (regel) van de synode, in 306 (?) te Elvira (in Spanje)

gehouden, luidt:

"Indien iemand door middel van tooverij een ander doodt, mag hem,

omdat hij dit misdrijf niet zonder afgodendienst kon volvoeren,

zelfs bij het einde [des levens] het avondmaal niet worden

toebediend".

Ook hieruit blijkt, zooals wij reeds in IV hebben gezien, dat men de

tooverij in noodzakelijk verbond achtte te staan met den dienst der

goden.

Opmerkelijk is ook de vierentwintigste canon van de Synode te Ancyra (in

Klein-Azië), uit het jaar 314:

"Zij, die waarzeggen en de gewoonten der volkeren [d.w.z. der

niet-Christenen] volgen, of lieden in huis halen teneinde

toovermiddelen op te sporen of reinigingen te voltrekken, moeten in

de voorgeschrevene vijfjarige boete vervallen naar de bepaalde

graden van drie jaren kniebuiging en twee jaren gebed zonder

offer".

De zesendertigste canon van de synode te Laodicea (tusschen 343 en 381?)

bepaalt:

"De hoogere en lagere clerici mogen geen toovenaars, bezweerders,

of sterrewichelaars wezen, noch zoogenaamde amuletten vervaardigen

die boeien voor hunne eigene zielen zijn. Diegenen echter, die deze

amuletten dragen moeten buiten de kerk worden gesloten".

De zestiende canon van eene synode, na het midden der vijfde eeuw in

Ierland gehouden, liep over tooverij.

Dat men echter in de practijk niet altijd de stengste opvatting

huldigde, blijkt o.m. uit hetgeen Rufinus in zijne "Kerkgeschiedenis"

(omstreeks 402 geschreven) aangaande den H. Spiridion, een bisschop op

Cyprus en tijdgenoot van Constantijn den Grooten, bericht (I, 5):

"Hij had eene dochter, Irene genaamd, die altijd hare plichten

jegens hem trouw vervulde en die als maagd stierf. Na haar

overlijden kwam iemand die zeide dat hij aan haar eenig deposito

had toevertrouwd. De vader wist niets van de zaak af. Men doorzocht

het geheele huis maar vond nergens het verlangde. Toch bleef hij,

die het deposito had toevertrouwd, met geween en tranen aandringen;

hij verzekerde zelfs aan zijn leven een einde te zullen maken, als

hij het deposito niet terug kreeg. De vader, door zijne tranen

bewogen, snelde naar het graf van zijne dochter en riep haar bij

den naam. Toen riep zij uit het graf: "Wat wilt gij, Vader?" Hij

vroeg: "Waar hebt gij het deposito van den man neergelegd?" Daarop

wees zij hem de plaats aan en zeide: "Daar zult gij het ingegraven

vinden". De vader keerde naar huis terug en gaf het deposito, dat

gevonden werd zooals de dochter uit het graf had geantwoord, terug

aan hem die het opeischte."

Die handeling van den H. Spiridion, wiens naam hoogst opmerkelijk is,

doet ons onwillekeurig aan de bezwering van Melissa denken, die wij in

ons eerste hoofdstuk hebben vermeld.

De kerkelijke schrijver Lactantius (omstreeks 310), om zijn vloeienden

stijl als de "Christelijke Cicero" geprezen, doet ons door eene hoogst

onbevangene uiting over de necromantie, onwillekeurig aan Justinus den

martelaar denken (vgl. hoofdstuk IV).

Weliswaar spreekt ook hij in zijn hoofdwerk Goddelijke instellingen"

(II, 16) van de "doodenbezwering en de tooverkunst en wat de menschen

verder aan kwaad openlijk of in 't geheim uitvoeren", en van de "magiërs

en diegenen, die het volk terecht boosdoeners noemt", weliswaar denkt

ook hij hierbij zonder weifelen aan den invloed van demonen "vijanden en

kwellers der menschen" (c. 15), maar als het er op aankomt, de

onsterfelijkheid der ziel te bewijzen, slaat hij een geheel anderen,

meer objectieven toon aan (VII, 13):

"Onwaar is het gevoelen van Democritus, Epicurus en Dicaearchus

[een volgeling van Aristoteles] dat de ziel zou worden opgelost.

Zij zouden zeker niet durven spreken van den ondergang der zielen

in tegenwoordigheid van een magiër, die wist, dat de zielen door

zekere bezweringen uit de onderwereld worden opgeroepen en

tegenwoordig zijn en zich aan menschelijke oogen vertoonen en

spreken en de toekomst voorspellen, en als zij [nl. de ongeloovige

wijsgeeren] het dorsten, zouden zij door het feit zelf en de

rechtstreeksche bewijzen weerlegd worden".

Minder onbevangen dan Lactantius was zijn jongere tijdgenoot Eustathius

van Antiochië, die een verwoeden aanval heeft gericht tegen Origenes'

bovenvermelde bijbellezing over de "tooveres van Endor." Daarbij neemt

hij redeneeringen te baat als volgt (c. 5): "Deed de vrouw Samuël

opkomen met lichaam en al of bekleed met eenigen vorm op de wijze van

een schaduwomtrek? Indien ze hem zonder lichaam deed opkomen, liet ze

niet Samuël weer opstaan, maar de gedaante van een geest. Want de echte

Samuël is de uit ziel en lichaam samengestelde, de mensch die eene

evenredige mengeling uit beide heeft", enz. Ook beweert hij (c. 12

vlg.), dat de voor Samuël zich uitgevende demon zegt: "Morgen zult gij

en Uw zoon Jonathan bij mij zijn", en derhalve in tegenspraak is met de

schrift, waarin uitdrukkelijk staat "dat Saul tegelijk met drie zonen

gedood is, maar niet met één alleen." Origenes haalt echter c. 5 i.f.

den gewonen tekst aan, nl.: "Morgen zult gij en uwe zonen bij mij zijn",

en waar Eusthathius zijne tekstvariante van daan heeft, is ons onbekend.

Op hetzelfde niveau staan de beschouwingen van Gregorius van Nyssa (in

Klein-Azië) over de toovenares in een brief aan den bisschop Theodosius

sius (tweede helft vierde eeuw), vgl. p. 202 v/203 r:

"De demon heeft ook tegen wil en dank zich zelf verraden door de

waarheid te zeggen: "Morgen zult gij en Jonathan bij mij zijn."

Want indien het waarlijk Samuël was, hoe kon het dan, dat Saul, die

wegens alle mogelijke boosheid was veroordeeld, bij hem zou komen?

Maar 't is duidelijk, dat de booze geest, die in de plaats van

Samuël gezien werd, niet loog, toen hij zeide dat Saul bij hem zou

zijn. Indien echter de schrift zegt "en Samuël zeide", laat dan

eene zoodanige uitdrukking een kundige niet in verwarring brengen

maar laat hij meenen, dat er bijstaat "die geloofd werd Samuël te

zijn", want wij vinden dat de Schrift vaak spreekt van het

schijnbare in de plaats van het werkelijke."

Tot zulke redeneeringen moest men wel komen als men er van uitging dat

"Samuël groot onder de heiligen, de tooverij echter eene booze zaak is"

(201 v).

Hoogst belangwekkend is een geschrift dat waarschijnlijk uit den tijd

van Julianus den afvallige dagteekent, nl. de legendaire "Confessie van

den H. Cyprianus" (niet den kerkvader), die zijne ziel aan den duivel

had verkocht, maar zich bekeerde en verlossing vond. In genoemde

"Confessie" verhaalt Cyprianus uitvoerig zijn loopbaan en biecht op wat

hij als toovenaar heeft misdreven. Wij halen hier een en ander uit aan,

te beginnen met de uitermate kenschetsende woorden (c. 7):

"Ik was een wonderdoener als een uit den ouden tijd en gaf proeven

van mijne tooverkunst; ik was vermaard als een magiër-philosoof,

daar ik veel begrip had van de ongeziene dingen."

Het volgende citaat, uit c. 12, handelt over de magische vertooning van

schijnbeelden, die reeds vroeger in dit hoofdstuk ter sprake is gekomen:

"Voor de grap maakte ik dat water in de woestijn scheen te stroomen

en plassen in de huizen scheen te vormen."

En in c. 13 luidt het desgelijks:

"Ik liet ook dooden als levenden voorkomen en lammen als

loopenden."

Maar hij gebruikte zijne tooverkunst nog voor geheel andere doeleinden

(c. 12):

"Ik maakte dat vrouwen van hunne mannen naar boeleerders gedreven

werden.... ik heb geheele families aan 't verderf overgeleverd."

Voor de ergste gruwelen deinsde hij niet terug (c. 11):

"Ik heb zwangere vrouwen ter wille van de demonen opengesneden ...

ik heb vele ... demonen door diergelijke offers verzadigd om op die

manier tot den duivel zelf te genaken. En toen ik op het punt stond

naar hem toe te gaan, bracht ik hem het bloed van elk levend wezen

in een gouden schaal. Hij nam het aan, besprenkelde eerst zijne

kroon er mee en zijne dienstbare machten, vervolgens ook mij en

zeide: "Ontvang ook gij macht over alle zielen van onredelijke en

redelijke wezens."

Uitvoerig zet Cyprianus uiteen, hoe de duivel en de demonen mirakelen

bewerken (5 vlg):

"In alle sterren en planten en in de scheppingen des Heeren heeft

hij gelijkenissen met zich samengevlochten, tot den oorlog tegen

God en Diens engelen. Daardoor brengt hij de menschen aan 't dwalen

als ware hij God, hoewel hij niets in substantie bezit, maar alles

bij wijze van eene schimachtige schilderij voorstelt en vertoont.

Vandaar dat de demonen, wanneer zij in gedaanten verschijnen zich

oplossen, al beijveren zij zich om althans door middel van beelden

hunne macht te toonen.

Hoe hij echter materie voor deze schaduwen heeft, zal ik zeggen:

nergens anders vandaan dan van de offers. Want de walmen der

offerdampen worden voor hem materiaal, als wol en linnen en

weefsels en verven en werktuigen. En daarin hullen zich de demonen,

de schaduwen ervan in de plaats van gestalten gebruikende. Daarom

eischt hij een offer, tot dat van eene mier toe en verlangt hij

wateren en wol en vruchten en alle dingen op aarde, om daarvan

gebruik te maken tot het vormen van schijnbeelden. Evenals wij de

herinneringen aan overledenen als beelden in onze gedachte hebben,

en hen zien, terwijl ze niet verschijnen en met hen verkeeren

terwijl ze niet bij ons zijn, aldus neemt ook de duivel afdrukken

van de vormen der hem gebrachte offers en omgeeft zich en de zijnen

er mee, regen gevende maar geen water, vuur makende, maar dat niet

brandt, een visch gevende maar geen spijs, en goud schenkende, maar

dat niet werkelijk is. Ook uit de andere stoffen schept hij vormen

en toont eene stad en huizen en landstreken en bergen en

vadersteden, en evenzeer ook gras en bloemen en wolstoffen en

geborduurde doeken en de substantie van droomen.... En al deze

schijnbeelden vormt hij, maar de goddelooze menschen stellen hem

door hun dienst in staat ook dit te doen."

Cyprianus erkent dan ook (c. 11):

"Mijne weldaden gaven geen baat, daar zij geen substantie hadden

... Als ik iemand goud gaf, duurde het drie dagen, weshalve

diegenen, wien ik den truc mededeelde, het snel wisselden tot

schade van de wisselaars."

Augustinus, de beroemdste der kerkvaders, "een philosophisch en

theologisch genie van den eerste rang", die zoo vele onderwerpen van

zielkundigen aard met scherpzinnig vernuft heeft behandeld, weidt ook

over de magie herhaaldelijk uit, voornamelijk in zijn hoofdwerk "De

staat Gods" (tusschen 413 en 427 geschreven). Hij legt in de eerste

plaats (VIII, 19) er den nadruk op, dat reeds vóór het Christendom de

tooverij door de wetten zwaar werd gestraft en beroept zich o.m. op de

passage uit Vergilius (z.b. III) waar Dido verzekert, tegen haar zin de

toevlucht tot magische kunsten te nemen. Ook wijst hij er op, dat

Apuleius, toen men hem van tooverij beschuldigde (z.b. IV), alles deed

om zijne onschuld aan te toonen en zich volstrekt niet op magische

vaardigheden beroemde, zooals de Christenen op hun geloof, ondanks alle

vervolgingen.

Met onverholen afschuw spreekt Augustinus (in X, 9) van de "bezweringen

en tooverzangen, vervaardigd door die gruwelijk nieuwsgierige kunst, de

magie, met een meer verachtelijken naam goëtie, met een meer eervollen

theürgie geheeten door hen, die deze practijken als 't ware trachten te

onderscheiden en welke van hen, die zich aan ongeoorloofde kunsten

overgeven, diegenen, die ook het volk voor boosdoeners uitmaakt,

verdoemelijk achten--want zij zouden zich immers met goëtie

afgeven--anderen echter voor prijzenswaardig willen laten doorgaan, die

al de theürgie beoefenen. Beiden echter zijn gebonden aan de

bedriegelijke gebruiken waarmee men de demonen, onder den naam van

engelen vereert".

Naar aanleiding van de tooverijen van Circe, in ons eerste hoofdstuk

vermeld, en van een bericht bij Varro (vgl. III begin), dat in Arcadië

zij, die een zekeren poel doorzwommen, in wolven veranderd werden, maar,

wanneer zij geen menschenvlees hadden gegeten en na negen jaren

denzelfden poel doorzwommen, hunne menschelijke gedaante herkregen

(XVIII, 17), stelt Augustinus zich (in c. 18) de vraag: "Wat moet men

gelooven van de gedaanteverwisselingen, welke door de kunst der demonen

de menschen schijnen te overkomen?" en beantwoordt haar op de volgende

hoogst opmerkelijke wijze:

"... Als wij zeggen dat men er niet aan moet gelooven, dan staat

daar tegenover, dat het ook nu nog niet aan personen ontbreekt, die

verzekeren vernomen of zelf te hebben ondervonden. Ook ik hoorde,

toen ik in Italië was, iets dergelijks van eene zekere streek

aldaar, waar men zeide dat herbergiersters, doorkneed in die booze

kunsten, gewoon waren, aan welke reizigers ze wilden of konden,

iets in de kaas te geven, waardoor dezen terstond in trekdieren

veranderd werden en allerlei benoodigdheden droegen en na gedanen

arbeid hunne vroegere gedaante herkregen; dat echter hun geest niet

dierlijk werd, maar het redelijke en menschelijke bewaarde, zooals

Apuleius in zijn boek, waaraan hij den titel "De gouden ezel" gaf,

vermeld of verdicht heeft, dat het hem zelf is overkomen om, door

opnemen van vergif, een ezel te worden, terwijl zijne ziel die van

een mensch bleef.

Dit is òf onwaar òf zoo ongewoon, dat men het te recht niet

gelooft. Echter moet men onwrikbaar gelooven, dat de almachtige God

alles kan doen wat Hij wil, hetzij om te straffen, hetzij om genade

te betoonen, en dat de demonen ... niets bewerken dan wat Hij

toelaat, wiens oordeelen vaak verborgen maar nooit onrechtvaardig

zijn. In geen geval scheppen de demonen substanties wanneer zij

iets dergelijks doen als waarover nu de quaestie loopt, maar zij

veranderen naar 't uiterlijk hetgeen door den waren God is

geschapen, zoodat het schijnt te zijn wat het niet is. Ik geloof

dus geenszins dat--om van de ziel geheel te zwijgen--zelfs het

lichaam op eenige wijze door de kunst of macht der demonen

werkelijk in dierlijke ledematen en gestalten kan worden veranderd,

maar wél, dat het voorstellingsvermogen van den mensch, dat ook in

't denken en droomen ontelbare soorten van voorwerpen afwisselend

uitbeeldt, en, hoewel zelf geen lichaam, toch met wonderbaarlijke

snelheid vormen aanneemt, die op lichamen gelijken, eveneens,

wanneer de lichamelijke zintuigen des menschen in slaap bevangen of

bedwelmd zijn, op onuitsprekelijke wijze in een lichamelijke

gedaante binnen het bereik van eens anders zintuigen kan worden

gebracht, zoodat, terwijl de lichamen zelven der menschen ergens

liggen, wel is waar levend, maar met meer verdoofde zinnen dan ooit

in den slaap, het voorstellingsvermogen als 't ware

verlichamelijkt, in het beeld van eenig dier aan eens anders zinnen

verschijnt, en dat de mensch ook zich zelf verbeeldt een dier te

zijn, zooals hij zich dat in den droom kan verbeelden, en lasten te

dragen; welke lasten, als ze inderdaad lichamen zijn, door de

demonen gedragen worden, om de menschen te foppen, die deels de

ware lichamen van lasten, deels de valsche van trekdieren zien. Een

zekere Praestantius toch verklaarde dat het zijn vader overkomen

was, bedoeld vergif in een kaas thuis tot zich te hebben genomen en

op zijn bed als in slaap te liggen, waaruit hij echter op geen

manier kon worden opgewekt. Na eenige dagen was hij echter als 't

ware ontwaakt en had zijne ondervindingen als een droom verteld,

dat hij nl. een paard was geworden en te midden van andere

trekdieren voor de soldaten graan had getransporteerd, dat het

Raetische heet, omdat het naar Raetië [ong. Tyrol en Zuid-Beieren]

wordt vervoerd. Bij onderzoek bleek het aldus geschied te zijn als

hij vertelde; en toch scheen het hem een droom toe. Een ander

verklaarde, dat hij, in zijn eigen huis 's nachts, voor hij ter

ruste ging, een philosoof, een van zijne beste kennissen, tot zich

zag komen, die hem eenige Platonische denkbeelden uiteenzette, die

hij vroeger, hoezeer er om verzocht, niet had willen uiteenzetten.

En toen men dien philosoof vroeg, waarom hij in het huis van een

ander had gedaan wat hij in zijn eigen huis had geweigerd te doen,

zeide hij: "Ik heb het niet gedaan, maar gedroomd dat ik het gedaan

had". En aldus is aan den een door middel van het

voorstellingsbeeld tijdens zijn waken vertoond wat de ander in zijn

droom zag.

Dit is niet door den eerste den beste, wien men voor

ongeloofwaardig zou kunnen verklaren, tot mij gekomen, maar door

zegslieden van wie ik niet mag aannemen, dat zij mij belogen

hebben. Wat men dus zegt en ook in boeken vermeld vindt, dat door

de Arcadische goden of liever demonen, menschen in wolven plachtten

te worden veranderd en dat

Circe Odysseus' makkers herschiep door toovergezangen,

schijnt mij toe op deze wijze te hebben kunnen gebeuren, als het

werkelijk gebeurd is."

De brandende vraag of Samuël zelf zich aan Saul heeft gemanifesteerd,

liet ook Augustinus niet onverschillig.

In zijn geschrift "Over verschillende vragen" aan Simplicianus (van 397

dagteekenende) zegt hij (II. vr. IV, 1):

"Gij vraagt, of de onreine geest, die in de toovenares was,

bewerken kon, dat Samuël door Saul gezien werd en met hem sprak.

Maar het is een veel grooter wonder, dat Satan zelf, de vorst aller

onreine geesten, met God vermocht te spreken en Hem verzocht, Job,

dien allerrechtvaardigsten man, op de proef te mogen stellen.... En

indien dit U schokt, dat het aan een boozen geest vrij stond de

ziel van een rechtvaardige op te wekken en als 't ware uit de

geheime verblijfplaatsen der dooden te voorschijn te roepen, moet

het dan niet meer verbazing wekken, dat Satan den Heer zelf opnam

en op de tinne des tempels zette? Op welke wijze hij het ook gedaan

heeft, de manier waarop het aan Samuël overkomen is, opgewekt te

worden, blijft ons evenzeer verborgen. Of men moest soms zeggen,

dat het voor den duivel eene gemakkelijkere vrijpostigheid was, den

levenden Heer mee te nemen van waar hij wilde en neer te zetten

waar hij wilde, dan den geest van den overleden Samuël uit zijn

verblijf op te wekken. Maar indien ons dit in het Evangelie daarom

niet hindert, omdat de Heer wilde en toeliet dat het geschiedde,

zonder eenige vermindering van zijne macht en goddelijkheid,

evenals Hij door de Joden zelven, ofschoon dezen verdwaasd en vuil

waren en de werken des duivels deden, zich heeft laten vasthouden

en boeien en bespotten en kruisigen en dooden: dan is het ook niet

absurd om te gelooven, dat door eene zekere uitzonderingsbepaling

van den goddelijken wil toegestaan werd, dat de geest van den

heiligen profeet, niet tegen zijn zin noch door gebiedende en

noodzakende tooverkracht, maar gewillig en aan de geheime

beschikking Gods, welke aan die toovenares en Saul ontging,

gehoorzamende, er in toestemde om zich aan den blik des konings te

vertoonen, ten einde hem door eene goddelijke uitspraak te

verpletteren. Waarom toch zou de ziel van een goed mensch, als zij,

door booze levenden opgeroepen, verscheen, hare waardigheid

verliezen, daar ook levende goede menschen dikwijls op bevel tot

boozen komen en met hen verhandelen over 't geen plicht en

billijkheid vereischt, terwijl ze daarbij hunne eer en deugd

ongerept bewaren en tegenover de ondeugden van de anderen zulk eene

houding aannemen, als in overeenstemming is met de omstandigheden?"

Helt Augustinus hiermede tot de zienswijze van Origenes (z.b.) over, hij

zou toch liever den uitweg van Tertullianus willen inslaan (2):

"Er is echter bij dit feit een andere gemakkelijkere uitweg en eene

meer geschikte verklaring mogelijk, nl. om aan te nemen, dat niet

werkelijk de geest van Samuël uit zijne rust is opgewekt, maar een

fantoom en een spel van verbeelding door de machinatiën van den

duivel zijn voorgesteld, hetwelk de Schrift daarom met den naam van

Samuël noemt, omdat de beelden der dingen met de namen van datgene

plegen genoemd te worden, waarvan zij beelden zijn.... Wie toch

aarzelt, een geschilderd mensch een mensch te noemen?... Het is dus

geen wonder, wanneer de Schrift zegt dat Samuël gezien is, indien

ook bij geval slechts een beeld van Samuël verscheen, door de

machinatie van hem, die zich in een engel des lichts verandert en

zijne dienaren in dienaren der gerechtigheid".

Alles overwegende en geen uitspraak willende doen in de vraag of de

menschelijke ziel na dit leven al of niet door magische bezweringen kan

worden opgeroepen en verschijnen, komt Augustinus (3), hoewel

"schoorvoetende, om niet meer nauwgezette onderzoekingen van te voren

uit te sluiten" tot de conclusie om "liever aan te nemen" dat "door de

booze medewerking van die toovenares" hier de eene of andere satanische

illusie is te weeg gebracht.

In een later geschrift "Over de acht vragen van Dulcitius" (niet vóór

421) haalt hij in vr. VI het voorgaande betoog over de kwestie aan,

voegt er echter aan toe (5):

Magie bij de Grieken en de Romeinen · 第 12 / 13 段