"Maar dat ik niet te vergeefs gezegd heb, dat wij, om geen meer

nauwgezette onderzoekingen van te voren uit te sluiten, [niet dan]

schoorvoetende moesten aannemen, dat bij dit feit een schijnbeeld

van Samuël door de booze medehulp van de toovenares is vertoond,

dat heeft mijn later onderzoek mij geleerd, daar ik gevonden heb,

dat in het boek van Jezus Sirach, waarin de aartsvaders van de rij

af geprezen worden, Samuël in dier voege geprezen wordt, dat het

heet: "Hij heeft ook nog na zijn dood geprofeteerd [XLVI, 23]".

Mocht men echter ook dit boek tegenspreken op grond van den canon

der Hebreeën, omdat het zich daarin niet bevindt: wat moeten wij

van Mozes zeggen, die zeer zeker volgens Deuteronomium [XXXIV, 5]

stierf en volgens het Evangelie [Matth. XVII, 3] met Elia, die niet

stierf, aan levenden is verschenen?"

Ook in zijn geschrift "Over de vereering, de dooden te betoonen" (niet

vóór 421) heeft zich Augustinus (XV, 18) op dezelfde wijze uitgelaten.

De grootste der kerkvaders is dus, wat de doodenbezwering te Endor

betreft, ten slotte tot dezelfde conclusie gekomen als ook heden ten

dage de meest gezaghebbende theologen en ten allen tijde de onbevangene

lezers, dat nl. het verhaal in den Bijbel (I Sam. 28,5--20), zooals het

er staat, eene reëele verschijning van Samuël veronderstelt.

De theürgie in den eigenlijken zin des woords, d.w.z. de kunst om met

bovenmenschelijke wezens in aanraking te komen, wordt door Augustinus in

den "Staat Gods" fel bestreden. Van het feit, dat de Neoplatonicus

Porphyrius in zijn brief aan Anebo (z.b.) twijfelingen opperde, trekt de

kerkvader in X, 11 ruim partij; het antwoord van Abammon (Iamblichus)

schijnt hem te zijn ontgaan. Toch kan ook Augustinus niet alle feiten

geheel wegcijferen, al beknibbelt hij ze zooveel mogelijk en al maakt

hij er zich in de moeilijkste gevallen met eene uitvlucht van af:

"Wat betreft het feit, dat, zooals Porphyrius vermeldt, zij die

deze, [de theürgische] vuile reinigingen volgens heiligschendenden

ritus uitoefenen, sommige wonderbaarlijk schoone beelden, hetzij

van engelen hetzij van goden, als met gezuiverden geest zien

(indien zij ten minste iets zoodanigs zien) dan bevestigt dit het

woord van den apostel dat "Satan zich verandert in een engel des

lichts". Van hem toch zijn die fantomen, van hem, die, begeerende

de rampzalige zielen door de bedriegelijke vereering van vele

valsche goden te verstrikken en van den waren dienst des waren

Gods, den eenige door wien men gereinigd en geheeld wordt, af

keerig te maken, zich zelf, zooals van Proteus is gezegd,

in alle gedaanten verandert,

vijandelijk vervolgende, bedriegelijk helpende, altijd

verdervende [X, 10]."

Bij het vermelden van die schoone verschijningen denken wij

onwillekeurig aan de bezwering der demonen door Iamblichus, boven

uitvoerig beschreven.

Met dat al erkent Augustinus (X, 16.) de realiteit van andere, naar

moderne opvatting veel krassere "wonderen der goden", "waarvoor de

geschiedenis borg staat", "die klaarblijkelijk door hunne kracht en

macht geschieden", bijv.:

"dat eene Vestaalsche maagd, wier zuiverheid in twijfel werd

getrokken, het geding beslechtte door eene zeef met water uit den

Tiber te vullen, zonder dat het doorliep. Deze en andere wonderen

van dien aard zijn geenszins naar macht en grootte met die te

vergelijken, welke, naar wij lezen, aan het volk Gods zijn

geschied, hoe veel te minder die wonderen, welke door de wetten

zelfs van die volkeren, die zulke goden vereerden, verboden en

gestraft werden, nl. de wonderen der magie of theürgie! De meesten

daarvan bedriegen slechts in schijn de sterfelijke zintuigen door

het spel der verbeelding, zooals bijv. het omlaag halen der maan

... enkele schijnen wel is waar feitelijk sommige daden der vromen

te evenaren, maar het doel, waardoor ze worden onderscheiden, toont

dat onze wonderen buiten vergelijking de meerdere zijn."

In zake deze laatste opmerking verwijzen wij naar het onderscheid dat

Origenes maakt tusschen de wonderen van Jezus en die der toovenaars

(z.b.). Voorts zij van Augustinus nog eene passage aangehaald, waarin

hij evenzeer op gelijke wijze als andere reeds boven door ons vermelde,

christelijke schrijvers redeneert (X, 8):

"Den magiërs van Pharao werd daarom toegestaan, eenige wonderen te

verrichten, ten einde op wonderbaarlijkere wijze te worden

overwonnen. Zij toch werkten door middel van booze tooverijen en

magische bezweringen, waaraan de booze engelen, d.w.z. de demonen,

zijn onderworpen; Mozes echter heeft met grootere macht, omdat hij

het recht aan zijne zijde had, in den naam Gods, die hemel en aarde

schiep, met hulp der [goede] engelen hen gemakkelijk overwonnen".

Zonder de redeneeringen van Augustinus aan eene ingrijpende kritiek te

onderwerpen, moeten wij er toch de aandacht op vestigen, dat hij uit het

oog schijnt te hebben verloren, dat de vroegere wetten de magie

geenszins als zoodanig, maar slechts wanneer zij tot booze doeleinden

werd misbruikt, bestraften en dat men ook van overheidswege, zooals wij

herhaaldelijk hebben opgemerkt, wel eens de hulp van toovenaars heeft

ingeroepen.

Al die bestrijding door conciliën en kerkvaders heeft echter niet kunnen

verhinderen, dat ook Christenen volgens de overoude methoden, tooverij

uitoefenden. In Egypte bijv. zijn tooverpapyri gevonden, toebehoorende

aan een magiër uit de achtste eeuw n. Chr., maar waarschijnlijk

grootendeels van vroeger dateerende. Wij willen tot besluit, hier nog

een en ander uit aanhalen:

"Spreuk tot vergemakkelijking der geboorte.

Toen de Heiland met zijne discipelen op den Olijfberg ging, trof

hij er eene hertekoe aan, die in weeën lag. Deze schreeuwde tot

hem:

"Wees gegroet, gij zoon der maagd! Wees gegroet, gij, de

eerstgeborene van zijn vader en van zijne moeder! Gij zult tot mij

komen en mij helpen in dit uur der benauwdheid". Hij wendde zijne

oogen tot haar en zeide: "Mijn glans zoudt gij niet kunnen

verdragen.... maar ik haast mij [en zend] den aartsengel Michaël

tot U.... en hij neemt een scheut(?)wijns en roept mijnen naam

daarbij aan en den naam van mijne twaalf apostelen en zegt: wat

krom is, moet recht worden... Ik ben het die spreekt, de Heer

Jezus, die [genezing] verstrekt"[111].

In de navolgende liefdes-tooverspreuk wordt ook de duivel aangeroepen:

"Sjoerin, Sjoeran, Sjoetaban, Sjoetaben, Ibonese, Sjarsaben, ....

Satan de duivel, die met zijn staf op de aarde sloeg tegen den

levenden God en zeide: "Ik ben ook een god"--ik bid en roep U allen

heden aan, opdat gij tot mij moogt komen naar [deze dingen], die ik

heden in mijne handen houd, opdat gij, zoodra ik aan Theodora ervan

geef te eten of te drinken, haar hart en haar vleesch aan mij moogt

boeien tot in eeuwigheid. Ja, ja!"

En in eene andere spreuk, ook tot erotische doeleinden, gaat de magiër

zelfs tot dreigementen over, die onwillekeurig aan de vroeger vermelde

dreigementen herinneren:

[Als gij mij niet volgt], dan daal ik neer naar de onderwereld en

breng den beheerscher van den Tartarus naar boven en zeg: "Gij zijt

ook een god," want ik wil mijn verlangen naar Theodora vervullen.

Hij zeide tot mij: "Verlangt gij den steen, ik breek hem stuk, het

ijzer, ik maak het tot water, de ijzeren deuren, ik verbreek ze

haastiglijk, tot dat ik boei het hart van Theodora aan U, ik,

spoedig.

Wanneer zij hierop niet komt, dan houd ik de zon in zijn wagen op

en de maan in haren loop en de sterrekroon die op het hoofd van

Jezus is, totdat ik mijn verlangen vervul, haastiglijk, ja, ja!

Ik bezweer U en al uwe machten.... ik bezweer den vurigen troon,

waarop gij zit, tot dat gij mijn verlangen naar Theodora, de

dochter van Eudoxius, vervult. Ik bezweer Uwe amuletten. Ja, ja,

terstond, terstond!"[112]

Litteratuur.

#E. Zeller#, Die Philosophie d. Griechen, Bd. III, 2e afd. 4e uitg.

(1902).

#J. Burckhardt#, Die Zeit Constantins d. Grossen, 2e uitg. (1880).

#J. Geffeken#, Der Ausgang d. griech.-röm. Heidentums, in

Religionswiss. Bibl. hrg. v. W. Streitberg, Bd. VI (1920).

#K.H.E. de Jong#, Hegel u. Plotin (1916).

#Ranke#, s.v. Aegypten II Religion, in Die Rel. i. Gesch. u. Geg. I

(1909).

#E. Kuhnert#, Feuerzauber, in Rhein. Mus. f. Philol. Bd. XLIX

(1894).

#K. Preisendanz#, Die Homeromantie. Pap. Lond. CXXI, in Philologus

Bd. LXXII (1913).

The demotic magical papyrus ed. by F. Ll. Griffith a. H. Thompson

(1904).

#J. de Zwaan#, Een dichter uit den tijd der Apostolische vaderen,

in Onze Eeuw XI jrg. 4. deel (1911).

#Maspéro#, Étud. d. myth. e. d'arch. ég. I e. II (1893).

#C. Rasche#, De Iamblicho libri qui inscr. de myst. auctore,

Dissert. Münster (1911).

#Couperus#, De berg van licht (1905).

#Lucianus#, De spiritistische séance te Endor, in De Dageraad Bd.

XV (1893/94).

#De H#. boeken v. h. oude verbond. Vulgaat en Nederl. vertaling met

aanteeken. kerk. goedg. II (1897).

#v. Orelli#, s.v. Saul, in Herzog, Realenc. prot. Theol. u. Kirche,

13e uitg. Bd. XVII (1906).

#A. Lods#, La croyance à la vie future e. l. culte des morts dans

l'antiquité israelite (1906).

#R. Kittel#, Geschichte d. Volkes Israël, 3e uitg. Bd. II (1917).

#J. Scheftelowitz#, Der Seelen- u. Unsterblichkeitsglaube im alten

Testament, in Archiv f. Religionswiss. Bd. XIX (1919).

#Kautzsch#, s.v. Urim u. Tummim, in Herzog, Realenc. 3e uitg. Bd.

XX (1908).

#R. Ganschinietz#, Hippolytos' Cap. gegen die Magier, uit Text. u.

Unt. Gesch. altchr. Lit. brg. v. Harnack u. Schmidt, 3 Reihe, IX. Bd. 2.

Hft. (1913).

#Origenes#, Eustathius v. Antiochien u. Gregor v. Nyssa üb. d.

Hexe von Endor, hrg. v. E. Klostermann, in kl. Texte f. Vorl. u. Üb. 83

(1912).

#V. Schultze#, Geschichte d. Untergangs d. gr.-röm. Heidentums Bd.

I (1887).

#L. Loewenfeld#, Somnambulismus u. Spiritismus, 2e uitg. (1907).

#v. Schrenck--Notzing#, Materialisationsphänomene. Ein Beitrag z.

Erforschung der mediumistischen Teleplastie (1914).

#W. Koch#, Kaiser Julian (1899).

#P. Allard#, Julien l'Apostat I, 2e uitg. (1900).

#J. Geffcken#, Kaiser Julianus (1914).

#R. Wünsch#, Antikes Zaubergerät aus Pergamum, in Jahrb. d.

deutsch. arch. Inst. Ergänzungsheft VI(1905).

#Gregorovius#, Geschichte d. Stadt Athen im Mittelalter Bd I

(1889).

#R. Wünsch#, Sethianische Verfluchungstafein (1898).

#K. Preisendanz#, Miszellen z.d. Zauberpapyri, in Wiener Studiën,

Zeitschr. f. klass. Philol. XL Jrg. (1918) 1 Hft.

#J. Geffcken#, Der Bilderstreit des heidnischen Altertums, in

Archiv f. Religionswiss. Bd. XIX (1919).

#K.H.E. de Jong#, Die Lehre vom Astralkörper bei den

Neuplatonikern, in Actes d. IV^e Congres internat. d' hist. d. rel.

(1913).

#C.J. von Hefele#, Conciliengeschichte, 2e Ausg. B. I (1873) e. II

(1875).

* * * * *

*Slotwoord.*

Aan het einde van ons overzicht gekomen, moeten wij nog ons eigen

oordeel over de realiteit en de waarde der magie uitspreken.

Zooals wij zagen, valt het niet te betwijfelen dat verscheidene antieke

denkers de realiteit der magie loochenden, waarbij echter opmerkelijk

is, dat de grootsten van hen, Democritus en Aristoteles, toch ruimte

lieten voor feiten die tot het gebied der magie behooren. Daarentegen

erkenden andere, bij de genoemden geenszins achterstaande denkers als

Iamblichus, Proclus, Origenes, Augustinus de realiteit der magie

onomwonden. Dat het verzet der ongeloovigen ten slotte wegstierf, was

eene wetenschappelijke noodzakelijkheid. In onzen tijd zien we evenzeer,

hoe het ongeloof, dat tooverij en geesten loochent, voor de uitkomsten

van het "psychische onderzoek", ingesteld door autoriteiten als E.

Gurney, F.W.H. Myers, W, Barrett e.a. gaandeweg zwicht.

Over de waarde der magie hebben in de oudheid zelfs mannen, die de

realiteit der feiten erkenden, zich ongunstig uitgelaten. Bij nader

onderzoek blijkt echter, dat de magie niet verdient, botweg met afkeer

en minachting te worden behandeld. De tooverij zal op het gebied van

liefde wel niet meer kwaad hebben veroorzaakt dan bijv. verlokkingen van

financiëelen aard. Of de "magiërs" meer zieken hebben verknoeid dan de

geneesheeren, blijft eene open vraag. En ongetwijfeld zinkt het aantal

dergenen, die door "zwarte magie" hun leven verloren, in 't niet

tegenover de ontelbare slachtoffers van schavot of oorlog. Voorts staat

tegenover de schaduwzijde der magie ook een niet gering te achten

lichtzijde. De magie heeft den stoot gegeven tot grootsche scheppingen

op litterair gebied. Zonder de magie toch zouden wij drie der schoonste

zangen van Homerus, de meest ontroerende tragedie van Euripides, de

diepstgevoelde idylle van Theocritus missen. Ook valt niet te

betwijfelen dat vele zieken door de toepassing van toovermiddelen,

wellicht hoofdzakelijk ten gevolge van "suggestie," genezing hebben

gevonden. Door de strenge leefwijze en de geestesconcentratie, welke tal

van magische handelingen vereischten, kwam menigeen tot "reiniging der

ziel" en tot "verlossing." En, wat voor ons, menschen, het hoogste van

alle belangen raakt, door de "doodenbezwering" was, naar de overtuiging

van hoogst achtenswaardige antieke denkers, het voortbestaan der ziel na

den dood daadwerkelijk aangetoond.

* * * * *

REGISTER.

A.

Aardbevingen 90, 206 vlg, 211

Amuletten 14, 85 vlgg., 153, 170, 211, 219, 239

Animisme 3, 90, 132, 216

Astrologie 67 vlgg, 107, 137 vlg., 166, 193, 219

B.

Beelden, wonderdadige 101, 121, 123, 146, 169, 206, 213--216

Belezen 46 vlg

Beschermgeesten 138 vlg.

Bijzitters 110, 126

C.

Christendom 103--109, 187

Concilies 218 vlg

Corybantisme 102

D.

Demonen 1, 48, 82 vlg, 94 vlg., 100 vlg., 103 passim

Doodenbezwering 1 vlg, 9--16, 22, 49, 52, passim

Doop 129 vlg

Dreigementen, magische 161--165, 238 vlg

Duivel 105, 178, 224, 231 vlgg., 235, 238 vlg.

E.

Endor, toovenares van 175--179, 185 vlg., 221 vlgg, 230--234

Envoûtement 35, 117

Exorcisme 58, 65, 76, 95 vlg, 109, 173 vlg.

F.

Fakirs 96

Fluide, magnetisch 35, 40

G.

Genezingen, wonderdadige 14, 20, 38 vlgg., 45 vlgg, 71 vlgg., 81 vlg,

passim

Gestorvenen, ontijdig 146 vlg, 173

H.

Hallucinaties 3, 54, 191, 216

Haren 117

Helderziendheid 4, 126

Hydromantie 16, 49, 152

Hypnose 3, 87, 102

I.

Illusies, magische 166 vlgg., 174, 224 vlg., passim

J.

Jezus 76, 103, 107 vlgg., 130 vlg., 179, 184 vlg, passim

K.

Kabbala 77

Kinderoffer 49, 59 vlg., 67, 77, 108, 151, 170

Knapen, waarzeggende 49, 125 vlg., 153 vlgg, 172, 182 vlg.

Knoopen 52 vlg.

Korenziel 44

Kristalzien 126

L.

Liefdestoovenarij 13 vlg., 32 vlgg., 49--57, 59 vlg., 62--66, passim

Linnen 120, 130, 132, 152, 200

M.

Mana 39, 57, 65, 73, 86, 99, 132, 151

Materialisaties 191

Mediums 96, 154 vlg.

Mystiek 159 vlg.

N.

Naam, tooverkracht van den 73 vlgg., 107, 110, 129 vlgg., 144 passim

O.

Omgekomenen, geweldadig 146 vlg. 173

Onthouding, sexueele 53, 131 vlg., 154, 182

Oog, het booze 25, 63, 84--87

P.

Perisprit 218

Plaatjes, looden 40, 68, 146

Praeanimisme 3

R.

Reliquieënvereering 99

S.

Speeksel 71 vlgg., 97 vlgg., 107

Spiegel 125 vlg.

Spiritisme 96, 205 vlg, 218

Suggestie 3 vlg., 35, 40, 87, 96, 119

T.

Telepathie 2, 4, 25, 35 vlg., 140 vlg., 212 vlg.

W.

Weerwolf 52, 54, 92 vlgg., 119, 227, 230.

* * * * *

ADDENDA.

P. 21, regel 12, voeg na "verzoeken" in: "en aansporen".

* * * * *

FOOTNOTES:

[Footnote 1: Odyssea X, 135-574 en XI.]

[Footnote 2: Plutarchus, De ser. num. vind. 17, Aelianus, frg. 255.

Galenus, Protrept. IX, 10.]

[Footnote 3: Plutarch. De ser. num. 10, Vit. Cimon, 6.]

[Footnote 4: Plutarch. De ser. num. 17.]

[Footnote 5: Pyth. IV, 213 (380) vlgg.]

[Footnote 6: Diogenes Laertius VIII, 2, 59, vgl. Diels, Die Fragmente

d. Vorsokratiker I, 3^e uitg. (1912) p. 263 vlg]

[Footnote 7: Augustinus, De Civ. Dei VII, 35.]

[Footnote 8: Livius, I, 31.]

[Footnote 9: Phaedo 81 c.d.]

[Footnote 10: Euthydemus 290 a.]

[Footnote 11: Sextus Empiricus, Math. IX, 19.]

[Footnote 12: Epist. ad Menoeceum ap. Diog. Laert. X, 134.]

[Footnote 13: Diog. Laert. VI, 2, 68.]

[Footnote 14: Diog. Laert. VI, 2, 24.]

[Footnote 15: Diog. Laert. VIII, 1, 36.]

[Footnote 16: Schol. a. Theocr. II, 16; Propert II, 4, 10.]

[Footnote 17: Plutarch. Vit. Pyrrh. 3.]

[Footnote 18: E. Ziebarth, Neue attische Fluchtafeln, in Nachnchten d.

Kon. Gesellsch. d. Wiss. Gottingen 1899 p. 109 vlg.]

[Footnote 19: E. Ziebarth, Neue att. Fl., p. 113 vlg.]

[Footnote 20: Livius XXV, 1.]

[Footnote 21: Plinius, Hist. Nat. XVIII, 6,41]

[Footnote 22: Apulems, Apolog. 42.]

[Footnote 23: T.p.]

[Footnote 24: Arrianus, Exped. Alex. II,3, Plutarchus Vit. Alex. 18.]

[Footnote 25: Papyr. Parthey I. 264, in Abh. d. kön. Akad. d. Wiss.

z. Berlin 1866.]

[Footnote 26: Philostratus, Vit. Apoll. I,8.]

[Footnote 27: Gazette archéologique IX, jrg. 1884, platen 44,45,

46, p. 352 vlg.]

[Footnote 28: Thucydides III, 22.]

[Footnote 29: H. Hubert, s.v. Magia, in Daremb. e. Sagl. Dict. d.

ant. gr. e. rom. Bd. III, 2 helft. (1904) p. 1515.]

[Footnote 30: Papyr. Paris. 2579 en 2646, uitg. v. C .Wessely, in

Gr. Zauberpap. v. Par. u .Lond., in Denkschr. d. phil. hist.

Cl. d. Kais. Akad. Wiss. Wien Bd. XXXVI (1888).]

[Footnote 31: Plinius, Hist. Nat. VII, 2, 9.]

[Footnote 32: Sophocles ap. Macrobium, Saturn. V. 19, 9; frg.

423 ed. Didot; Tr. gr. Frg. ed. Nauck 2e uitg. (1889) 491,

p. 249.]

[Footnote 33: H. Hubert, s.v. Magia p. 1516.]

[Footnote 34: Papyr. Parthey II, v. 55 vlg.]

[Footnote 35: Dio Cassius XXXVII, 30.]

[Footnote 36: Herodotus III, 11.]

[Footnote 37: Dio Cassius XLIX, 43.]

[Footnote 38: Eusebius, Chron. Ol. 188,1.]

[Footnote 39: Sueton. Vit. Aug. 94.]

[Footnote 40: Sueton. Vit. Aug. 90.]

[Footnote 41: Sueton. Vit. Tiber. 69.]

[Footnote 42: De Is. en Osir., 12--19.]

[Footnote 43: Pap. Paris, 3007--3085.]

[Footnote 44: Philostratus, Vit. Apoll. IV, 45.]

[Footnote 45: Philostrat. Vit. Apoll. IV, 4; 10; VIII, 7, 30 vgl.]

[Footnote 46: Philostrat. Vit. Apoll. VIII, 26, Dio Cassius LXVII, 18.]

[Footnote 47: Ep. LIII, 1.]

[Footnote 48: Ep. CXXXVIII, 18.]

[Footnote 49: Aehanus, Var. hist. IV, 17.]

[Footnote 50: Plinius, Hist. nat. XXVIII 37.]

[Footnote 51: Philostrat. Vit. Apoll. V, 27-38.]

[Footnote 52: Philostrat. Vit. Apoll. VI, 29-34.]

[Footnote 53: Philostrat. Vit Apoll. VIII, 1-8.]

[Footnote 54: Ongenes, Contra Celsum III, 36.]

[Footnote 55: Tacit. Histr. IV, 82.]

[Footnote 56: Vopiscus, Vit. Saturn. 8]

[Footnote 57: Hippolytus, Refut. omn. haer. VI, 7.]

[Footnote 58: Hippol. Refut. omn. haer. VII, 32.]

[Footnote 59: Tweede boek Jeû, vert. d. C. Schmidt in Koptisch-gnostische

Schriften (1905), 322 en 327 f.f.]

[Footnote 60: Alcest. 75 vlg.]

[Footnote 61: De Civit. Dei VIII, 19: Ep. CXXXVIII, 19.]

[Footnote 62: Capitolinus, Vit. Anton. phil. 13.]

[Footnote 63: Dio Cass. LXXI, 8, 4; 9, 2.]

[Footnote 64: Spartianus, Vit. Did. Julian. 7.]

[Footnote 65: Tweede boek Jeû, vert. C. Schmidt p. 308-314.]

[Footnote 66: Ed. Dieterich, Abraxas (1891) p. 169, v. 5 vlg.]

[Footnote 67: Philostrat. Vit. Apoll. I, 8 en 13.]

[Footnote 68: Milligan, Selections from the Greek Papyri (1910) p.

83 vlg., Erman-Krebs, Aus den Papyrus d. kön. Mus. z. Berlin (1899)

p 185.]

[Footnote 69: Pap. Parthey II, 17 vlg.]

[Footnote 70: Ennead. IV, 4,36.]

[Footnote 71: Enn. IV, 4,41.]

[Footnote 72: Enn, IV, 9,3.]

[Footnote 73: Enn. IV, 4,40.]

[Footnote 74: Enn, IV, 4,43.]

[Footnote 75: Enn. IV, 7, 20.]

[Footnote 76: Enn. IV, 4, 43.]

[Footnote 77: Pap. V, col. VH, 27--VIII, 4, ed. Dieterich p. 808.]

[Footnote 78: Pap. V., col. VII, 17--25; ed. Diet., p. 807 vlg.]

[Footnote 79: Porphyr. Vit. Plot. 23.]

[Footnote 80: Pap. V. col. II, 16-18 ed. Diet. p 796 vgl.]

[Footnote 81: Celsus ap. Origen. Contr. Cels I, 68.]

[Footnote 82: Papyr. Parthey I, 106-110.]

[Footnote 83: Ps. Justinus, Quaest ad. Orthod. 26.]

[Footnote 84: Dio Cassius LXXVII, 18, 4.]

[Footnote 85: Herodianus, IV, 12.]

[Footnote 86: Dio Cass. LXXIX, 11, 3, Lampridius, Vit. Hel. 8.]

[Footnote 87: Lamprid. Vit. Alex. Sev. 29.]

[Footnote 88: Vopiscus, Vit. Aurel. 24.]

[Footnote 89: Codex Justinian. IX, 18, 4.]

[Footnote 90: Eunapius, Vit. Soph. Ed. Boissonade, 2 uitg. p. 459.]

[Footnote 91: Cod. Justin. IX, 18, 5.]

[Footnote 92: Cod. Justin. IX, 18, 6.]

[Footnote 93: Cod. Justin. IX, 18, 7.]

[Footnote 94: Vit. Soph. Ed. Boissonade 2 uitg. p. 474 vlg.]

[Footnote 95: Theodotus, Hist. eccl. III, 21.]

[Footnote 96: Cod. Theodos. IX, 16, 7.]

[Footnote 97: Zosimus IV, 13 vlgg, Philostorgius IX, 15, Socrates

IV 19, Sozomenus, VI, 35.]

[Footnote 98: Socrat. IV, 19, Sozomen. VI, 35.]

[Footnote 99: Cod. Justin. IX, 18, 9.]

[Footnote 100: Zosim. V, 41, Sozomen. IX, 6.]

[Footnote 101: Nicephorus schol. ad Synes De insomn. p. 361 D. cf

Stephanus, Thes. gr ling VII (1848/54) s v. strophalos c. 886

Psellus ad Orac Magic. p. 74, cf Stephanus Thes. gr. ling.

III (1835) s v. Hekatikos c. 360.]

[Footnote 102: In Timaeum IV p. 240 a]

[Footnote 103: In Tim. p. 287c.]

[Footnote 104: Contr. Cels. V, 38, VII, 35, 64, 69, VIII, 41.]

[Footnote 105: In Rem publ. Ed. Kroll II (1901) p. 117.]

[Footnote 106: Greco-Egyptian frg. o. magie, ed. Goodwin (1852)

p. 4 vlg.]

[Footnote 107: In Rem publ. Ed. Kroll I (1899) p. 110 vlg.]

[Footnote 108: In Rem publ. Ed. Kroll I p. 39]

[Footnote 109: De abstin. I, 31, II, 46; Sentent. 32.]

[Footnote 110: Suidas s.v. augoeides.]

[Footnote 111: Erman u. Krebs, Aus den Papyrus d. kon. Mus.

p. 257.]

[Footnote 112: Erman u. Krebs, Aus d. Pap. p. 259.]

Magie bij de Grieken en de Romeinen · 第 13 / 13 段