"Hij daalde in een van de voor de meesten ontoegankelijke en

vreeswekkende heiligdommen neer ... terwijl de ... in zulke dingen

ervarene philosoof of juister schijnphilosoof hem vergezelde. Want

ook dit is eene soort wichelarij bij hen [nl. de niet-Christenen]

om in de duisternisg de onderaardsche demonen over de toekomst te

raadplegen.... Toen echter de schrikbeelden den naderbij komenden,

wakkeren man altijd talrijker en vreeswekkender bestookten--men

spreekt van ongewone klanken, onaangename geuren, vuurstralende

verschijningen en ik weet niet wat voor fratsen en

fantasterijen--nam hij, door het onverwachte ontzet, want hij had

zich eerst laat op zulke dingen toegelegd, tot het kruis, het oude

toovermiddel, zijne toevlucht en sloeg dat tegen de schrikbeelden

en maakte den vervolgde tot helper. En wat volgde is nog

huiveringwekkender. Krachtig werkte het teeken, de demonen werden

overwonnen, de schrikbeelden losten zich op. En wat verder? De

boosheid herademde, ze vatte weer moed, weer drong zij aan, weer

dezelfde schrikbeelden, weer het kruisteeken en de demonen bleven

rustig. Toen was de ingewijde in verlegenheid en de inwijder in

zijne nabijheid gaf eene onjuiste uitlegging van de waarheid en

zeide: "Zij verafschuwden ons, maar ze vreesden ons niet: het

slechtere heeft de bovenhand". Want dat zeide hij en, na hem

hiermede te hebben overreed, leidde hij den discipel tot den

afgrond des verderfs."

Gregorius laat het niet bij dit toch al vrij tendentieuze verhaal, maar

bericht verder (c. 92) zooals trouwens hij niet alleen,[95] dat Julianus

menschen zou hebben laten offeren om uit hunne ingewanden de toekomst

te lezen. Aan zulke verdachtmakingen kan echter niet de minste waarde

worden gehecht; de beschuldigingen van geheime moorden, waaraan eens de

Christenen zelve blootstonden, keeren zij later in misplaatsten

geloofsijver tegen den "afvallige".

Na den vroegen dood van Julianus (363) kwam het bewind weer in

Christelijke handen en al spoedig werd het optreden tegen magie en

wichelarij hervat. De keizers Valentinianus toch en Valens, waarvan de

eerste het westelijke, de andere het oostelijke gedeelte van't

Romeinsche rijk bestuurde, verklaarden in een besluit van 't jaar 364:

"Niemand wage het in 't vervolg, om in 't nachtelijk uur magische

handelingen te verrichten."

Spoedig zouden al die wettelijke bedreigingen op eene verschrikkelijke

manier ten uitvoer worden gebracht.

In 371 (of 372) trachtten eenige personen door middel van magische

verrichtingen met een tafeltje te weten te komen, wie de opvolger van

Valens zou zijn. Valens, hiervan verwittigd, beval terstond de

wichelaars en iedereen op wie ook maar eenige verdenking rustte, in

hechtenis te nemen, en al het foltertuig, waarover men toenmaals

beschikte, in gereedheid te brengen. De uitvoerigste beschrijving van

dit monsterproces geeft een tijdgenoot, de hoogst achtenswaardige

historicus Ammianus Marcellinus, wiens verhaal ook door de andere

berichten[97] steun ontvangt. Wij laten hier het belangrijkste er uit

volgen (XXIX, 1, 28-42):

"Patricius en Hilarius [twee der hoofdbeschuldigden] werden

binnengeleid en men beval hun de feiten van begin tot einde mede te

deelen. Daar zij in den aanvang elkaar tegenspraken, werden hun de

folterklauwen in de zijden gezet en eindelijk haalde men den

drievoet er bij, dien zij plachten te gebruiken. In de engte

gedreven, gaan zij alles van den aanvang af naar waarheid hekend

maken, Hilarius het eerst:

"Wij hebben", zeide hij, "edelachtbare heeren, onder een boos

gesternte, dit noodlottige tafeltje, dat gij ziet, naar het

voorbeeld van den drievoet te Delphi, uit lauriertakken

samengesteld; en na geheime tooverformulieren te hebben

uitgesproken met al het benoodigde gerei de wijding herhaaldelijk

naar den ritus te hebben verricht, brachten wij het eindelijk in

beweging. De manier om het in beweging te brengen, zoo vaak wij het

over geheime zaken raadpleegden, was als volgt: Na het huis aan

alle kanten met Arabisch reukwerk te hebben gereinigd, zetten wij

den drievoet er in 't midden neer en eene ronde schaal er zuiver

boven op, uit verscheidene metalen kunstig saamgesmeed, gesmeed,

op wier ronden omtrek de vier en twintig letters van het alfabet

door eene ervarene hand zóó waren ingegrift, dat hunne onderlinge

afstanden juist even groot waren. Iemand in linnen kleeren gehuld

en met schoenen evenzeer uit linnen, voorts met een band om 't

hoofd gewonden, en een tak van een vruchtdragenden boom in de hand,

ging bij het tafeltje staan, na den god, die voorspellingen geeft,

door de gebruikelijke formulieren gunstig te hebben gestemd,

terwijl hij in alles handelde overeenkomstig de voorgeschrevene

plechtigheid. Hij liet boven het tafeltje een ring zich heen en

weer bewegen, hangende aan een zeer dunnen draad uit linnen en

volgens de mystieke leer gewijd; deze ring, in vast tijdsverloop

heen en weer gaande, werd telkens door eene enkele letter gestuit

en vormde versregels, beantwoordende aan de gestelde vragen,

hexameters, naar getal en maat goed afgerond, zooals die welke

afkomstig zijn van het Pythische, [Delphische] orakel.... Op onze

vraag, wie aan de huidige regeering zou opvolgen, werd geantwoord,

dat deze in elk opzicht voortreffelijk zou zijn, en toen de ring al

springende de twee lettergrepen "Theo" had aangeraakt met

toevoeging van de laatste letter [d], riep een der aanwezigen uit,

dat Theodorus door de beschikkingen van het onvermijdelijke noodlot

werd aangewezen. Wij hebben over die zaak niets verder

uitgevorscht, want het stond bij ons voldoende vast, dat deze het

was, die geroepen werd".

Toen hij aldus eene zoo duidelijke bekentenis aangaande de geheele zaak

aan de rechters had afgelegd, voegde hij er edelmoedig bij, dat

Theodorus er heelemaal niets van afwist. De aangeklaagden, hierna

ondervraagd, of zij, krachtens het orakel dat zij raadpleegden, ook

vooruit wisten, wat zij zouden te verduren hebben, reciteerden die

allerbekendste verzen, die duidelijk verkondigden, dat de zucht om in 't

geen voor hen te verheven was door te dringen, spoedig hun het leven zou

kosten, maar dat de wraakgodinnen den keizer zelf en de rechters met

zwaard en brand bedreigden; het zal volstaan de drie laatste regels aan

te halen:

"Hun, die door gramschap gedreven, Uw bloed wreedaardig vergieten,

Wacht een' ontzettende straf. D'onverbidd'lijke Wraak uit den afgrond

Zal, in de vlakten van Mimas, hun hart door de vlammen verteren!"

Na deze versregels worden ze weer met de folterklauwen mishandeld en,

den dood nabij, van elkaar gescheiden. Hierna wordt, om op de werkplaats

van de beraamde misdaad het volle licht der openbaarheid te laten

schijnen, eene schare van hooggeplaatsten binnengeleid, die de hoofden

van het plan waren. Terwijl niemand om iets anders dan om zich zelf

dacht en de een de schuld op den ander wierp, begon eindelijk Theodorus,

toen de rechters het hem veroorloofden, te spreken. Eerst wierp hij

zich neer en smeekte om genade, daarna, geperst om te antwoorden,

bekende hij, het door Eucerius te hebben vernomen, en dat hij

herhaaldelijk op het punt had gestaan, het den keizer te berichten, maar

door Eucerius daarin was verhinderd, die hem verzekerde, dat niet door

een ongeoorloofden aanslag op de regeering, maar door den wil van het

onveranderlijke noodlot het gehoopte van zelf in vervulling zou gaan.

Eucerius bevestigde, onder de wreedste pijnigingen, deze bekentenis;

maar Theodorus werd weerlegd door zijn eigen brief, dien hij, hoewel in

duistere termen, aan Hilarius had gericht; hieruit toch bleek, dat hij

vast op de voorspelling vertrouwde en dat hij niet voor de daad

terugdeinsde, maar het tijdstip zocht om zijn misdadig opzet ten uitvoer

te brengen.

Na deze bekentenissen worden zij verwijderd. Eutropius, die toen

Gouverneur van Azië was, werd, als medeplichtig aan het komplot, voor de

rechtbank gedaagd, maar als onschuldig losgelaten, dank zij den

philosoof Pasiphilus, die, hoewel op de wreedste manier gefolterd, opdat

hij hem door eene leugenachtige aantijging onrechtvaardig in 't verderf

zou storten, zijne standvastigheid van karakter bewaarde. Hierop volgde

de philosoof Simonides, wel is waar nog jong, maar in onzen tijd boven

allen door strengheid van principes uitstekende. Toen deze beschuldigd

werd de zaak van Fidustius te hebben gehoord, en gezien had, dat het

geding niet naar waarheid, maar naar den wil van één werd beslist,

verklaarde hij, dat men hem de voorspelling had toevertrouwd, maar dat

hij, zooals een man van karakter past, er over gezwegen had.

De keizer, na dit alles nauwkeurig te hebben onderzocht, bekrachtigde

het vonnis der rechters en beval, met ééne uitspraak, allen ter dood te

brengen ... allen werden onthoofd, behalve Simonides alleen, dien de

wreede opperrechter, verbitterd door zijne ernstige standvastigheid,

beval levend te verbranden. Simonides, het leven als een krankzinnigen

meester ontvluchtende en lachende om de plotselinge lotsverwisselingen,

kwam, zonder zich te verroeren, in de vlammen om....

In de volgende dagen heeft eene menigte uit zoowat alle standen, die het

moeilijk valt bij name te noemen, in het net der lastering verstrikt, de

armen der beulen vermoeid, na van te voren door pijnbank en lood en

zweepslagen te zijn afgemarteld. Sommigen werden zonder het minste

verwijl ter dood gebracht, terwijl men er nog over verhandelde of ze

moesten terechtgesteld worden; overal was eene slachting te zien,

evenals van vee....

Niet erg lang daarna werd ook Maximus, de bekende philosoof, een man van

groote geleerdheid, door wiens wijze lessen de keizer Julianus grondig

in de wetenschap was onderricht, er van aangeklaagd, bovengenoemde

verzen te hebben gehoord. Hij erkende er van te hebben geweten, maar

had, als philosoof, zich verplicht geacht, er geen ruchtbaarheid aan te

geven. Ja, hij had zelf voorspeld dat die uitvorschers van de toekomst

er de doodstraf voor zouden ondergaan. Naar Ephese, zijne vaderstad

gebracht, werd hij aldaar onthoofd en ondervond, gelijk het laatste

proces hem leerde, dat de onrechtvaardigheid van een rechter

gevaarlijker is dan alle beschuldigingen."

Ammianus voegt er o.m. nog (in c. 2, 3) deze karakteristieke

bijzonderheden aan toe: "En opdat zelfs de echtgenooten geen tijd zouden

hebben, de ellende hunner mannen te beweenen, werden terstond

gerechtsdienaars er op afgezonden, die, bij 't verzegelen der huizen en

het nazoeken van het huisraad van den veroordeelde, onzinnige

bezweringen of recepten voor liefdedranken heimelijk verstopten, alles

gereedmaakt tot verderf van onschuldigen. Als die stukken voor de

rechtbank waren voorgelezen, waar men noch op grond van wet, noch van

geweten, noch van billijkheid de waarheid van de leugen onderscheidde,

werden de goederen geconfiskeerd en onschuldigen, onverdedigd,

jongelingen zoowel als ouden, met verlamde leden, in draagstoelen naar

het schavot gebracht."

Hierbij dient echter uitdrukkelijk te worden opgemerkt, dat de

wreedheid van keizer Valens niet alleen door Ammianus en de aanhangers

der oude religie, maar ook door Christelijke schrijvers[98] ten

strengste werd veroordeeld.

Naar aanleiding van die raadpleging der godheid wenschen wij nog een en

ander in 't midden te brengen.

Er is in Pergamum (in Klein-Azië) een bronzen toovergereedschap

gevonden, dat aan den bovenvermelden drievoet herinnert, bestaande in

hoofdzaak uit eene driehoekige bronzen plaat met afbeeldingen van

Hecate, tooverwoorden, verbindingen van klinkers en allerlei magische

figuren er op. Men heeft hiermede ook den z.g. scriptoskoop vergeleken,

een bord met letters en woorden, waarop een driehoek van bordpapier in

beweging kan worden gebracht, ten einde op spiritistische séances

antwoorden te verkrijgen; ten onzent wordt echter hiertoe in plaats van

dien driehoek bij voorkeur een houten kruis gebruikt, rustende op eene

stift.

Het ligt voor de hand, dat het spellen van woorden door middel van

tafelbeweging, zooals sinds het midden der vorige eeuw in zwang is, het

geduld der vragenden al heel spoedig op eene harde proef stelt.

Dientengevolge is men gewoon om, zoodra men uit eenige letters het

betreffende woord meent te kunnen opmaken, terstond tot een ander woord

over te gaan, hetgeen echter, zooals van zelf spreekt, tot verkeerde

uitkomsten kan leiden. Maar ook in dit opzicht leert ons het moderne

spiritisme de raadpleging van den drievoet, zooals ze in het

bovenvermelde geval door Ammianus, onzen besten zegsman, bericht wordt,

beter begrijpen.

Een geheel ander geval van tooverij dan het voorafgaande is hetgeen ons

Zosimus, een niet onbetrouwbaar historicus uit de vijfde eeuw, van

Nestorius, den opperpriester der Eleusinische mysteriën, bericht (IV,

18):

"Aan Nestorius, gedurende die tijden [375 n. Chr.] hierophant,

verkondigde een droomgezicht, dat de held Achilles [de hoofdfiguur

uit den Trojaanschen oorlog, z.b. I] van overheidswege

eerbetuigingen moest ontvangen; dit toch zou de stad heil brengen.

Toen hij nu het droomgezicht aan de overheden had meegedeeld en

dezen, in de meening dat hij, als stokoud man, onzin praatte, er

geen notitie van namen, ging hij bij zich zelf te rade wat er te

doen viel en in de goddelijke dingen van jongs af aan onderricht,

vervaardigde hij eene figuur van den held in een klein huisje en

zette dit onder het beeld van Athene, dat in het Parthenon staat.

Zoo dikwijls hij nu de gebruikelijke ceremoniën ter eere van de

godin voltrok, bracht hij tegelijk ook aan den held naar zijn beste

weten en overeenkomstig den ritus zijn huldebetoon, en aangezien op

deze wijze de raad van den droom in vervulling werd gebracht,

bleven, toen eene zware aardbeving plaats had, de Atheners alleen

gespaard."

Ook uit een ander bericht, dat kort hierna ter sprake zal komen, blijkt,

dat Nestorius allerlei tooverpractijken beoefende, en er bestaat dus

geen reden, het hier vermelde feit in twijfel te trekken; of echter het

neerzetten van het Achillesbeeldje en de te zijner eere verrichte

ceremoniën de oorzaak zijn geweest, dat het onheil aan de stad

voorbijging, is eene vraag van geheel anderen aard.

In 378 kwam de wreedaardige keizer Valens, die toch al sinds het

bovenvermelde rechtsgeding ongeluk op ongeluk had ondervonden, rampzalig

aan zijn einde. Bij Adrianopel door de Gothen overwonnen, werd hij, naar

het geloofwaardigste bericht luidt, zwaar gewond eene hut binnengedragen

en werd deze door de vijanden, die niet wisten met wien zij te doen

hadden, in brand gestoken. Ammianus brengt (in XXXI, 14, 8 vlg.) naar

aanleiding hiervan de verzen van bovenvermeld orakel in herinnering en

voegt er aan toe:

"Valens, onbeschaafd en ruw als hij was, gaf er eerst niets om,

maar door voortdurende tegenslagen van de ergste soort tot de meest

verachtelijke vrees vervallen, huiverde hij, bij herinnering aan

datzelfde orakel, als er maar van Azië sprake was, want hij hoorde

van ontwikkelde menschen dat Homerus en Cicero van een berg Mimas

hadden gesproken, die boven de stad Erythrae [in Klein-Azië] ligt.

Maar na zijn ondergang en den aftocht der vijanden werd er, naar

men zegt, nabij de plek, waar hij zou gevallen zijn, eene hooge

verhevenheid van steenen gevonden, waaronder zich één bevond met

het opschrift in Grieksche letters, dat een zekere Mimas, een

voornaam man uit den ouden tijd, aldaar begraven was."

Het merkwaardigste is echter, dat, na Valens, reeds in 379 inderdaad

iemand, wiens naam met "Theod" begon, den troon besteeg, echter geen

Theodorus, zooals de magiërs vermoed hadden toen zij te vroeg met het

raadplegen van het orakel waren opgehouden, maar Theodosius I, later de

Groote bijgenaamd.

Theodosius wist echter de magie er weinig dank voor en vaardigde in 389

met zijne medekeizers Valentinianus II en Arcadius het volgende

wetsbesluit uit[99]:

"Al wie hoort dat iemand met de smet van booze kunsten is bezoedeld

en hem betrapt en gegrepen heeft, moet hem terstond te voorschijn

slepen en aan de oogen der rechters als een vijand van het

algemeene welzijn toonen. En indien iemand uit de wagenmenners of

uit eenig ander soort menschen getracht heeft tegen dit verbod in

te gaan, of in 't geheim zelfs iemand, die aan de booze kunst

klaarblijkelijk schuldig is, heeft omgebracht, moet hij de

doodstraf niet ontkomen, daar eene dubbele verdenking op hem rust

van òf een openbaar schuldige aan de strengheid der wetten en de

vereischte ondervraging te hebben onttrokken, ten einde hem te

verhinderen zijn medeplichtigen bekend te maken, òf wellicht een

particulieren vijand onder den schijn van zulk eene strafoefening

met eene nog veel wreedere bedoeling te hebben uit den weg

geruimd".

Tot toelichting zij hierbij opgemerkt, dat de wagenmenners toenmaals bij

de wedstrijden elkaar door middel van tooverij trachtten afbreuk te doen

en ook voor gewelddadigheden niet terugdeinsden.

Toen echter in 408 Rome door de Gothen, belegerd en uitgehongerd werd,

was de overheid toch tot zekere hoogte bereid, om bij de magie hulp te

zoeken. De gouverneur van Rome, Pompeianus, trad in onderhandeling met

eenige Etruriërs, die beweerden, eene zekere stad van de haar omringende

gevaren te hebben bevrijd. Ze hadden nl. door gebeden en ceremoniën

volgens den voorvaderlijken ritus, geweldige bliksemstralen bezworen en

zoodoende de barbaren verjaagd. Ze eischten, dat van regeeringswege

zekere oude gebruiken zouden worden verricht, maar de zaak heeft haar

beloop niet gehad--daaromtrent zijn de duistere en elkaar tegensprekende

berichten[100] het eens. Ten slotte ging men er toe over, zich van de

barbaren tegen eene ontzaglijke som vrij te koopen.

De Etruriërs--dit zij hierbij opgemerkt--waren van oudsher om hunne

tooverijen bekend en zouden het geheim hebben geweten van op het onweer

in te werken. Naar aanleiding hiervan heeft men wel eens vermoed, dat ze

zich van electriciteit bedienden, en o.m. het door ons aan het einde van

hoofdstuk I vermelde verhaal van koning Tullus Hostilius in dit verband

betrokken.

Wij gaan nu tot Proclus over, den grootsten Neoplatonicus der vijfde

eeuw, Proclus, die tot de eerste systematici van alle tijden wordt

gerekend en met de meest subtiele dialectiek ook diep religieus gevoel

vereenigde.

Proclus, in alle toenmalige wetenschappen bedreven, beoefende ook de

magie. Zijn leerling Marinus vermeldt dienaangaande in de

levensbeschrijving van zijn meester (c. 28):

"Hij maakte gebruik van de systasen en entychieën der Chaldeeërs en

van de goddelijke en geheimzinnige strophalen [tooverwielen]. Want

dit alles had hij overgenomen en de wijze van uitspreken en het

andere gebruik ervan had hij geleerd van Asclepigeneia, de dochter

van Plutarchus [den leermeester van Proclus]. Want bij haar alleen

waren de tooverijen van den grooten Nestorius [z.b.] en de geheele

theürgische bezweringsmethode bewaard gebleven, door haar vader aan

haar overgeleverd. En reeds voordien had Proclus, door de

Chaldeeuwsche reinigingen naar den ritus gezuiverd, uit eigen

aanschouwing met lichtende verschijningen van Hecate verkeer,

zooals hij ook zelf in een afzonderlijk geschrift vermeldt. Door

een zekeren iynx [tooverschijf] handig in beweging te brengen deed

hij regenbuien neerkomen en bevrijdde hij Attica van verderfelijke

hitte. Hij legde amuletten tegen aardbevingen neer en stelde de

voorspellingskunst van den drievoet op de proef".

Hierbij enkele opmerkingen.

"Systase" beteekent o.m. "samenkomst", "voorstelling", "aanbeveling"; in

de magie verstaat men er blijkbaar hymnen en ceremoniën onder, waardoor

men met de eene of andere godheid in relatie treedt zonder eenig letsel

te ondervinden, vgl. inzonderheid den grooten tooverpapyrus uit Parijs

(v. 209), uit eene passage boven door ons behandeld. "Entychie", d.w.z.

"ontmoeting", zal wel ongeveer dezelfde beteekenis hebben gehad.

Wat voorts van den "grooten" Nestorius gezegd wordt, komt overeen met

het bericht van den geschiedschrijver Zosimus, dat wij boven hebben

aangehaald; van Nestorius had Proclus het neerleggen van amuletten tegen

aardbevingen overgenomen.

Den "iynx" of tooverschijf hebben we reeds in ons eerste hoofdstuk

ontmoet. Van eene soort "strophalos" en wel de "Hecatische", d.w.z. de

aan Hecate gewijde, berichten latere zegslieden dat hij van goud was

met een saffiersteen in 't midden en met verschillende karakters en

figuren op zijne oppervlakte. Men draaide hem met een riem van stierhuid

rond en stiet daarbij allerlei onverstaanbare klanken uit. In 't

algemeen werden zulke toovergereedschappen, hetzij dezen een kogelronden

of een driehoekigen, of welken vorm ook hadden, iynxen genoemd[101].

Evenals die "strophalos" aan het bovenvermelde toovergereedschap uit

Pergamum, doen de divinatorische proefnemingen van Proclus ons

onwillekeurig aan de ondervraging van den drievoet aangaande den

opvolger van keizer Valens denken.

Karakteristiek is ook het volgende verhaal van Marinus (c. 29):

"Asclepigeneia, de dochter van Archiades en Plutarche en

echtgenoote van Theagenes, een weldoener van mij, werd, toen ze nog

een meisje en bij hare ouders was, door eene zware ziekte

aangetast, waar de artsen machteloos tegenover stonden. Archiades,

die op haar alleen de hoop van zijn geslacht had gevestigd, was

mistroostig en vol smart, zooals te begrijpen. Toen de doktoren het

opgaven, wendde hij zich, zooals hij bij de belangrijkste

aangelegenheden placht te doen, tot den philosoof, als tot zijne

laatste toevlucht of liever als tot een Redder en drong met

smeekbeden bij hem er op aan, ook zelf onverwijld te bidden voor

het behoud van zijne dochter. Proclus ging naar den Asclepiustempel

om den god voor de zieke aan te roepen. Want de stad mocht zich

toen nog in diens bescherming verheugen en het heiligdom van den

"Redder" was nog onverwoest. Terwijl hij op de meer ouderwetsche

manier zijn gebed verrichtte, kwam eene groote verandering in den

toestand van het meisje en voelde ze zich in eens verlicht, want de

Redder, immers als een god, genas haar gemakkelijk. Na de

plechtigheden te hebben vervuld, stapte Proclus naar Asclepigeneia

en vond haar verlost van de pijnen, die haar lichaam nog zoo even

gekweld hadden, in een toestand van gezondheid verkeerende".

De werken van Proclus, voor zoover ze ons nog zijn bewaard gebleven,

bevestigen de beweringen van Marinus.

Zoo verzekert Proclus[102] dat "de ware wijders ... door middel van

levenwekkende figuren en namen aan de godenbeelden leven en beweging

mededeelen" of, zooals hij het elders[103] uitdrukt, dat "de

wijdingskunst ... in de godenbeelden bezieling legt ... en door middel

van wekere symbolen het uit deelbare en vergankelijke materie ontstane

in staat stelt om deel te hebben aan een god en door hem in beweging te

worden gebracht en de toekomst te voorspellen".

Volgens de "Asclepius", een der zg. Hermetische geschriften en

waarschijnlijk uit de derde eeuw n. Chr. dateerende, waren de

Egyptenaren de uitvinders van dit soort magie (c. 37):

"Onze voorouders vonden eene kunst uit om goden te scheppen. Aan

deze uitvinding voegden ze eene er mee overeenstemmende en aan het

wezen der wereld ontleende kracht toe en deze met die uitvinding

vermengende, riepen ze, daar ze geen zielen vermochten te scheppen,

zielen van demonen of engelen op en banden ze in beelden door

middel van heilige en goddelijke wijdingen, waardoor de beelden het

vermogen konden hebben om zoowel goed als kwaad te doen."

En elders (c. 24) is er sprake van "standbeelden, bezield met gevoel en

vol van geest, die groote en wonderbaarlijke dingen doen, standbeelden,

die de toekomst vooruit weten en haar door lot, profeten, droomen en op

vele andere manieren voorspellen, standbeelden, die ziektes veroorzaken,

maar ook genezing bewerken".

Ook Origenes heeft het herhaaldelijk[104] over de magische wijding van

standbeelden en Zosim zegt (V, 41) hoogst opmerkelijk "dat de

standbeelden, door plechtige wijdingen geheiligd, ... zielloos zijn en

niets vermogen uit te richten als iets van die wijding te loor is

gegaan".

Een groot Egyptoloog, G. Maspéro, heeft er dan ook op gewezen, dat

inderdaad in het oude Egypte, althans te Thebe, ten tijde van de XIX en

de volgende dynastieën (dus na ± 1350 v. Chr.) de standbeelden van god

Amun wonderen zouden hebben verricht. De koning raadpleegde het

standbeeld, soms zelfs in 't openbaar, omtrent allerlei aangelegenheden

en na elke vraag zeide het met zijn hoofd uitdrukkelijk ja, en wel twee

keer. Theoretisch sprak de ziel, die in het beeld was getooverd, maar

feitelijk bewoog zich het standbeeld door eene of andere mechanische

verrichting, welke de priesters geheim wisten te houden.

Het geloof aan de bezieling van beelden komt ook bij primitieve volkeren

voor.

Zoo maken bijv. de Papoeas op Nieuw-Guinea wanneer iemand gestorven is,

beeldjes uit hout en nopen door allerlei ceremoniën de ziel van den

overledene, in het beeld te gaan, dat zij vervolgens met haar in

onafscheidelijken samenhang achten te zijn. Het beeld wordt bij

gewichtige aangelegenheden geraadpleegd; spreekt het niet, dan is het

goed, spreekt het daarentegen, d.w.z bevangt den vrager eene beving, dan

is de zaak bedenkelijk. Vooral bij ziekten moet het beeld dienst doen.

Magie bij de Grieken en de Romeinen · 第 11 / 13 段