bewerkt hij [de magiër] door eene kunstgreep als volgt: Hij
verstopt een handlanger ergens waar hij het geschikt acht en neemt
zijne slachtoffers met zich mee en maakt hen wijs, dat hij hun zal
toonen hoe de godin in vurige gestalte door de lucht rijdt. Hij
beveelt hun, voor hunne oogen op te passen en, zoodra ze de vlam in
de lucht zien, zich te omhullen en op het aangezicht neer te vallen
totdat hij zelf hen roept en als hij hun dat heeft uiteengezet,
galmt hij in een nacht zonder maneschijn de volgende aanroeping in
verzen uit:
Gij, in den Hades, op aard,' in den hemel gehuldigd, o Bombo!
Gij, die in driesprongen huist, lichtdragende, nachtelijke zwerfster,
Gij, die de duisternis mint en een afkeer hebt van het daglicht,
Gij, die in hondengeblaf U vermeit en in moord U verlustigt,
Gij, die het slagveld betreedt en de sombere kerkhoflanen,
Gij, die belust zijt op bloed en den
sterflingen schrik op het lijf jaagt,
Gorgo! Mormo! Godin van de maan, gij, rijk aan gestalten,
Moogt gij, wij bidden het U, goedgunstig ons offer genaken!
Als hij dit gesproken heeft, ziet men een vuur door de lucht ijlen en de
toeschouwers, huiverende voor dien wonderlijken aanblik, omhullen zich
de oogen en vallen sprakeloos ter aarde neder. Maar heel het geweldige
kunststuk bestaat hierin: De handlanger, die, zooals ik zeide, verstopt
is, houdt een wouw of gier vast, met werk omwonden, en steekt hem,
zoodra hij hoort dat de bezwering afgeloopen is, in brand en laat hem
los. De vogel, door de vlam in de war gebracht, gaat de hoogte in en
bespoedigt zijne vlucht, maar die dwazen verbergen zich bij dien aanblik
alsof ze iets goddelijks hadden gezien. De vogel, ronddraaiende door den
vuurgloed, strijkt neer, waar hij maar kan en doet nu eens huizen dan
weer hoven in vlammen opgaan."
Men heeft terecht opgemerkt, dat dit middel, zooals ook andere middelen,
die Hippolytus opgeeft, kwalijk ten uitvoer is te brengen. Ook is het
juist, dat voor de uitvoering van verschillende kunststukken zelf weer
magische middelen benoodigd zijn, voor wier uitwerking niet de ervaring,
maar de overlevering borg stond. Maar het meest merkwaardige is wel, dat
Hippolytus zelf, ondanks al die mechanische kunstgrepen, ook veel aan
demonische invloeden toeschrijft.
Origenes uit Alexandrië (geb. omstreeks 184), de grootste en
ongelukkigste van alle oud-Christelijke schrijvers, tijdens zijn leven
miskend, na zijn dood verketterd, Origenes, wiens geest vrijwel al het
toen weetbare omvatte, heeft ook aan de magie zijne aandacht geschonken.
In zijn werk "Over de principiën", de eerste Christelijke dogmatiek,
zegt hij (III, 3,3):
"Wat moet moet men zeggen van hen, die zij [de Grieken]
geïnspireerden noemen, door wie tengevolge van de inwerking der
demonen, die hen regeeren, antwoorden worden gegeven in verzen
volgens de regelen der kunst? Maar ook diegenen, die men magiërs of
boosdoeners noemt hebben meer dan eens door aanroeping van demonen
knapen van nog teeren leeftijd zich in verzen doen uiten, die aller
bewondering en verbazing wekten [z.b. III, in 't begin]. Het is aan
te nemen dat dit aldus in zijn werk gaat: Evenals heilige en
vlekkelooze zielen, wanneer zij zich met hun geheele hart en in
volle reinheid aan God hebben gewijd, en zich vrij hebben gehouden
van alle aanraking met demonen en door streng onthouding zich
gezuiverd hebben en vervuld zijn van vrome en godsdienstige
leeringen, daardoor deel aan het goddelijke verkrijgen en de genade
der prophetie en der overige goddelijke gaven verwerven, aldus moet
men veronderstellen dat ook diegenen, die de booze machten vat op
zich geven, door bedrijf, leefwijze of beoefening van wat hun lief
en welgevallig is, de inspiratie van dezen ontvangen en hunne
wijsheid en kennis deelachtig worden."
In zijne, van 248 dateerende, verdediging van het Christendom tegen
Celsus, komt hij eveneens voor de realiteit der magie op, en wel naar
aanleiding van Celsus' bewering, dat het er niets toe doet, of men den
hoogsten God Zeus noemt dan wel hem een anderen naam geeft (I, 24).
Met het oog op het feit, dat de toovenaars veel aan zekere namen en eene
bepaalde uitspraak daarvan hechten, betoogt Origenes dat "wanneer ook de
zoogenaamde magie niet, zooals de aanhangers van Epicurus en Aristoteles
[z.b. II] meenen, eene zaak zonder eenige orde of verband is, maar,
zooals de er in bedrevenen aantoonen, op vaste regels en grondstellingen
berust, die echter slechts aan zeer weinigen bekend zijn", men gerust
mag beweren, dat de namen Sabaoth, Adonai e.a., welke bij de Hebreeën
met grooten eerbied worden overgeleverd, niet aan het een of andere
toeval hun ontstaan te danken hebben, maar op eene zekere geheime
godsleer" berusten. De namen der hoogere machten kunnen voor zekere
doeleinden worden gebruikt, mits uitgesproken op eene zekere manier en
in de taal van dat volk, waarbij ze behooren; de aardsche demonen zijn
immers in dier voege over de verschillende landstreken verdeeld dat
bijv. sommigen slechts over Egypte, anderen slechts over Perzië macht
uitoefenen.
Het volgende dient tot verdere toelichting (25):
"Wie de geheime beteekenis der namen vermag te beredeneeren, zou
ook veel kunnen vinden aangaande de benaming der engelen Gods,
waarvan de een Michaël, een ander Gabriël, en weer een ander
Raphaël heet, overeenkomstig de diensten die zij in 't heelal
verrichten volgens den wil van den albeheerschenden God. Tot
beschouwingen van soortgelijken aard geeft ook onze Jezus
aanleiding, wiens naam alleen reeds duizenden demonen voor aller
oogen uit zielen en lichamen heeft verdreven...
Wat de kwestie van de namen betreft, moeten wij nog opmerken, dat
diegenen, welke in het gebruik der bezweringen ervaren zijn,
beweren, dat dezelfde bezwering, in haar eigenaardigen tongval
uitgesproken, ten uitvoer kan brengen wat zij belooft, maar dat ze,
omgezet in eene andere taal, welke dan ook, krachteloos blijkt te
zijn en niets vermag. Dus is het niet de zakelijke beteekenis der
woorden, maar zijn het de hoedanigheden en eigenaardigheden der
klanken die in zich de kracht hebben om dit of dat te doen".
Dit slaat blijkbaar op de tooverpapyri, waarin ook de namen van engelen
en van Jezus voorkomen. Hier zij nog opgemerkt, dat Michaël beteekent:
"Wie is als God?", Gabriël "Man Gods" en Raphaël "God heeft genezen".
Met dat al mogen de "wonderen" der magiërs niet met die van Jezus en de
apostelen op eene lijn worden gesteld (I, 68):
"Geen van de toovenaars spoort door hetgeen hij doet, de
toeschouwers tot zedelijke verbetering aan, noch onderwijst hij
hen, die over de vertooningen versteld staan, in de vreeze Gods,
noch proeft hij hen te overreden om zoo te leven, dat zij voor God
zullen worden gerechtvaardigd. Niets van dit alles doen de
toovenaars, daar zij niet kunnen of niet eens willen of geneigd
zijn, om zich te bemoeien met hetgeen tot verbetering der menschen
dient, daar zij immers ook zelven vol zijn van de schandelijkste en
beruchtste zonden. Maar ligt het niet voor de hand, dat Hij, die
door de wonderen die Hij verrichtte, de aanschouwenden tot
zedelijke verbetering aanspoorde, zich zelf niet alleen aan zijne
eigenlijke discipelen maar ook aan de anderen als voorbeeld van het
volmaakte leven toonde?"
Het verschil tusschen de "wonderen" der magiërs en die der Christenen is
dus hierin gelegen dat de laatsten eene zedelijke strekking hebben welke
aan de tooverij ten eenemale wordt ontzegd. Dat echter ook Origenes bij
de beoordeeling der magiërs hier geenszins de noodige objectiviteit in
acht neemt, is maar al te duidelijk.
Er is ons van Origenes ook nog eene lezing bewaard gebleven over I
Samuël 28, 3--25, d.w.z. over de "toovenares van Endor" (z.b.), waarin
hij naast allerlei minder klemmende argumentaties ook blijk geeft van
echte wetenschappelijkheid en met de grootste beslistheid de realiteit
van Samuël's verschijning handhaaft. Tot hen, die zooals bijv.
Tertullianus (z.b.) hier met uitvluchten aankomen als "De satan zelf
neemt de gedaante van een engel des lichts aan; geen wonder dus, dat ook
zijne dienaren zich voordoen als dienaren der gerechtigheid", richt de
geleerdste van alle oude Christenen de nuchtere vraag (c. 4): "Maar wat
is het, wat de vrouw zag?"--"Samuël". En waarom luidt het niet: "De
vrouw zag een demonisch wezen, dat voorgaf, Samuël te zijn?" Maar er
staat geschreven: "Saul herkende Samuël, dat hij het was." Als het niet
Samuël was, had er geschreven moeten staan: "En Saul meende dat het
Samuël zelfwas." Nu staat er echter geschreven: "Saul herkende", en
niemand herkent iets wat niet bestaat." Voorts betoogt Origenes (c. 5
vlg.), dat de woorden, Samuël in den mond gelegd, waarheid bevatten,
hetgeen er niet voor pleit dat een demon, maar dat Samuël zelf
verschenen is, en tracht hen, die zich ontzetten bij de gedachte dat de
heilige Samuël zich in het schimmenrijk zou bevinden (c. 3), gerust te
stellen, door uitvoerig te betoogen (c. 6) dat immers Christus zelf, die
toch hooger staat dan wie ook der profeten en heiligen, naar het
schimmenrijk is neergedaald.
Toen Hiërocles, een hooggeplaatst ambtenaar en, naar verluidt, een
medewerker van de "Diocletiaansche" vervolging (z.b.), in zijn tot de
Christenen gericht "Waarheidlievend woord" de wonderen van Apollonius
van Tyana (vgl. IV begin) boven die van Jezus stelde, werd hij (na 311)
bestreden door Eusebius van Caesarea (later de bekende kerkhistoricus),
die in een betoog tegen Philostratus' leven van Apollonius scherpe
kritiek op de verhalen in quaestie oefent en, voor 't geval ze toch
waarheid mochten bevatten, liefst aan de inwerking van booze geesten
denkt. Vgl. bijv. de volgende redeneering (c. 31):
"Want dat hij [Apollonius] eene epidemie vooruit gevoelde, zou wel
is waar kunnen schijnen niets met tooverij te maken te hebben,
indien hij dit, zooals hij zelf verzekerde, aan zijne allersoberste
en reine leefwijze te danken had, maar misschien was het hem ook in
een onderhoud met een demon van te voren medegedeeld".
Het in-'t-leven-terugroepen van een overleden meisje, wat immers ook aan
Apollonius werd toegeschreven (vgl. IV), is blijkbaar door schijndood te
verklaren en dus volstrekt geen wonderdaad (t.p.).
In 313 had het groote feit plaats, dat de toestanden in het Romeinsche
rijk ingrijpend veranderde: Constantijn en zijn medekeizer Licinius
stelden nl. door het tolerantie-edict van Milaan liet Christendom met de
andere godsdiensten gelijk. Daar echter de kerk aan andere religies het
bestaansrecht ontzegde, waren deze van nu af aan feitelijk in het
ongelijk gesteld en ook de magie kwam daarbij in verdrukking, al toonde
Constantijn zelf, zooals uit navolgend, in 321 uitgevaardigd
besluit[89] blijkt, zich in dit opzicht vrij gematigd:
"De wetenschap diergenen moet gestraft en te recht met de strengste
wetten gekastijd worden, van wie men ontdekt, dat zij, gewapend met
magische kunsten, iets tegen het leven van menschen ondernomen of
kuische gemoederen tot wellust verleid hebben. Geen beschuldigingen
echter zijn in te brengen tegen geneesmiddelen, in 't belang van
menschelijke lichamen gebruikt, of tegen tooverspreuken, in
landelijke streken onschuldiglijk toegepast om bij rijpen wijnoogst
zich van vrees voor slagregens of schade door hagelsteenen te
vrijwaren, hulpmiddelen waardoor niemands leven of goede naam
gevaar loopt, maar wier uitwerking moet dienen om te beletten dat
goddelijke gaven en menschelijke arbeid te niet gaan."
Het Neoplatonisme, dat in steeds toenemende mate de verdediging van de
oude godsdiensten tegen het Christendom op zich nam, had toenmaals als
leider den reeds bovenvermelden Iamblichus. Een geschiedschrijver van
omstreeks 400, Eunapius, die zijn leven in korte trekken schetst,
verzekert ons dat de gevierde wijsgeer de magie practisch beoefende. Wij
wenschen hieromtrent den lezer nader in te lichten.[90]
De leerlingen van Iamblichus, wien hij een bewijs had gegeven van zijne
supranormale gave, wenschten gaarne iets grooters te ervaren en hij
antwoordde hun, dat dit niet van hem zelf, maar van het juiste tijdstip
afhing. Toen ze zich nu eenigen tijd daarna, in het mooie seizoen, naar
Gadara hadden begeven, eene Syrische stad, die om hare warme bronnen
beroemd was, kwamen zij nogmaals met hetzelfde verzoek tot hem:
"Glimlachende zeide Iamblichus: "Het is wel is waar niet
overeenkomstig den ritus, dit te toonen, maar om Uwentwille zal het
geschieden." Hij beval zijnen begeleiders, van de inboorlingen te
vernemen, hoe twee van de warme bronnen, die wel kleiner, maar
liefelijker dan de anderen waren, van oudsher genoemd werden. Nadat
zij aan zijne opdracht hadden voldaan, zeiden zij: "Het is
volstrekt geen geheim: deze hier heet Eros [liefde] en deze in de
nabijheid heeft den naam van Anteros [wederliefde]," Hij echter
raakte terstond het water aan (want hij zat juist op den rand,
waarover heen de stroom zich uitstortte), voegde er eene korte
spreuk aan toe en riep van onder uit de bron een knaap te
voorschijn. De knaap was blank van huidkleur en van tamelijke
grootte; zijne goudachtige haren omglansden zijn rug en borst en
over 't geheel leek hij op iemand, die zich baadde of gebaad had.
Verbazing beving de vrienden, hij echter zeide: "Laten wij naar de
bron hier naast gaan" en hij ging hun voor, in gepeins verzonken.
Nadat hij ook daar dezelfde handeling had voltrokken, riep hij den
anderen Eros te voorschijn, aan den vorige in alles gelijk, behalve
dat zijne haren donkerder en met lichtblond gemengd neerstroomden.
Beide knapen omhelsden hem en leunden tegen hem aan alsof hij hun
eigen vader was. Hij echter gaf ze aan hunne eigen verblijven terug
en ging, na zich gebaad te hebben, heen, terwijl de vrienden van;
ontzag vervuld waren."
Eunapius verzekert hierbij zegslieden te volgen, "die aan andere dingen
geen geloof schonken, maar voor de waarneming van het aanschouwde
moesten bukken."
Men heeft dit verhaal voor "mal" uitgemaakt; en vrijwel als een
verzinsel beschouwd. Daarmede zijn echter de moeilijkheden, die het
oplevert, niet uit den weg geruimd. Immers de "malle wonderverhalen" van
Eunapius komen zeer goed overeen met wat de grootste Neoplatonische
denkers hebben geleeraard. Iamblichus zelf weidt in het boven door ons
aangehaalde geschrift "Over de mysteriën" (II, 3) nader uit over de
schoonheid zoowel van de goden als van de demonen bij hun verschijnen.
Porphyrius, de nuchterste aller Neoplatonici, geloofde, zooals wij later
uit een citaat van Augustinus zullen zien, aan "wonderbaarlijk schoone
beelden" van "engelen" of "goden" bij de theürgische handelingen.
Plotinus spreekt in het bekendste van zijne geschriften, in het betoog
"Over het schoone" (Enn, I, 6), van diegenen (c. 7) "wien eene
verschijning van goden of demonen ten deel is gevallen en die niets meer
willen afweten van de schoonheid der andere lichamen." Aan zulke
onomwonden uitspraken van scherpzinnige en hoogstaande denkers moet o.i.
toch wel eene zekere objectiviteit beantwoorden. Men heeft dan ook bij
dit verhaal van Eunapius gedacht aan de zg. materialisaties, d.w.z.
tastbare, soms zeer schoone, verschijningen, zich vormende uit stoffen,
onttrokken aan het lichaam van zekere "mediums," en ook "critische"
onderzoekers zijn geneigd, hierbij aan reëele, overigens uiterst
raadselachtige, verschijnselen te denken. Maar ook afgezien daarvan laat
zich de historiciteit van het boven aangehaalde geval best handhaven,
wanneer men nl., met een niet onverdienstelijk occultist, aanneemt, dat
daarbij eene opwekking van "hallucinaties" plaats heeft gevonden.
Vergelijkt men de beschouwingen van Iamblichus over de magie met de
theorie van Plotinus, dan springt het verschil duidelijk in 't oog. Bij
Plotinus domineert het abstracte, bij Iamblichus het persoonlijke. De
leer der "sympathie" (z.b.) wordt door den laatstgenoemde niet bijster
hoog aangeslagen; vgl. het boven reeds vermelde geschrift: "Over de
mysteriën" (X, 3): "Wanneer ons van nature eene zekere geschiktheid te
beurt valt om de toekomst vooruit te weten, zooals bij dieren een
voorgevoel opkomt van aardbevingen of winden of stormen, dan schijnt
mij dat volstrekt niet ontzagwekkend toe. Immers eene zoodanige ons
aangeboren voorspellingsgave treedt bij ons op ten gevolge van scherpte
van waarneming of ten gevolge van sympathie of ten gevolge van eenige
andere samenwerking van natuurlijke krachten en heeft niets
eerbiedwaardigs of bijzonder verhevens." Iamblichus streeft naar hooger:
(4) "Alleen de goddelijke wichelarij, die van de goden afhangt, maakt
ons waarlijk het goddelijke leven deelachtig, zij, die deel heeft aan de
voorkennis en aan de goddelijke begrippen." De goden, die Plotinus
slechts zelden noemt, zijn het overheerschende bij Iamblichus, die dan
ook het gebed op onvergelijkelijk schoone wijze verheerlijkt (V, 26).
Plotinus is meer monistisch-zelfgenoegzaam, Iamblichus meer
pluralistisch-religieus.
Het optreden van Iamblichus, hoe men ook over hem moge denken, beduidt
een ommekeer in de Neoplatonische philosophie. Het systematiseeren,
reeds door Plotinus beoogd, door Porphyrius verwaarloosd, wordt nu de
hoofdzaak voor den wijsgeer, die tevens met behulp van
getallenspeculatie en steunende op de religieuze overleveringen van
allerlei volkeren, de geheimen der onzichtbare wereld tracht te
ontsluieren en in vaste formules te brengen, Iamblichus, ook nu nog door
velen wordt miskend, muntte niet slechts uit door dialectische gevatheid
en "scholastieke" scherpzinnigheid, maar ook door veelomvattende
geleerdheid en psychologisch inzicht, Iamblichus heeft bewerkt, dat het
Neoplatonisme zich nog meer dan twee eeuwen handhaafde, ja zelfs, zooals
wij spoedig zullen zien, op een zeker oogenblik een ernstig gevaar voor
het Christendom opleverde.
Keizer Constantius (337-361) was bijzonder op de magie en wat er mee
samenhangt, gebeten; driemaal heeft hij er verordeningen tegen
uitgevaardigd. In de eerste (357) staat o.m.: "De Chaldeeërs
[sterrewichelaars] en magiërs en de overigen, welke het volk om de
grootte hunner misdrijven boosdoeners noemt", en: "Zwijgen worde voor
altijd opgelegd aan alle onbescheiden onderzoek naar de geheimen der
toekomst. Want al wie aan onze bevelen gehoorzaamheid weigert zal de
doodstraf ondergaan, door het wrekende zwaard neergeveld"[91]. De
tweede, niet geheel duidelijke verordening (van 't zelfde jaar) luidt:
"Velen, gebruik makende van tooverkunsten, aarzelen niet, de elementen
in verwarring te brengen, de levens van onschuldigen te bedreigen, en
durven de schimmen op te roepen ... opdat een ieder zijne vijanden door
booze kunsten ombrenge. Dezen vertere het doodelijk verderf, daar zij de
natuur vijandig zijn"[92]. Met vooropstelling van het feit dat
bekleeders van eerambten in gewone gevallen niet aan den lijve; mogen
worden gepijnigd, gelast evenwel het derde, slecht gestelde, edict (358)
dat "indien eenig; magiër ... of ingewandziener of profeet ... of
astroloog ... of wie iets dergelijks in mijne omgeving ... uitoefent,
wordt betrapt, dan zal zijne waardigheid hem niet voor de pijnbank
behoeden. Wanneer hij, hoewel van schuld overtuigd, zich met hardnekkig
loochenen tegen diegenen heeft verzet, die zijne misdaad aan den dag
brengen, moet hij aan de pijnbank worden overgeleverd en, terwijl de
folterklauwen hem de zijden verscheuren, straffen ondergaan, zulk eene
misdaad waardig"[93].
Er waren Neoplatonici, die, allicht uit vrees; voor zulke strenge
bepalingen, zich van de beoefening der magie verre hielden, anderen
echter legden zich, desondanks, met allen ijver op haar toe. De strijd
tusschen die beide richtingen heeft, zooals uit het verhaal
dienaangaande bij Eunapius, nl. in het leven van Maximus[94], blijkt, op
een zeker moment verstrekkende gevolgen gehad, ook op staatkundig
gebied.
Prins Julianus toch, geb. 332, zoon van een jongeren stiefbroer van
Constantijn den Groote, stelde belang in de philosophie en begaf zich
naar den gevierdsten der toenmalige Neoplatonici. Aedesius, maar deze,
reeds oud van dagen en ziek van lichaam, verwees hem naar zijne
discipelen. Toen nu een van dezen, een zekere Eusebius, in een onderhoud
met den prins de logica en de dialectiek voor "het werkelijk zijnde"
verklaarde, de magische kunsten daarentegen, "die de zintuigen bedriegen
en betooveren", voor het werk van "wonderdoeners en van diegenen die in
hunne uitzinnigheid en razernij tot zekere stoffelijke machten
vervallen", wilde Julianus er meer van weten, en ten slotte zeide
Eusebius:
"Er is een zekere Maximus, een van de oudere en goed onderrichte
toehoorders; deze veracht ten gevolge van zijn groot vernuft en de
uitnemendheid van zijn redeneervermogen de bewijzen in de logica en
is tot zekere uitzinnigheden vervallen. Onlangs riep hij ons, die
aanwezig waren, naar den tempel van Hecate en toonde ons vele
getuigen van zijn optreden. Toen wij hem ontmoet en de godin onze
vereering betoond hadden, zeide hij tot ons: "Gaat zitten, beste
vrienden, en ziet wat er gebeuren zal en of ik iets boven het gros
der menschen uitsteek". Nadat hij dit gezegd had en wij allen waren
gaan zitten, brandde hij eene korrel wierook en mompelde tot zich
zelf de eene of andere hymne en bracht het met zijne vertooning zoo
ver, dat het beeld eerst glimlachte en vervolgens een zeer
duidelijk lachen te zien was. Toen wij nu over dien aanblik in
opschudding geraakten, zeide hij: "Maar laat niet één van U
hierdoor in de war geraken, want terstond zullen ook de fakkels,
welke de godin in de handen draagt, ontstoken worden", en het woord
was nog niet uitgesproken, of het licht vlamde in de fakkels op.
Wij stonden op dat oogenblik over dien theatralen wonderdoener
versteld en gingen heen. Gij echter moet niets van die dingen
bewonderen, zooals ook ik dat niet doe, maar gelooven dat de
reiniging door middel van de rede iets van belang is". Maar
Julianus, dit hoorende, riep uit: "Vaarwel, en houd U aan de
boeken; mij echter hebt gij den man genoemd, dien ik zocht."
Dat Maximus inzonderheid door magische kunsten zulk een ontzaglijken
invloed op Julianus heeft uitgeoefend, dat deze het Christendom den rug
toekeerde en de oude religie in eere trachtte te herstellen, blijkt ook
uit de verhalen die dienaangaande bij de Christenen in omloop waren. Wij
geven hier aan een tijdgenoot, den kerkvader Gregorius van Nazianze (in
Klein-Azië) het woord, die aangaande Julianus, als eene "niet
ongeloofwaardige" gebeurtenis het volgende verhaalt (Rede IV, 55 vgl.):