verontwaardiging op en zijn dan ook een der hoofdpunten in de meest
diepgaande polemiek, die toenmaals is gevoerd over de magie en wat er
mee samenhangt. Porphyrius toch, de bovenvermelde leerling van Plotinus,
had in zijn "Brief aan [den priester] Anebo" allerlei vragen opgeworpen,
inzonderheid aangaande de hoogere magie, en ronduit verklaard, dat hij
met de moeilijkheden, die zich daarbij aan zijn geest voordeden, niet
goed raad wist. Er kwam een antwoord, op naam van den "Leermeester
Abammon". Abammon is echter (zooals blijkbaar ook Anebo) een gefingeerde
naam waarachter, naar o.i. niet meer te betwijfelen valt, zich de Syriër
lamblichus verbergt, een discipel van Porphyrius zelf. De titel, dien
men aan dit boek gewoonlijk geeft, luidt: "Over de mysteriën".
Hooren wij nu Porphyrius' bezwaar tegen de magische dreigementen (c. 30
vlg.):
"Nog veel onredelijker is het échter, dat een mensch, die aan het
toeval onderworpen is, niet slechts een demon, als het zoo uitkomt,
of de ziel van een overledene, maar koning Helios [de zon] zelf of
de Maangodin of een ander der hemelgoden met dreigementen schrik
aanjaagt en liegt, opdat zij de waarheid zullen spreken. Want te
zeggen, dat hij 'den hemel zal verbrijzelen en de geheimen van Isis
zal blootleggen en het in Aby-' dos [in Egypte] verborgene zal
toonen en de bark [waarop naar het Egyptisch geloof, de zonnegod
het hemelruim omzeilt] zal doen stilstaan en de ledematen van
Osiris voor Typhon zal uitstrooien--is er eene grootere
geestesverbijstering denkbaar, dan te dreigen met hetgeen men noch
zag, noch vermag, of eene meer vernederende vreesachtigheid dan om
net evenals onnadenkende kinderen, voor zóó ijdele schrikbeelden en
verzinsels bang te zijn?"
Het antwoord hierop luidt (VI, 5 vlg.):
"Met al dit soort van tooverspreuken bedreigen de menschen niet,
zooals gij meent, de zon of de maan of den een of ander der
hemelgoden (want dan zouden er nog grooter absurditeiten geschieden
dan waarover gij uwen onwil betuigt), maar, zooals ik in 't
voorafgaande zeide, een geslacht van in den kosmos verspreide
krachten, dat geen geest des onderscheids of rede bezit, dat van
een ander rede ontvangt en naar hem luistert, maar geen eigen
inzicht heeft, noch het ware van het leugenachtige of het mogelijke
van het onmogelijke onderscheidt. Dit geslacht wordt door het
uitstooten van opeengehoopte dreigementen in beweging en tot
verbijstering gebracht, daar het immers in zijn aard ligt, zelf
gedreven te worden door krachtuitspraken en anderen mee te sleuren
door zijne eigen verbijsterde en onbestendige verbeelding.
Maar dit heeft ook nog eene andere reden en wel als volgt. De
theürg [hoogere magiër] gebiedt de kosmische machten door de
kracht der geheimenissen niet meer als mensch of zich van eene
menschelijke ziel bedienende, maar als in de rij der goden
uitstekende gebruikt hij grootere dreigementen dan met zijn eigen
wezen overeenstemt, niet als of hij alles zou doen, wat hij
verzekert, maar bij een diergelijk gebruik van formules toonende
hoe groot en van welken aard de kracht is, die hij bezit door zijne
eenheid met de goden, welke de kennis der verborgene symbolen hem
heeft verschaft".
Die symbolen bestonden uit allerlei zinspelingen op de mythologie, uit
figuren, voorwerpen, uitheemsche namen en zonderlinge
letterverbindingen, waarvan immers de gnostieke geschriften; (z.b. IV)
en de tooverpapyri wemelen. En wanneer de symbolieke beteekenis van die
woorden en klankverbindingen voor ons onbegrijpelijk is,| dan is dit,
volgens Iamblichus (VII, 4) "juist het meest aanbiddenswaardige er aan;
ze is immers te verheven, dan dat ze voor ons denken zou kunnen worden
ontleed", vgl. ook de volgend uitspraak(II, 11): "Zoowel eene de
godenwaardige voltrekking van de geheime en alle denken te boven gaande
handelingen als de macht van de onuitsprekelijke en door de goden alleen
begrepene symbolen geeft ons de theürgische één wording".
Aangaande die dreigementen verdient nog het volgende uit Iamblichus (VI,
7) onze aandacht:
"De demonen houden de wacht over de onuitsprekelijke mysteriën
juist daarom zoo nauwgezet, omdat daardoor voornamelijk de orde in
't heelal wordt bewaard. Want daarom blijven de deelen van het Al
in rij en orde, omdat de weldadige macht van Osiris zuiver en
onbevlekt blijft en zich niet vermengt met de aan haar
tegenovergestelde disharmonie en verwarring. Het leven van alle
dingen blijft rein en onbedorven, omdat de verborgene en
levenbarende en redelijke schoonheid van Isis niet in het
verschijnende en zichtbare lichaam neerdaalt. In eeuwige beweging
en in eeuwige wording blijft alles, omdat de loop der zon nooit
stilstaat, volmaakt en zuiver blijft alles, omdat de verborgenheden
in Abydos nooit worden onthuld. Waaraan nu het universum zijn
behoud te danken heeft (ik bedoel aan het feit dat de geheimen
altijd verborgen bewaard worden en dat het onuitsprekelijke wezen
der goden nooit het tegenovergestelde lot ondergaat), daarvan
kunnen de aardsche demonen niet eens hooren, dat het ooit anders
zou zijn of geprofaneerd zou worden en daarom heeft eene zoodanige
wijze van bezweren eenige macht over hen".
Wij komen op Iamblichus, die meer tot de vierde eeuw en tot eene andere
denkrichting behoort, later terug.
Dat ook de belletrie sterk in het teeken der magie stond, blijkt o.m.
uit Heliodorus' "Aethiopische verhalen", een roman die zoowel door
fijne compositie als door fraaie beschrijvingen uitmunt en waaraan nog
in latere tijden beroemde auteurs veel hebben ontleend. In dezen roman,
die naar alle waarschijnlijkheid uit de laatste decenniën van de derde
eeuw dagteekent, wordt o.m. het leven van een Isispriester, Calasiris,
uitvoerig beschreven en daardoor als 't ware eene encyclopaedie van het
magische gegeven. Het belangrijkste daarvan is wel de passage, waar
Calasiris het onderscheid tusschen de "echte" en de "valsche" wijsheid
der Egyptenaren uiteenzet (III, 16):
"De eene is vulgair en wandelt, om het zoo uit te drukken, laag op
den grond, dient de spoken en geeft zich met doode lichamen af,
kleeft aan kruiden en hecht aan bezweringen; haar einddoel is nooit
iets goeds, noch voor haar zelve, noch voor hen, die zich van haar
bedienen; meestal faalt ze in hare pogingen, en brengt ze iets tot
stand, dan is het nog maar iets akeligs en armzaligs; ze laat
dingen zien, waarvan in werkelijkheid niets bestaat; ze stelt
verwachtingen te leur, is de uitvindster van ongeoorloofde
practijken en dienares van onbeteugelde lusten; de andere
daarentegen, de ware wijsheid, wier naam deze basterd zich
valschelijk toeëigent, die wij priesters en profeten van jongsaf
beoefenen, ziet omhoog ten hemel, heeft omgang met de goden en deel
aan de natuur der machtigere wezens; ze speurt de bewegingen der
sterren op en heeft tot winst de voorkennis der toekomst."
Zie hier dan het verschil tusschen "goëtie" en "theürgie" of "zwarte"
en "witte" magie, zooals men het nu gewoon is te noemen. Maar het
verschil ligt ten slotte meer in de bedoelingen dan in de handelingen
zelf, en ook wat de bedoelingen aangaat, wordt het verschil niet altijd
streng in acht genomen, daar immers Calasiris zelf herhaaldelijk
verzekert (II, 33, IV, 7 en 14) door medehulp van demonen liefde op te
wekken.
Bijzonder merkwaardig is in de aangehaalde passage de zinsnede, dat de
lagere magie "dingen laat zien, waarvan in werkelijkheid niets bestaat."
Dit wordt meer vermeld. Zoo sprak bijv. Celsus, in zijne bestrijding van
't Christendom (± 178) o.a. van lieden, die van de Egyptenaren de kunst
hadden geleerd om o.m. "kostbare maaltijden en tafels met gebak en
dessert te toonen, waarvan in werkelijkheid niets voorhanden is".[81] In
een zekeren magischen papyrus wordt die illusie aan de tooverkracht van
een geest toegeschreven: op eene wel is waar bedorvene, maar toch wat
den zin betreft, duidelijke plaats, luidt het nl.: "en indien gij een
maaltijd wilt aanrichten, zeg: iedere ruimte zooals het behoort ... snel
en onmiddellijk, terstond ... huizen met gouden daken, muren ...
glinsterende ... gij zult dit ook zien: men houdt het voor werkelijk,
maar het is slechts voor het aanschouwen".[82] In een zeker Christelijk
geschrift, welks auteur ons niet bekend is, worden de wonderen welke de
Egyptische toovenaars tegenover de wonderen van Mozes en Aäron stelden
(vgl. Exodus VII, 11, 12, 22 en VIII, 7), tot diergelijke illusies
herleid: "De wonderen, door Mozes verricht, bewerkten, daar zij door
middel van de goddelijke kracht geschiedden, eene reëele verandering van
het voorwerp in datgene, wat tot stand kwam; de wonderen, door de
bezweerders verricht, geschiedden door de kracht der demonen, die de
oogen der toeschouwers in dier voege betooverden, dat ze wat geen slang
was, als eene slang, wat geen bloed was, als bloed, en wat geen
kikvorschen waren, als kikvorschen zagen".[83] Eene andere, realistische
verklaring van deze magische vertooningen, zullen wij later ter sprake
brengen.
Wij wenschen hier nog een fragment uit de beschrijving van eene
doodenbezwering aan toe te voegen (VI, 14):
Calasiris en eene reisgenoote van hem zijn op een avond "terwijl de maan
juist opkwam en met helder licht alles bestraalde", getuigen van een
tooneel "wel is waar niet onschuldig, maar bij de Egyptische vrouwen
gebruikelijk." Eene oude vrouw nl., "in de meening van een oogenblik te
hebben, waarop ze niet gestoord en bespied werd, groef eerst een kuil,
stak vervolgens een brandstapel aan den buitenkant ervan in brand en
legde midden tusschen beide het lijk van haar zoon; ze nam een aarden
mengvat van een drievoet er naast, goot honig in den kuil en wederom uit
een ander vat melk en plengde wijn uit een derde. Voorts wierp ze een
klomp van deeg en vet, tot het beeld van een man gevormd en met laurier
en venkel bekransd, in de groeve. Hierna greep ze een zwaard en na zich
in extase te hebben gebracht, riep ze de maangodin met vele barbaarsche
en vreemd klinkende namen aan, sneed zich in den arm, veegde met een
lauriertak zich het bloed af en besprenkelde den brandstapel; ze deed
nog andere wonderbaarlijke dingen, bukte zich eindelijk over het lijk
van haar kind, fluisterde hem eene bezwering in 't oor, deed hem
ontwaken en noodzaakte hem door hare tooverkunsten recht op te staan."
Niet echter wijsgeeren en schrijvers alleen, maar ook keizers waren de
magie toegedaan.
Caracalla (211-217), die de Isisreligie met den oud-Romeinschen
eeredienst gelijk stelde, en ter eere van Apollonius van Tyana een
heiligdom oprichtte[84], liet overal vandaan magiërs ontbieden en
trachtte door middel van doodenbezwering te weten te komen welk een
einde hem wachtte en of iemand een aanslag op de heerschappij
beraamde.[85] Heliogabalus (218-222), een vurig vereerder van Cybele
(z.b. IV), bediende zich ten allen tijde van "duizenden" amuletten en
liet, naar verzekerd wordt, door toovenaars geheime offers van knapen
uit de hoogste standen brengen, ten einde uit hunne ingewanden de
toekomst te kunnen voorspellen[86]; een onzer bekendste romanciers heeft
dit op artistiek-griezelige wijze beschreven.
Naar aanleiding van deze laatste beschuldiging, die, zooals (in III)
bleek en nog blijken zal, ook tegen anderen is gericht, zij hier
opgemerkt, dat voorzoover wij weten, de tooverpapyri, d.w.z. de
officiëele bescheiden omtrent de magie, slechts in twee (reeds in III en
in dit hoofdstuk vermelde) passages, die bovendien parallelplaatsen
zijn, van menschenoffers melding maken en dan nog wel met afkeuring. Men
kan gerust aannemen, dat althans in het Romeinsche keizerrijk niet dan
bij hooge uitzondering menschen ter wille van magische doeleinden zijn
gedood. De geheimzinnigheid, waarmede de toovenaars--zooals trouwens ook
de Christenen--zekere handelingen verrichtten, was geen gegronde reden,
om daarbij aan het ergste te denken. Het meeste bloed werd ook toen ter
tijd in 't openbaar vergoten.
Alexander Severus (222-235), zachtzinnig en verdraagzaam, had in zijne
huiskapel naast de beeltenissen van Orpheus en Christus ook die van
Apollonius.[87] Aurelianus (270-275), een der grootste keizers, evenzeer
uitmuntende in 't oorlogvoeren als in 't landsbestuur, liet zich door
eene verschijning van Apollonius weerhouden om diens vaderstad te
verwoesten en beloofde hem standbeelden en een tempel op te richten.[88]
Daarentegen vaardigde de achterdochtige Diocletianus (284-305), aan
wiens naam de wreedste van alle Christenvervolgingen in 't Romeinsche
rijk verbonden is, ook strenge bepalingen tegen de magie uit.
Wij gaan nu tot de Christenen over, om hunne houding tegenover de magie
nader te bepalen.
Tertullianus uit Afrika (±155-±220), een der vernuftigste en
zeggingskrachtigste, maar tevens ook een der bekrompenste en
onverdraagzaamste voorvechters die het Christendom ooit heeft gehad,
hield de magie voor eene mixtuur van goochelarij en duivelswerk.
Allerkarakteristiekst is de volgende, overigens niet gemakkelijk te
vertalen passage uit zijn "Verweerschrift" (197), waarin hij (c. 23)
naar aanleiding van de "wonderen" der goden uitroept:
"Indien voorts ook de magiërs fantomen te voorschijn roepen en de
zielen van reeds afgestorvenen schandaliseeren, indien zij knapen
tot het uitspreken van orakelen nopen[?], indien zij door middel
van goocheltoeren vele wonderen schijnen te verrichten, indien zij
ook droomen zenden, daar zij de eens voor al aangeroepene macht van
engelen en demonen tot bijstand hebben, door welke ook geiten en
tafels gewoon zijn geraakt te voorspellen, hoe veel meer zal die
macht [nl. de demonen] naar eigen verkiezing en tot haar eigen
voordeel met alle kracht trachten te volbrengen, wat ze in eens
anders belang [nl. dat van den magiër] doet?"
Van geiten bij de wichelarij is ook elders sprake, vgl. bijv. Diodorus
uit Sicilië, een geschiedschrijver ten tijde van keizer Augustus, (XVI,
26): "Men zegt dat oudtijds geiten het orakel [te Delphi] hebben
ontdekt, en om die reden bedienen de Delphiërs zich tot nu toe meestal
van geiten om godspraken te verkrijgen". En wat de voorspellende tafels
betreft, zullen wij in het verder verloop van dit hoofdstuk een hoogst
interessant geval hiervan vermelden.
Uitvoerig behandelt Tertullianus de doodenbezwering in zijn geschrift:
"De ziel", de eerste proeve van eene Christelijke psychologie, overigens
reeds dateerende uit den tijd, toen hij met de secte der zg.
Montanisten, ultra-rigoristische dwepers, sympathiseerde en met de kerk
op gespannen voet stond (na 202/3).
Het gaat hier in de eerste plaats om de oproeping van ontijdig
gestorvenen of gewelddadig omgekomenen, waarvan immers, zooals wij boven
gezien hebben, in de tooverpapyri herhaaldelijk sprake is. Tertullianus
wil van eene werkelijke verschijning der afgestorvenen niets weten en
verklaart (c. 57) de magie "zooals bijna allen"(!) ronduit voor
"bedrog". "De aard en wijze echter van dit bedrog ontgaat alleen den
Christenen niet". En hoe gaat dit dan in zijn werk? "Wel is waar worden
de ontijdig gestorvenen en gewelddadig omgekomenen aangeroepen, op grond
van het schijnbaar geloofwaardige argument, dat die zielen, welke een
wreed en ontijdig uiteinde door geweld en onrecht aan het leven
ontrukte, bij wijze van wedervergelding het meest tot het plegen van
geweld en onrecht geneigd zouden zijn. Maar het zijn demonen, die onder
hun schijn werken en nog wel het meest diegenen, die in hen huisden toen
zij nog leefden en die hen tot zulk een uiteinde brachten. Want wij
nemen aan, dat zoowat geen mensch zonder demon is en aan velen is het
bekend, dat door toedoen der demonen ontijdige en afgrijselijke
sterfgevallen worden bewerkt.... Ook dit bedrog van den boozen geest die
onder het voorkomen van de overledenen schuilt, toonen wij, als ik mij
niet vergis, ook door de feiten aan, omdat hij bij de exorcismen zich
soms voor een der ouders van zijn slachtoffer [t.w. den bezetene]
uitgeeft, soms voor een gladiator, of een dierenvechter, zooals ook bij
andere gelegenheden voor een god, op niets meer bedacht dan om juist dat
uit te schakelen, wat wij verkondigen, dat nl, alle zielen naar de
onderwereld worden gedreven; het geloof aan het oordeel en de
wederopstanding wil hij aan 't wankelen brengen. En toch erkent die
demon, nadat hij de aanwezigen heeft getracht te misleiden, ten slotte
door den aandrang der goddelijke genade overwonnen, zijns ondanks de
waarheid".
Dit laatste slaat op de bedoelde exorcismen, d.w.z. bezweringen om
"booze" geesten uit de bezetenen te bannen (z.b. III), eene practijk,
voornamelijk door de Christenen uitgeoefend. Het tot zwijgen brengen van
den "boozen" geest werd dan voor een bewijs van de waarheid der
Christelijke leer gehouden. Maar hooren wij Tertullianus verder:
"Aldus is ook bij dat andere soort tooverij, welke, naar men
gelooft, ook reeds tot rust gekomene zielen aan de onderwereld
ontrukt en aan het gezicht vertoont, geen ander bedrog meer aan 't
werk [n.l. dan dat der demonen]. Vooral omdat er ook een fantoom
bij wordt vertoond, omdat er ook een lichaam bij wordt gevormd; en
het is voor hem geen moeite, het uiterlijk gezicht te misleiden,
wien het gemakkelijk valt, de innerlijke scherpte des geestes te
verblinden. Aan Farao en de Egyptenaren schenen de slangen, die uit
de tooverstaven ontstaan waren, ook toe lichamen te zijn [vgl.
Exod. VII, 12], maar de waarheid van Mozes verslond de leugen
[d.w.z. de staf van Aäron verslond de staven der toovenaars, t.p.]
Veel deden ook de magiërs Simon en Elymas tegen de apostelen, maar
de straf van blindheid was geen goocheltoer [z.b. IV]. Wat voor
nieuws is het, als de onreine geest ook nu de waarheid naäapt?
Ziet, de kettersche volgelingen van dienzelfden Simon gaan nu zoo
prat op hunne kunst dat ze beloven zelfs de zielen van profeten uit
de onderwereld te halen. En ik geloof dat ze dit op leugenachtige
wijze vermogen. Immers het stond ook aan den "pythonischen" geest
toen ter tijd even goed vrij, de ziel van Samuel na te bootsen,
toen Saul, na God te vergeefs te hebben aangeroepen, de dooden
raadpleegde."
Tertullianus gaat hiermede over tot het verhaal van de "toovenares van
Endor", die een "pythonischen" geest bezat, aldus genoemd, omdat Pytho
(Delphi) de hoofdzetel van god Apollo, den beschermheer der waarzeggers
was. Daar dit verhaal ook later nog herhaaldelijk ter sprake komt,
willen wij het hier, tot betere oriënteering van den lezer, in zijn
geheel mededeelen.
Het staat in I Samuël 28.
"(5) Toen Saul het leger der Filistijnen zag, werd hij bevreesd en
zeer ontsteld. (6) Hij raadpleegde Jahwe, maar Jahwe antwoordde hem
niet, noch door droomen, noch door de uriem, noch door de profeten.
(7)Toen zeide Saul tot zijne dienaren: "Zoekt mij eene vrouw die
over een onderaardschen geest beschikt, opdat ik tot haar ga en
haar raadplege.'' Zijne dienaren zeiden tot hem: "Zie te Endor
woont eene vrouw die over een onderaardschen; geest beschikt." (8)
Toen maakte Saul zich onkenbaar, trok andere kleederen aan en ging
met twee mannen derwaarts. In den nacht kwamen zij bij de vrouw, en
hij zeide tot haar: "Voorzeg mij de toekomst door den
onderaardschen geest; doe voor mij opkomen, dien ik U noemen zal.
(9) Maat de vrouw zeide tot hem: "Gij weet wel wat Sau gedaan
heeft, hoe hij de toovenarij en waarzeggerij uit het land heeft
uitgeroeid. Waarom legt gij mij dan een valstrik om mij ter dood te
laten brengen?" (10) Toen zwoer Saul haar bij Jahwe "Zoo waar als
Jahwe leeft, gij zult om deze zaak geen straf beloopen." (11) Nu
zeide de vrouw "Wien zal ik voor U doen opkomen?" Hij zeid "Doe
Samuël voor mij opkomen". (12) Doch toen de vrouw Samuël zag,
schreeuwde zij luidkeels en zeide tot Saul: "Waarom hebt gij mij
bedroge Gij zijt Saul zelf!" (13) Maar de koning zeide tegen haar:
"Vrees niet. Zeg wat gij _ziet_". Toen zeide de vrouw tot Saul:
"Een Goddelijk wezen zie ik uit den grond opkomen". (14) Hij zeide
tot haar "Hoe ziet het er uit?" Zij antwoordde: "Een oude man komt
op; in een mantel is hij gehuld". Hier neigde Saul, begrijpende dat
het Samuël was zijn aangezicht ter aarde en wierp zich neder
(15)Samuël zeide tot Saul: "Waarom hebt gij mij in mijne rust
gestoord door mij te doen opkomen?" Saul zeide: "Ik ben zeer
beangstigd: de Filistijnen voeren oorlog tegen mij en God is van
mij geweken en heeft mij niet meer geantwoord, noch door de
profeten, noch door droomen, [noch door de uriem]. Daarom heb ik U
geroepen, om mij te verkondigen wat ik doen moet." (16)Samuël
zeide: "Waarom ondervraagt gij mij, terwijl Jahwe van U geweken is
en de partij van Uwen naaste gekozen heeft? (17)Jahwe doet U zooals
hij door mij gesproken heeft; hij scheurt U het koningschap uit de
hand en geeft het aan Uwen naaste, aan David. (18)Omdat gij niet
naar Jahwe geluisterd en zijnen toorngloed tegen Amalek niet
voltrokken hebt, daarom heeft Jahwe thans evenzoo aan U gedaan.
(19)Hij zal ook Israël met U in de hand der Filistijnen geven;
morgen zult gij en Uwe zonen bij mij zijn en zal Jahwe bovendien
het leger van Israël aan de hand der Filistijnen overleveren".
(20)Toen viel Saul haasstiglijk lang uit op den grond want hij was
zeer bevreesd geworden vanwege Samuëls woorden en had bovendien
geen kracht, daar hij den ganschen dag en den gansenen nacht niets
gegeten had".
De "uriem" waren een orakel waarbij men door het werpen van zekere loten
den wil Gods trachtte te weten te komen; het antwoord kon echter, zooals
uit v. 6 blijkt, ook geheel uitblijven.
Dat de toovenares Samuël, zooals hij verschijnt, een goddelijk wezen
noemt, stemt goed overeen met het geloof, door ons in IV vermeld, dat de
overledenen als "demonen", d.w.z. alsbovenmenschelijke wezens werden
beschouwd.
Waarschijnlijk had Saul opzettelijk gevast, om zich op de
doodenbezwering voor te bereiden, daar immers onthouding, althans van
zekere spijzen, algemeen geacht werd eene der voornaamste
voorbereidingen tot magische handelingen te zijn.
Laten we nu zien, hoe Tertullianus dit verhaal uitlegt:
"Verre zij het van ons te gelooven, dat de ziel van eenig heilige,
laat staan van een profeet, door een demon te voorschijn is
gehaald, daar wij weten dat Satan zelf zich in een engel des lichts
[2: Cor. XI, 14], hoe veel te meer dus in een man des lichts
verandert en aan 't einde [der wereld] zich zelfs voor God zal
uitgeven [2 Thess. II, 4] en wonderbaarlijkere teekenen zal
verrichten, om, zoo mogelijk, de uitverkorenen te verleiden [Matth.
XXIV, 24]. Zou hij, zoo ooit, toen geaarzeld hebben, zich voor een
profeet Gods uit te geven, vooral tegenover Saul, in wien hij zelf
reeds huisde? Meen niet, dat de demon, die het fantoom; deed
ontstaan een ander was dan die welke het aanbeval, maar dat
dezelfde geest èn in de leugenprofetes, èn in den afvallige
gemakkelijk loog, om geloof te vinden, die geest, door wien Saul's
schat daar was, waar ook zijn hart was, nl. waar God niet was. En
derhalve zag hij ook door middel van dengene, door wien hij
geloofde te zullen zien, omdat hij hem geloofde door wien hij zag."
Als men echter het verhaal onbevangen leest, dan blijkt er duidelijk uit
dat de bezweerster, maar niet dat Saul de verschijning zag, en evenmin
zal een onpartijdig lezer uit het verhaal de conclusie trekken dat de
schrijver ervan niet aan de realiteit van Samuël's manifestatie
geloofde.
Overigens staat Tertullianus volstrekt niet zoo ongeloovig tegenover
openbaringen uit eene andere wereld, als zij slechts door middel van
Montanistische profetie tot hem komen. Dit leert ons hetzelfde geschrift
(c. 9):
"Er is thans eene zuster bij ons, aan wie de genade der
openbaringen is ten deel gevallen, die ze in de kerk, te midden van
den Zondagsdienst, door de extase in den geest ontvangt; ze houdt
gesprekken met engelen, soms ook met den Heer en ziet en hoort
geheimenissen en doorgrondt de harten van sommigen en verstrekt
geneesmiddelen aan hen, die er naar verlangen."
Ongeveer in de jaren 230-235 schreef de bisschop Hippolytus zijne
"Weerlegging van alle secten", inzonderheid tegen de in IV behandelde
Gnostieken gericht, waarin hij echter ook een hoofdstuk afzonderlijk aan
de magiërs wijdde. Dit hoofdstuk is blijkbaar ontleend aan een recent
populair-wetenschappelijk geschrift over physica en mechanica, waarbij
ook de kunstgrepen der goochelaars nader ter sprake kwamen. Wij halen,
als bijzonder karakteristieke proef, de verklaring van eene
"godenverschijning" aan (IV, 35 vlg.):