Bezwering. Gij zijt mirre, de bittere, de lastige, de
verzoening-bewerkende onder strijdenden, de schroeiende en tot
beminnen dwingende alwie zich niet bekommeren om de liefde. Allen
noemen U mirre, ik echter noem U de vleeschverterende en
hartontvlammende. Ik zend U niet ver weg naar Arabië, ik zend U
niet naar Babylon, maar ik zend U naar Athenodōra de dochter van
Perictionē opdat gij mij van dienst moogt zijn bij haar, opdat
gij haar naar mij toe moogt voeren. Indien zij zit, niet moge zij
zitten, indien zij tot iemand spreekt, niet moge zij spreken,
indien zij naar iemand kijkt, niet moge zij kijken, indien zij naar
iemand toegaat, niet moge zij naar hem toegaan, indien zij
rondwandelt, niet moge zij rondwandelen, indien zij drinkt, niet
moge zij drinken, indien zij eet, niet moge zij eten, indien zij
iemand kust, niet moge zij kussen, indien zij zich vermeit in eenig
genot, niet moge zij zich vermeien, indien zij slaapt, niet moge
zij slapen, maar mij alleen, Callicles, moge zij in gedachte
houden, naar mij alleen verlangen, mij alleen liefhebben, alle
mijne verlangens vervullen. Dring tot haar in niet door hare oogen,
niet door haar ribben, niet door hare nagels, niet door haar navel,
niet door hare ledematen, maar door hare ziel en blijf in haar hart
en brand haar binnenste, haar borst, hare lever, haar adem, hare
beenderen, haar merg, totdat zij kome naar mij, Calliclēs, mij
lief hebbende en doe al wat ik verlang, omdat ik U, mirre, bezweer
bij de drie namen Anocho, Abrasax, Trō en den meer
achterhalenden en sterkeren Kormeiōth, Iaō, Sabaōth,
Adōnai opdat gij mijne opdrachten moogt vervullen, mirre! Zooals
ik U verbrand en zooals het in Uw vermogen is, aldus verbrand van
haar die ik bemin, Athenodōra, de hersenen, brand uit haar en
wring er uit het binnenste, doe het bloed uit haar uitdruppelen
totdat zij kome tot mij, Calliclēs, den zoon van Timocleia. Ik
bezweer U bij Marparkourith, Nasaari, Naiemarepaiparine, Kouri. Ik
werp U in 't brandende vuur en ik bezweer U bij den
albeheerschenden god, den altijd levenden; ik bezwoer U en bezweer
U ook nu, U, Adōnai, Barbar Iaō, Zagourē Arsamōsi,
Alaous, Kaisalaōs, ik bezweer U, die den mensch stelt tot leven,
hoor! hoor! O groote God Adōnaie, Ethuia, Zelfverwekker,
Altijdlevende God, Eiōē, Iaō, Aïō, Aïō, Phneōs
Sphintēs Arbathiaō, Iaō, Iaē, Iōa Aīoōn,
Ouēr, Gonthiaōr, Rarael, Abra Brachasoroormerphergar,
Marbaphriouiringx, Iaō, Sabaōth, Maskelli, Maskellō. De
bezwering: Amousōe, Anouringch, Phnoukentabaōth,
Sousaephinphesēch, Maphirar Anourin Ibanaoth, Arouēr,
Chnouph, Anoch, Bathi, Ouchiarbas, Babaubar, Elōai. Voer naar
mij Athenodōra, de dochter van Perictionē, naar mij,
Callicles, den zoon van Timocleia, op den dag van heden, in deze
nacht, in dit uur Mouloth, Phorith Phthoith, Phthōuth,
Peniōn. Ik roep ook u aan die het vuur beheerscht Phthananoch,
verhoor mij, gij Eene, Eeniggeboren Mane, Bia, Baï, Baï, Churir,
Oou, Thadein, Adōnai, Erounouni, Miōōnch Chioutiai, Marmar,
Auo, E, voer Athenodōra de dochter van Perictionē naar mij
Calliclēs den zoon van Timocleia nu, nu, reeds, reeds, snel,
snel!"
De namen van den minnaar, de beminde en de moeders hebben wij ter wille
van de grootere levendigheid zelf er in gevoegd; in den tekst staat N.N.
Dat men bij eene bezwering den naam van de moeder en niet dan bij
uitzondering dien van den vader noemt, zal wel een overleefsel zijn van
het z.g. moederrecht, d.w.z. de gewoonte om de afstamming naar de
moeder, in plaats van, zooals thans, naar den vader, te bepalen. Van het
moederrecht dat bij tal van primitieve volkeren heerscht, zijn n.l. ook
bij de oude oostersche volkeren sporen te vinden.
Overigens hebben wij deze bezwering in haar geheel weergegeven, met al
de tooverwoorden. Want blijkbaar is het niet slechts de accentuatie,
maar ook het aantal dier tooverwoorden, wat het gewenschte effect
bewerken moet. Zooals de lezer al spoedig ziet, zijn er Hebreeuwsche
uitdrukkingen onder; ook Egyptische bestanddeelen zijn te constateeren,
maar veel blijft uit den aard der zaak onzeker en onbegrijpelijk.
Slechts van "Abrasax" willen wij, omdat het straks te pas komt,
vermelden dat de getallenwaarde ervan (in 't Grieksch worden de getallen
door letters aangegeven) 365 bedraagt.
Aan Theocritus' in II en Vergilius' in III vermelde idyllen herinnert de
navolgende "Wonderbaarlijke liefdestooverboei" (v. 296-433), die wij
slechts gedeeltelijk aanhalen:
"Neem leem van een pottebakkerswiel en vorm twee beeldjes, een
mannelijk en een vrouwelijk; maak het mannelijke als den gewapenden
oorlogsgod, met een zwaard in de linker hand, en een slag doende
neerkomen op haar rechter sleutelbeen, haar zelve met de armen op
den rug geboeid en op de knieën neergezonken."
Dan moet de magiër op verschillende lichaamsdeelen van de vrouw
tooverwoorden schrijven en vervolgens dertien bronzen naalden nemen en
het beeldje in dier voege doorprikken, dat hij allereerst een in de
hersenen steekt met de woorden: "Ik doorprik de hersenen van u,
Simaitha" en zoo voort met de overige lichaamsdeelen. Daarna moet hij op
een looden plaatje eene bezwering inkrassen en uitspreken, voorts het
plaatje aan de beeldjes vastbinden met een draad uit een weefsel na in
dien draad driehonderd vijf en zestig knoopen te hebben gemaakt en
zeggen: "Abrasax houd vast!" Het toovergerei wordt bij zonsondergang,
naast de zerk van een ontijdig gestorvene of van een gewelddadig gedoode
neergelegd met de bloemen van dat jaargetijde er bij. In de bezwering
zelf; worden de onderaardsche goden en in 't bijzonder de blijkbaar aan
dieplek verbonden "doodengeest" aangeroepen; overigens lijkt ze zeer op
de eerst-aangehaalde bij het mirre-offer, maar is langer en
hartstochtelijker, zooals o.m. blijkt uit v. 396-406:
"Ik bezweer u, doodengeest, bij den geduchten grooten Oaeō
Baphrenemounothilarikriphia Eueai Phirkiralithonuomener
Phabōeai, dat gij Simaitha naar mij voert en dat zij haar hoofd
met mijn hoofd samenvoege en hare lippen met mijne lippen ... en
liefde met mij, Meleagros, uitoefene, al haar leven lang."
Aan deze "tooverboei" na verwant is (v. 1390-1495) de navolgende
"Liefdesopwekking door medehulp van helden, zwaardvechters of
gewelddadig omgekomenen.
Laat van het brood dat gij eet, een weinig over, breek het, maak er
zeven brokken van, ga naar eene plek waar helden, zwaardvechters en
slachtoffers van geweld gedood zijn, spreek de bezwering over de
brokken uit en werp ze neer en raap mest op van de plek waar gij
dit doet en werp hem binnen bij haar die gij begeert en ga en leg U
te ruste neer. De bezwering, uit te spreken over de brokken, is als
volgt:
"Aan de schikgodinnen, de noodzakelijkheden, de tooverijen, 't
verderf, de afgunst, de dooden, de ontijdig en gewelddadig
omgekomenen werp ik voedsel toe, o gij driehoofdige, nachtelijke,
slijkverslindende maagd, sleutelhoudster Persephassa, kind van
den Tartarus, norsch kijkende, geduchte met vurige slangen omgorde!
Philogynes mengde de overblijfselen van zijn eigen voedsel met
tranen en bittere zuchten opdat gij hem bijstaat, die door
kwellingen is bevangen, gij rampzalige helden, gij die op deze plek
wordt vastgehouden, gij lichtverstokenen, lotmisdeelden,
rampzaligen, staat Philogynēs bij, die zwoegt in zijn hart ter
wille van Misandra, de goddelooze en onreine. Voert haar in
kwellingen hierheen, zoo snel mogelijk. Eioutabaōth, Takerba,
Abrathiaō, Lalaoith, Iōsachōtou, Allalethō, en gij
heerscheres, slijkverslindende, Sunatra, Kabibau, Baras, Enphnoun,
schikgodin, Ereschiga Neboutosoualēth, zend de wraakgodin ...
die de zielen der afgetobde dooden met vuur opwekt; gij rampzalige
helden en ongelukkige heldinnen, gij die op deze plek, die op dezen
dag, die op dit uur [door mij wordt aangeroepen] ... verhoort mij
en wekt Misandra op in deze nacht en neemt haar den zoeten slaap
weg van de oogleden en geeft haar hatelijken kommer, geducht
verdriet en laat haar mijne sporen nazoeken en willen wat mijne
verlangens zijn totdat zij verricht heeft wat haar opgedragen wordt
door mij, o heerscheres Hecatē, Phorba, Phorba, Barbarō,
Phōrphōr, Phōrbai, godin der wegen, zwarte dog!"
Wanneer gij met dit te doen binnen drie dagen niets hebt
uitgericht, maak dan gebruik van het volgende dwangmiddel: ga naar
dezelfde plek en doe hetzelfde met de brokken, maar offer dan op
kolenvuur den mest van eene zwarte koe en zeg dit en raap weer den
mest op en werp hem weer zooals gij weet [dat ge doen moet]. De
bezwering bij het offer is de navolgende:
"O onderaardsche Hermes en onderaardsche Hecatē en onderaardsche
Acheron en gij, rauwverslindende onderaardschen en onderaardsche
god, en onderaardsche helden en onderaardsche Amphiaraos, en
onderaardsche dienstbaren en onderaardsche geesten en onderaardsche
misdrijven en onderaardsche droomen en onderaardsche eeden en
onderaardsche hoofdgodin en onderaardsche Tartarus en onderaardsche
tooverij en onderaardsche Charōn en onderaardsche wapendragers
en dooden en demonen en zielen van alle menschen komt heden;
schikgodinnen en nooddwang, brengt tot vervulling hetgeen geschiedt
bij deze liefdesopwekking, opdat gij tot mij voert Misandra, de
dochter van Aretē, tot mij, Philogynēs, den zoon van Laïs,
omdat ik u aanroep, de in-den-beginne-geboren Chaos, de Erebos, het
huiveringwekkende water van den Styx, de stroomen der vergetelheid,
de acherousische poel van het doodenrijk, Hecatē en Plouto en
Kora, de onderaardsche Hermes, de schikgodinnen en de straffen en
de Acherōn en gij Aiakos, deurwachter der eeuwige sluitboomen,
open ze zoo snel mogelijk, en gij sleütelhouder Anoubis, wachter!
Zendt voor mij naar boven de schimbeelden dezer dooden tot
dienstbetooning in dit uur, zonder uitstel, opdat zij, optrekkende,
naar mij, Philogynēs toevoeren Misandra, de dochter van
Aretē. Isis stapte met haar echtgenoot-broeder op de schouders,
Zeus, neergedaald van den Olympus, staat en wacht op de schimmen
der dooden, die gaan naar Misandra en doen wat ik opdraag. Alle
onsterfelijke goden kwamen en alle godinnen om te zien de schimmen
dezer dooden. Draalt dus niet en weest niet traag, maar zendt, o
goden, de schimbeelden dezer dooden, opdat zij gaan naar Misandra
en doen wat ik opdraag, omdat ik u bezweer bij Jao en Sabaōth en
Adonai ... Bourrephaomias, Salkē, Hadesbeheerscher, Sesengen.
Dit is de spreuk: Baliaba, Erechcharnoi, Aberidouma,
Salbachthieiserseratho, Eiserdaomi, Sisiphna, Sisa, Edoube,
Achcharitonēs, Aber, Phnouba, Jabaldenathi Ithrouphi, zendt naar
boven de schimbeelden dezer dooden naar Misandra de dochter van
Aretē, om te doen wat ik opdraag".
Deze bezweringen bestaan voor een groot gedeelte uit verzen en
fragmenten van verzen, blijkbaar aan de tragedie en het epos ontleend,
zooals immers ook in deze papyri herhaaldelijk versregels uit Homerus
als tooverspreuken worden aangehaald. Homerus was voor de Grieken
vrijwel hetzelfde als voor christelijke volkeren de Bijbel en het is een
feit dat ook verzen uit den Bijbel voor tooverdoeleinden zijn aangewend.
Het uiterst onaesthetische gebruik om mest als toovermiddel in het huis
van de beminde te werpen, schijnt ook nu nog in zekere landen voor te
komen en berust blijkbaar op het geloof, dat het "mana" van een
overledene ook voorwerpen welke op de plek komen te liggen waar hij
gestorven of begraven is, vermag te doortrekken en er zoodoende
tooverkracht aan te verleenen. Viezigheden komen overigens in de
tooverpapyri slechts vrij sporadisch voor.
Hoe men den toorn van een godheid als magisch middel moet gebruiken,
wordt voornamelijk in v. 2455-2705 uiteengezet. Men moet nl. na allerlei
voorbereidingen zich tot de maangodin wenden (v. 2472-2492):
"Moge de godin Actiophis mij toeblinken en mijne heilige stem
hooren! Ik treed op om mijne aanklacht uit te spreken tegen de
vuile en onreine Simaitha. Want zij gaf uwe heilige mysteriën aan
de menschen ter kennis prijs.... Ontruk haar den slaap, geef haar
verschroeiing der ziele, tuchtiging des geestes en verbijstering,
en verdrijf haar uit ieder oord en ieder huis, voer haar aldus naar
mij, Philogynes."
En in den dwangspreuk (v. 2574-2621,2643-2674) wordt beweerd dat
Simaitha aan de godin een gruwelijk offer brengt onder welks
bestanddeelen zich ook een ongeboren resp. een jong kind bevindt, zooals
wij reeds in hoofdstuk III terloops hebben vermeld.
Hoogst opmerkelijk is in de bovenvermelde "Liefdesaantrekking", evenals
trouwens ook in andere bezweringen de overspannen eisch dat het geheele
doodenrijk, dat alle goden moeten samenwerken, om één minnaar zijn zin
te laten krijgen. Allerzonderlingst bovenal is de mythologie er bij
gehaald; Grieksche, Egyptische, Joodsche, Babylonische goden, scherp
omlijnde figuren en vage abstracties worden om strijd aangeroepen.
Van edeler aard zijn de voorschriften (v. 154-285), die de toovenaar
Nephotes aan Psammetichus, den koning van Egypte zou hebben gegeven, ten
einde in het weerspiegelende water zelf de gedaanten van goden of
overledenen te zien en hunne stem te vernemen, de hydromantie, die,
zooals wij tegen het einde van hoofdstuk I zagen, reeds de legendaire
Romeinsche koning Numa Pompilius zou hebben beoefend.
Zij vereischt allerlei voorbereidingen, waarvan wij hier een en ander
willen vermelden. Men moet zich, met zwarte klimop bekransd, in bijzijn
van een inwijder, op zuiver linnen neerleggen, zich de oogen met een
zwarten riem laten omhullen, de houding van een doode aannemen en met
gesloten oogen tegen de zon gekeerd (v. 171-178), eene bezwering (v.
179-208), driemaal uitspreken (208 vlg.). Dan ontvangt men. aldus
"gewapend" een zeker teeken van den god en moet, onder dankbetuigingen,
op een aarden reukschaal wierook offeren, die zonder insnijding in de
boomschors is verkregen (v. 209-219).
Het voorschrift omtrent de eigenlijke handeling luidt (v. 223--231)
aldus:
"Neem een bronzen vat of schaal of beker, zooals gij wilt, doe er
water in, als gij de hemelgoden aanroept, regenwater, als gij de
aardgoden aanroept, zeewater, als gij Osiris of Sarapis aanroept,
rivierwater, als gij dooden oproept, bronwater, houd het vaatwerk
op uwe knieën, giet er olie van onrijpe olijven op, en zeg, terwijl
gij u er zelf over heen bukt, in het vaatwerk den daartoe
vereischten tooverspreuk en roep welken god gij wilt, aan, en vraag
hem waarover gij wilt en hij zal u antwoorden."
Bij deze tooverhandeling, die den koning alleen wordt medegedeeld (v.
254 vlgg.), dient men ook een amulet te dragen, en wel een zilveren
plaatje, waarop de naam van den grooten god is geschreven (v. 257
vlgg.).
Aangaande het betooveren van knapen, reeds in III en IV herhaaldelijk
vermeld, geeft o.m. de de zg. "neerval"-tooverij van "Salomo" (v.
850--929) ons nadere opheldering, eene handeling, die overigens ook met
volwassen mannen kan worden verricht en waaromtrent eveneens de meest
stipte geheimhouding wordt geboden (v. 851--856):
"Ik bezweer U bij de heilige goden en bij de hemelsche goden, aan
niemand de tooverhandeling van Salomo mede te deelen en ze niet met
den eerste den beste te verrichten, als niet eene noodzakelijke
aangelegenheid u dwingt, opdat niet de goden voortdurenden wrok
tegen u koesteren".
Daarna volgt eene aanroeping tot een god, om den magiër door middel van
een man of knaap omtrent welke zaak hij wil in te lichten. De handeling
zelf moet onder den blooten hemel plaats vinden en het medium op
ongebrandetichelsteenen worden neergezet. Driedaagsche onthouding van
sexueelen omgang, het gebruik van zekere planten als beschermmiddelen en
zekere kleedingstukken zijn vereischt (v. 897--904). Voorts wordt (v.
904--915) den magiër geboden:
"Hef uwe handen ten hemel naar de stralen van de zon toe en spreek
de bezwering zeven keer uit, offer uitnemenden wierook op hout van
wijnstokken, na wijn of bier of honig of melk van eene zwarte koe
te hebben geplengd en zeg vervolgens in 't oor van den betreffenden
man of knaap zeven keer de tooverspreuk en hij zal terstond
neervallen; maar gij zet u neer op de tichel-steenen en vraag hem
uit en hij zal alles naar waarheid uiteenzetten. Gij moet hem en
ook u zelf bekransen met een krans van geel Sint-Janskruid. De god
is op die plant gesteld".
Ter onttoovering moet de magiër de woorden Ananak, Arbeouēri en
Aeēiou[o-,] d.w.z. de opeenvolging der Grieksche klinkers, in 't oor
fluisteren en indien de uitwerking uitblijft, eene zekere soort sesam op
kolenvuur offeren met eene eenigszins gewijzigde bezwering en het
verzoek tot den god: "Heer, ga heen naar uwe eigene tronen en bewaar
(het medium) voor alle ellende (916--922).
Bij diergelijke tooverijen wordt ook wel gebruik gemaakt van eene lamp,
waarin zich zuivere olie bevindt (v. 1094 vlg.). De magiër spreekt met
geslotene oogen de tooverspreuk uit (v. 958) en kijkt eindelijk naar de
vlam van de lamp, waarin de aangeroepene god moet verschijnen (v.
1104--1114). Vaak liet men echter ook, zooals een Egyptisch tooverboek
uit dien tijd ons leert, een knaap, over wiens hoofd men eene bezwering
uitsprak, in het licht zien; had de verschijning niet plaats, dan moest
de knaap met zijn mond naar de lamp toegekeerd eene zekere formule
zeggen. En dan openbaarde de god zich aan den knaap op het gegeven
oogenblik.
Die "neerval"-tooverij zoowel als het gebruik maken van eene lamp,
roepen ons onwillekeurig eene zekere beschuldiging te binnen, tegen den
romancier-wijsgeer Apuleius gericht, zooals wij in IV hebben vermeld.
De aanroepingen, in die tooverpapyri tot de hoogere machten gericht,
zijn soms van verbijsterende grootschheid. Vlg. bijv. de navolgende tot
den minnegod (v. 1748--1796):
"Ik roep U aan, den leidsman van alle wording, U, die Uwe vleugelen
uitspreidt over de geheele wereld, U, den ongenaakbare en
onmeetbare, die in alle zielen de levenwekkende rede inblaast, U,
die alle dingen hebt samengevoegd door Uwe macht, Eerstgeborene,
Grondvester van het Al, goudvleugelige, zwartglanzende, die de
bezadigde redeneeringen wegbergt en duistere razernij inblaast U,
de verborgene, en die heimelijk aan alle zielen het niet te
aanschouwen vuur der verwekking toedeelt, U, die de hand legt op al
het bezielde, die niet met vermoeienis kwelt, maar met het
smartelijk genot van de wellust, uit wien alles is ontstaan! Gij
brengt bij Uwe ontmoeting leed aan, nu eens bezadigd, dan weer
onberedeneerd, gij, door wien de menschen tegen de plicht in durven
te handelen en dan de toevlucht nemen tot U, den zwartglanzende!
Gij, jongste, wettelooze, onverzoenlijke, onverbiddelijke,
onzichtbare, onlichamelijke, razernijverwekker, boogschutter,
fakkeldrager van alle geestelijke waarneming, heerscher over alle
verborgenheden, beschikker over de vergetelheid, oervader van het
zwijgen ... kom, gij, onnoozel als gij ver-, wekt wordt in 't hart,
machtigste als gij volgroeid zij't, ik roep U aan, den
onverbiddelijke, bij Uwen grooten naam Azarachtharaza, Lathaiathal,
Uuu, Lathaiathallalaph, loioio, Ai, Ai, Ai, Ai, Ouērieu Oiai ...
Eerstverschijnende, in-de-nacht-ver-schijnende,
in-de-nacht-U-verblijdende, nachtverwekker, verhoor mij!"
De volgende aanroeping, uit een der tooverpapyri van de Leidsche
bibliotheek[77] is niet min der indrukwekkend:
"Kom herwaarts tot mij ... o gij allesbeheerschende god, die de
menschen den adem tot leven hebt ingeblazen, heer van wat in de
wereld schoon is, verhoor mij, Heer, wiens verborgen naam niet is
uit te spreken, de naam, op het hooren waarvan de demonen wegduiken
..., de naam, op het hooren waarvan de aarde draait, de onderwereld
in opschudding geraakt, de rivieren, de zee, de poelen, de bronnen
verstijven, de rotsen scheuren! ... Gij zijt de goede geest, gij
zijt de heer, die alles verwekt en voedt en doet toenemen. Wie
vormde de gedaanten der dieren, wie vond de wegen, wie is de
schepper der vruchten, wie wekt de bergen ten hoogen op, wie beval
de winden hun jaarlijksch werk te verrichten? ... Gij zijt de ééne
onsterfelijke god, verwekker van alles en gij deelt aan alle dingen
zielen toe en beheerscht alles, koning der tijdperken en heer! En
de bergen beven met de vlakten en de stroomen van bronnen en
rivieren en de diepten der aarde ... de hoogblinkende hemel beeft
voor U en de geheele zee, o Heer! Albeheerscher, heilige en heer
van allen, door Uwe macht bestaan de elementen en groeit alles!"
Maar het komt, o.m. in diezelfde bezwering[78], ook voor, dat de magiër
zich met de goden vereenzelvigt:
"Ik ben het geloof, uitgestort over de menschen, en de profeet der
heilige namen, de heilige, die gegroeid is uit de diepte, ik ben de
heerscher die gegroeid is uit den heiligen god, ik ben de god, dien
niemand ziet, noch roekeloos noemt, ik ben de heilige vogel Phenix,
ik ben de heerscher, de heilige, bijgenaamd Marmauoth, ik ben de
zon, die het licht heeft vertoond, ik ben Aphroditē, bijgenaamd
Typhi, ik ben de heilige bestuurder der winden ik ben Kronos die
het licht heeft getoond, ik ben de moeder der goden die genoemd
wordt hemel, ik ben Osiris die genoemd wordt het water, ik ben
Isis, die genoemd wordt de dauw, ik ben Esenephus die genoemd wordt
lente, ik ben het beeld, voor de in waarheid bestaande beelden, in
de gelijkenis van een krokodil, ik ben Suchos."
Terloops zij opgemerkt, dat in sommige streken van Egypte de krokodil,
Souchos (Sebak) geheeten, goddelijke eerbewijzen genoot, zooals nu nog
in den Indischen archipel hier en daar het geval is.
Vereenzelviging met de godheid komt vaak voor, ook in het Nieuwe
Testament. In den brief aan de Galaten, II, 20 verklaart de apostel
"niet ik meer leef, maar Christus leeft in mij". En zeer sterk komt dit
uit in de zg. Oden van Salomo (waarschijnlijk uit de tweede eeuw
dateerende). Daar toch zegt de dichter in VII, 3 van Christus:
"Hij nam mijn wezen aan, opdat ik Hem zou begrijpen, en mijn gestalte,
opdat ik mij niet van Hem zou afwenden." En in XVII luidt het:
7. En Hij, die mij kende en mij opvoedde is de Allerhoogste in al
zijne volmaaktheid. En hij verheerlijkte mij door zijne
goedertierenheid en verhoogde mijn verstand tot de hoogte der
waarheid.
8. En vandaar gaf Hij mij het pad zijner voetsporen. En ik opende
de poorten, die gesloten waren.
9. En ik rukte ijzeren grendels af en het ijzer ontgloeide en
vloeide en versmolt voor mij.
10. En niets vertoonde zich voor mij gesloten: Want ik was de
opening van alles.
11. En ik ging tot al mijne gebondenen om hen los te maken,
Om geen over te laten gebonden of bindende.
12. En ik gaf mijne kennis mildelijk en mijn gebed in mijne liefde.
13. En ik zaaide mijne vruchten in de harten en veranderde hen in
mijzelven.
En zij ontvingen mijn zegen en leefden.
14. En zij vergaderde zich bij mij en werden verlost,
Want zij waren mij tot ledematen en ik hun hoofd."
De godsdienst gaat hier in mystiek over. Het is dus zake, kortelijk ook
op de mystiek onze aandacht te vestigen.
Mystiek in den meest volstrekten zin is het streven, om boven het denken
uit, zich met het allerhoogste (het goddelijke) te vereenzelvigen. Dit
streven vinden wij o.m. ook bij de Neoplatonici, inzonderheid bij
Plotinus. Hij toch verkondigt een monisme (eenheidsleer) in den meest
strengen zin des woords, d.w.z. hij wil alles tot één hoogste eenheid
herleiden. Die eenheid is voor hem God, van wien echter, strikt genomen,
niets te praediceeren valt; ook de uitdrukking "één" is in _dezen_ niet
anders dan het gebrekkig stamelen van de hier te kort schietende
menschentaal. God gaat ook boven het denken uit, want denken, hoe
eenvoudig ook, veronderstelt althans eene tweeheid, nl, iets dat denkt
en iets dat gedacht wordt; God echter is, als men iets van hem mag
praediceeren, het meest volstrekte Eén. Zooals van zelf spreekt, is het
ons doel, om ons tot God te verheffen. Dit moeten wij bereiken door ons
van de hartstochten los te maken, door ons te oefenen in het "zuivere"
denken, door eindelijk, van alles te abstraheeren. Dan eerst kan het
ons, in _zeldzame_ oogenblikken,--Plotinus zou het in zes jaren vier
keer hebben gehad[79]--te beurt vallen, om boven het denken uit, tot
eenwording te geraken met het Ééne. Dit is de unio mystica, de mystieke
eenwording, zooals men het in de middeleeuwen noemde bij de Oosterlingen
is zij in het zg. sufisme het einddoel der geloovigen en speelt een
groote rol in de Perzische litteratuur.
Keeren wij tot de magie terug, dan blijkt ten duidelijkste, hoe zeer
zij van de mystiek verschilt. Voor den mysticus immers is de éénwording
met het goddelijke iets lijdelijks; de magiër daarentegen geeft zich
voor een god uit, om aan zijne woorden kracht tot handeling bij te
zetten. Ja, hij durft zelfs, als zijnde gelijk aan de goden, de zwaarste
dreigementen tegen hen uit te spreken:
"Als ge niet naar mij hoort, zal de zonnekring neerbranden en er
zal duisternis zijn over de geheele bewoonde aarde en de tor
[Egyptisch symbool voor de zon] zal worden uitgedoofd, totdat gij
me doen zult alles wat ik schrijf of zeg, zonder overtreding"[80].
Een ander zeer kenschetsend staaltje van soortgelijke dreigementen vindt
men op eene zg. vervloekingstaf el, uit Hadrumetum (in Tunis) afkomstig.
De magiër toch roept, aan het slot van zijne bezwering, na zijne
wenschen te hebben kenbaar gemaakt, uit: "Zoo niet, dan zal ik in de
heiligdommen van Osiris neerdalen en zijn graf verwoesten en door den
stroom laten meevoeren, want ik ben de groote decaan van den grooten god
Achrammachalala". De decanen waren demonen van hoogen rang, aan wie de
bewaking van Osiris' gebeente was toevertrouwd; door zich met hun hoofd
te vereenzelvigen, wil de magiër te kennen geven, dat zijne dreigementen
niet ijdel zullen zijn.