doeleinden bij voorkeur van uiterst kunstig vervaardigde spiegels, of
van bijzonder geslepene kristallen. Bij het raadplegen ervan werden
allerlei bezweringen tot engelen en geesten gericht, die, naar men
geloofde, alsdan verschenen en in heel enkele gevallen zelfs hunne stem
lieten hooren. In den laatsten tijd is ook het "kristal-zien"
proefondervindelijk onderzocht en gebleken, dat zich daarbij, naast
waardelooze fantasiebeelden, ook visioenen voordoen, die op
"helderziendheid" en wellicht nog op andere geheimzinnige krachten en
invloeden wijzen.
Bij de Christenen bleef de afkeer tegen de magie bestaan maar de feiten
zelve werden erkend. Allermerkwaardigst is te dien opzichte de
navolgende uitspraak in de eerste apologie (c. 18) van Justinus den
martelaar (± 154):
"De doodenbezweringen, de visioenen van onbedorven knapen, de
oproepingen van menschelijke zielen en wat de magiërs droomenzendende
geesten en bijzitters [helpende geesten] noemen en hetgeen verricht
wordt door hen, die in deze dingen ervaren zijn, mogen U ervan
overtuigen dat de zielen ook na den dood nog waarnemingsvermogen
bezitten; let ook op de menschen, die door de zielen van overledenen
gegrepen en geschokt worden, welke men eenstemmig bezetenen en
waanzinnigen noemt, op de zoogenaamde orakelen bij U, van Amphilochus,
van Dodona en Pytho en wat er verder van dien aard is...."
Amphilochus, een mythisch figuur evenals Trophonius (z.b.), werd op
verscheidene plaatsen vereerd; te Dodona (in Epirus) was een orakel van
Zeus en te Pytho (Delphi) een van Apollo.
Tatianus, een jongere tijdgenoot van Justinus, haalt in zijne "Rede tot
de Grieken" zooveel mogelijk de booze geesten er bij, (c. 16):
"De demonen, die aan de menschen bevelen geven, zijn niet de zielen
der gestorvenen."
Het schijnt hierbij niet te onpas, op te merken dat de Grieken en
Romeinen geen scherpe grenslijn trokken tusschen demonen, d.w.z.
bovenmenschelijke intelligenties, en overledenen en vaak de overledenen
zelven als demonen beschouwden. Wellicht de meest frappante uitspraak
dienaangaande is de navolgende van den reeds bovengenoemden Maximus uit
Tyrus in "Voordracht" XV, 6:
"De ziel houdt het lichaam dat altijd in vloed en golfslag drijft
en geschud en geslingerd wordt, bijeen en legt het vast voor anker,
en wanneer die pezen en de adem en al het andere waardoor het
lichaam, als met touwen, zoolang aan de ziel vastgeankerd was,
verslappen, dan vergaat het lichaam en zinkt in de diepte, maar
zij zelf ontzwemt den dood, ze is haar eigen vaartuig, houdt zich
zelf bijeen en blijft onwrikbaar. En zulk eene ziel draagt reeds
den naam van "demon", een voedsterling van den ether, uit de aarde
naar ginds verhuisd, evenals uit een onbeschaafd volk naar Grieken,
en uit eene wettelooze en door een tiran overweldigde en door
onlusten geteisterde stad naar eene met goede wetten, die door een
koning wordt bestuurd en vrede geniet".
Van amuletten en toovermiddelen wil Tatianus niets af weten (c. 17):
"Alle soorten van wortelen die men gebruikt, de magische toepassing
van pezen en beenderen, hebben uit zich zelf geen uitwerking. Zij
zijn slechts het werktuig, waarvan de demonen zich in hunne
boosheid bedienen; zij hebben het bijzondere gebruik van ieder dier
heelmiddelen vastgesteld en wanneer zij zien dat de menschen
genegen zijn om de hulp aan te nemen, die ze hun door dit middel
geven, dan slagen ze er in, ze tot slaven te maken terwijl ze hen
bijstaan."
Tatianus beweert, dat de demonen de menschen eerst ziek maken en dan,
opdat men zich te meer aan hen zou verslaven, gehoor geven aan de
bezweringen, die zij zelf hebben ingevoerd (c. 18):
"De demonen genezen niet, maar vangen de menschen met list...zij
dringen in de ledematen van zekere menschen, wekken vervolgens door
droomen het geloof aan hunne macht op, bevelen de zieken in het
openbaar te verschijnen, ten overstaan van allen, en na de
eerbewijzen te hebben genoten, die men hun toekent, vliegen zij uit
het lichaam van deze zieken en maken een einde aan de ziekte, die
zij zelven hadden veroorzaakt en herstellen de menschen in hun
vroegeren toestand."
Van de Gnostieken uit het tijdperk der Antonijnen zij hier een zekere
Marcus vermeld, aangaande wien wij bij den hl. Irenaeus in diens werk
"Tegen de ketterijen" (I, 13)(Ed. Massuet) lezen: "Hij bewerkt dat
bekers met gemengden wijn, terwijl hij voorgeeft ze te wijden en de
formule van aanroeping lang maakt, in purperen en roode kleur
schitteren, zoodat het schijnt dat de "Genade, die boven alles is" door
zijne aanroeping haar bloed in dien beker druppelt en de aanwezigen ten
zeerste verlangen uit dien kelk te proeven, opdat de Genade, door den
magiër aangeroepen, ook in hen vloeie". Naar bericht wordt, wierp Marcus
te dien einde een zeker vocht in den beker, dat het mengsel
langzamerhand kleurde. Irenaeus verzekert ook, (I, 21), dat bij de
gnostieke inwijding een doop plaats vond en dat sommigen hier zekere
hebreeuwsche namen aan toe voegden "om de inwijdelingen meer te doen
ontstellen" en ook dat zij dezen met sap van balsem inwreven. Die
fragmentarische en verwarde berichten zijn thans door de nieuwe vondsten
eenigszins opgehelderd. In een koptisch geschrift toch worden de drie
doopen, nl. die met water, met vuur en met den H. Geest uitvoerig
beschreven, die Jezus zijn jongeren toedient alvorens hun de mysteriën
mee te deelen waardoor de ziel "de oorden van den onzichtbaren God"
vermag te "doorwandelen" (z.b.). Ten behoeve van den eersten doop moeten
de discipelen uit de handen van een man en eene vrouw die rein zijn van
sexueelen omgang, twee kruiken wijn ontvangen en wijnranken halen. Jezus
maakt vervolgens een offer gereed, plaatst een wijnkruik links en den
anderen rechts van het offer, gelast den discipelen zich in linnen
kleeren te hullen, steekt in hun mond en legt in hunne handen zekere
kruiden en stelt hen voor het offer. Daarna spreidt Jezus kleeren van
linnen uit, zet een beker met wijn en legt brooden overeenkomstig het
aantal der discipelen er op en bekranst de discipelen met olijftakken.
Na een gebed van Jezus geschiedt een wonder: de wijn aan de rechter
zijde van het offer wordt tot water; dan treden de discipelen voor
Jezus, die ze doopt en hun de brooden toereikt. Daarop volgt de
vuurdoop, waarmee waarschijnlijk de zelfontvlamming van een reukwerk is
bedoeld, terwijl de ceremoniën voorts met die bij den eersten doop
vrijwel overeenstemmen. Bij den derden doop worden aan het reukwerk
"overblijfselen van safraan", balsem en honig toegevoegd en de
discipelen met myrtetakken bekranst. Een bewalming met wierook en andere
stoffen dient om uit de discipelen de "boosheid" van de "heerschers" in
de lagere gebieden van de andere wereld te verwijderen[65]. Ook legt
Jezus den discipelen wierook in den mond en deelt hun ten slotte de
reeds boven vermelde geheimzinnige woorden en teekenen mede. Blijkbaar
hebben diergelijke ceremoniën, met zekere variaties, in de mysteriën der
Gnostieken plaats gevonden.
De benoodigdheden zoowel als de handelingen bij deze gnostieke mysteriën
komen bijna alle ook elders in de magie voor. Gedeeltelijk is dit reeds
gebleken, omtrent enkele bijzonderheden echter willen wij nog een en
ander in 't midden brengen.
Onthouding van sexueelen omgang is vaak een vereischte voor het slagen
van magische handelingen. De minste tijdruimte hierbij is, zooals wij
reeds in III aanstipten en later nog blijken zal, drie dagen. Voor eene
zekere oproeping van Aphrodite, (Pap. Paris. 3209) moet men zeven dagen,
voor de bezwering, vermeld in het "Achtste boek van Mozes", één en
veertig dagen zuiverheid betrachten[66]. Apollonius van Tyana bleef,
naar verluidt, gedurende zijn geheele leven, sexueel rein[67].
Dergelijke voorschriften vindt men bij vrijwel alle volkeren. Ook de
Hindoes achten bij zelfstandige tooverhandelingen het inachtnemen van
onthouding gedurende ten minste drie dagen noodzakelijk. De Chineesche
magiërs ontzeggen zich o.m. ook sexueele genietingen en bij de
primitieve volkeren moeten de toovenaars zich door wekenlange en uiterst
strenge onthoudingen op de uitoefening van hun beroep voorbereiden.
De hoofdreden hiervan is, dat de geslachtelijke omgang als
verontreinigend wordt beschouwd. Men gaat daarbij niet uit van
"ethische" of maatschappelijke overwegingen; of de handeling in quaestie
bijv. echtelijk of buitenechtelijk is, doet niets ter zake. Maar men
vreest, dat booze demonen, door de wellust aangetrokken, den mensch
binnendringen en hem zoodoende onrein maken. Het "animisme" doet zijn
machtigen invloed ook op het sexueele leven gelden.
Linnen is eveneens bij de magie vaak in gebruik In den Pap. Par. wordt
(v. 3094) den magiër bevolen, een rein kleed van Indisch linnen om te
doen, en Apollonius van Tyana zou zijn leven lang linnen gewaden hebben
gedragen. Onder het Romeinsche bewind werd een Egyptisch priester van
lageren rang aangeklaagd, omdat hij o.m. wollen kleedingstukken
droeg[68]. Waarschijnlijk geloofde men in overoude tijden dat linnen een
uitstekend geleider is voor dat geheimzinnige, en reeds herhaaldelijk
door ons vermelde "mana". Ook de "magnetiseurs" verkondigen dergelijke
theorieën.
Wierook is, zooals wij ook later nog zullen zien, eene der voornaamste
benoodigdheden bij de magie. In een tooverpapyrus wordt o.m. den magiër
bevolen, zijn mond met een wierookkorrel te berooken[69]. En in onze
Oost is het branden van benzoë, eene soort wierook, algemeen in zwang,
en wel teneinde booze geesten te verjagen, eene bedoeling, die men zeker
ook oudtijds had bij het gebruik van reukwerk.
Vatten wij de uitkomsten van dit hoofdstuk samen, dan blijkt, dat aan
het einde der tweede eeuw n. Chr. de realiteit der magie en, in verband
hiermede, de inwerking van "demonen" vrijwel algemeen werd erkend. Bij
de discussies, die van toen af over dit onderwerp werden gehouden, ging
het hoofdzakelijk om de vragen: "Hoe moet men de magie uit een
wijsgeerig standpunt verklaren?" en "Hoe moet men haar uit een religieus
oogpunt beoordeelen?"
*Litteratuur.*
#P.J. Veth#, Java, 2'e. dr. bew. d. Snelleman e. Niermeyer IV [1907].
#Göttsching#, Apollonius v. Tyana, dissertatie Leipzig [1889].
*#K. Kiesewetter#, Der Occultismus des Altertums [1896].
#G.R.S. Mead#, Apollonius of Tyana [1901].
#Canney#, Apoll. of T., in Enc. Rel. Eth. I [1908].
#Th. Whittaker#, Apollonius of Tyana a. other essays [1909].
#J.J. Hartman#. De Avondzon des Heidendoms. Het leven e.d. werken v.d.
Wijze v. Chaeronea 2'e dr. [1912].
#G. Abernetty#, De Plutarchi qui fertur de superstitione liber, dissert.
Königsberg [1911].
#B. Freire-Marreco#, Charms a. Amulets, in Enc. Rel. Eth. III [1910].
#F.T. Elworthy#, Evil Eye, in Enc. Rel. Eth. V. [1912].
#R. Lasch#, Die Ursache u. Bedeutung d. Erdbeben im Volksglauben, in
Arch. f. Religionswiss. V [1902].
#Wallis#, Prodigies a. portents, in Enc. R.E.X. [1918].
#Frazer#, Scapegoat [1914].
#F. Schwally#, Semitische Kriegsaltertümer. I. Hft. Der hl. Krieg im
alten Israël [1901].
#P. Fiebig#, Antike Wundergeschichten. Zum Studium der Wunder des Neuen
Testamentes, in kl. Texte f. Vorl. u. Ueb. hsg. v. H. Lietzmann No. 79
[1911].
*#A. de Rochas# L'extériorisation de la motricité, 4'e uitg. [1906].
#E. Feilding, W.H. Baggally, H. Carrington#, Report o.a. series o.
sittings with Eusapia Palladino, in Proceedings o.t. Society Psychical
Research, Vol. XXIII [1909].
#Riess#, Aberglaube, in Pauly, Real.-Enc. cl. Alt. 2'e dr. I [1894].
#Doutté#, Magie et Religion d. l'Afrique d. Nord (1909).
#Stanley#, Through the dark continent, Vol. I [1878].
*#Graillot#, Le culte de Cybèle, Mère des Dieux à Rome et dans l'empire
Romain, in Bibl. écol. françaises d'Athènes e.d. Rome, fase. 107 [1912].
*#Cumont#, Textes e. Monuments fig. rel. a. mystères d. Mithra I [1899].
#S. Krauss#, D. Leben Jesu n. jüdischen Quellen [1902].
#Anrich#, Das antike Mysterienwesen in seinem Einfluss auf das
Christentum [1894].
#J. de Zwaan#, Imperialisme v. d. Oud-christelijken geest (1919).
#H. Weinel#, Die Wirkungen des Geistes und der Geister im
nach-apostolischen Zeitalter (1899).
#Bousset#, Kyrios Christos, Geschichte des Christusglaubens v. d.
Anfangen d. Christentums bis Irenaeus, in Forsch. z. Rel. u. Lit. d.
Alt. u. Neu. Test. 21 Hft. (1913).
#Thimme#, Alexander von Abonuteichos. Ein Beitrag zur Glaubwürdigkeit
Lucians, in Philologus XLIX (1890).
*#O. Seeck#, Gesch. d. Unterg. d. ant. Welt Bd. III (1909).
#Couperus#, De verliefde Ezel [1918].
#E.E. Sikes#, Hair a. nails in Enc. R. E. VI [1913].
#M. Bartels#, Die Medizin der Naturvölker [1893].
#K. Kiesewetter#, Die Geheimwissenschaften [1895].
#P. Monceaux#, Apulée magicien, in Revue d. deux mondes LXXXV [1888].
#P. Vallette#, L'apologie d'Apulée. Thèse, Paris [1908].
#S. Dill#, Alexand o. Abonoteich., in Enc. R. E. I, (1908).
#K.H.E. de Jong#, Dienstweigering bij de oude Christenen (1905).
#M. Ott#, Thundering Legion, in The Catholic Encyclopedy XIV [1912].
#A. Lang#, Crystal-Gazing, Enc. R. E. IV [1911].
*#T. Dempsey#, The Delphic oracle, its early history, influence a.
fall.(1918).
#Puech#, Rech s.l. disc. a. Grecs d. Tatien (1903).
*#E. Fehrle#, Die kultische Keuschheit im Altertum, in Religionsgesch.
Ver. u. Vor. VI (1910).
* * * * *
HOOFDSTUK V.
*Het geloof gerechtvaardigd door de wijsbegeerte.*
De derde eeuw n. Chr. wordt geestelijk beheerscht door het zg.
Neoplatonisme, dat de leer van Plato en die van Aristoteles tot één
geheel trachtte te verwerken, maar tevens ook veel aan de Pythagoreëen
en de Stoa ontleende. De Neoplatonici, vol van belangstelling voor
cosmologische en psychologische problemen, kenden ook aan de magie eene
plaats in hun systeem toe en hebben ze in hare hoogste uitingen ten
slotte als iets van goddelijken aard beschouwd.
Van den stichter der Neoplatonische school, Ammonius Saccas (gest. ±
242), die niets schriftelijks heeft achtergelaten, weten wij zeer weinig
met zekerheid, al is er reden om aan te nemen, dat zijne verdiensten ook
op zielkundig gebied nog niet naar waarde zijn geschat. Van zijn
leerling Plotinus (203-269) daarentegen zijn ons alle geschriften
overgebleven en gelukkig is dit ook het geval met zijne biographie,
geschreven door zijn eigen volgeling Porphyrius (± 233 - ± 303), een man
van litterair talent en critische waarheidsliefde.
De levensbeschrijving van Plotinus is vooral uit een zielkundig oogpunt
belangrijk. Porphyrius toch verzekert dat zijn leermeester buitengewone
psychische gaven bezat en twee door hem vermelde feiten behooren
rechtstreeks tot het gebied der magie.
Wij geven Porphyrius zelf het woord (c. 10):
"Van hen, die zich voor philosofen uitgaven, zag Olympius uit
Alexandrië, die korten tijd discipel van Ammonius was geweest, met
verachting op Plotinus neer, daar hij gaarne zelf den eersten rang
had ingenomen. Olympius bestookte Plotinus ook in dier voege, dat
hij zelfs door tooverijen den schadelijken invloed der gesternten
op hem wilde doen werken. Daar hij echter gevoelde dat zijne poging
op hem zelf terugsloeg, zeide hij tot zijne vertrouwelingen, dat de
zielskracht van Plotinus groot was, zoodat deze de tegen hem
gerichte aanvallen tegen de kwaadwilligen zelven vermocht te
keeren. Plotinus verzette zich dan ook, wanneer Olympius tegen hem
werkte en zei dan: "Nu wordt het lichaam van Olympius als een in
elkaar gewrongen geldbeurs saamgetrokken en wel zóó, dat zijne
ledematen zich tegen elkaar wrijven." Aangezien Olympius aldus vaak
in de onaangename situatie had verkeerd van eerder zelf te lijden
dan Plotinus te deren, hield hij met zijne pogingen op."
Zooals reeds in hoofdstuk III is gebleken, werden de sterrewichelaars,
die vooral sinds het optreden van Posidonius (±135-±51 v. Chr.) steeds
meer aanhangers wonnen, gewoonlijk met de magiërs op ééne lijn gesteld.
Hier zien wij hoe astrologie en tooverij, schoon uitteraard
verschillend, ineen vloeien, zooals trouwens het verschil tusschen magie
en wichelarij zich niet altijd door scherpte kenmerkt. In het
bovenstaande geval is wat de verklaring betreft, de mogelijkheid niet
van de hand te wijzen, dat iemand, door het vaste geloof aan de macht
der sterren, eene telepathische werking zou vermogen uit te oefenen en
evenmin, dat degene, tegen wie ze is gericht, door een sterkeren aanleg
voor supranormale krachtsuitingen, de booze bedoelingen op den belager
zelf zou kunnen doen neerkomen.
Nog belangrijker is wat terstond op het bovenvermelde verhaal volgt:
"Plotinus was dan ook reeds van geboorte af, boven de andere
menschen bevoorrecht [zooals uit het volgende blijkt]. Een
Egyptisch priester, die naar Rome was gekomen en door een vriend
met hem in kennis was geraakt, wilde eene proeve van zijne wijsheid
toonen en verzocht Plotinus om mee te komen, ten einde zijn eigen
demon [beschermgeest], zooals men hem noemt, te zien verschijnen.
Daar Plotinus er gaarne gehoor aan gaf, geschiedde de oproeping in
den Isistempel, want dit was, naar het zeggen van den Egyptenaar,
de eenige reine plek, die hij in Rome had gevonden. Toen nu de
beschermgeest opgeroepen werd om te verschijnen, zou een god en
geen van het geslacht der demonen zijn gekomen, en zou de
Egyptenaar dan ook gezegd hebben: "Gelukzalig zijt gij, dat ge een
god tot beschermgeest hebt en niet een van lageren rang." Zij
hadden echter den god niet kunnen ondervragen en ook niet verder
kunnen zien, daar de mee aanwezige vriend de vogels, die hij tot
afweer [van schadelijke invloeden] in de hand hield, worgde, hetzij
uit afgunst of uit schrik. Omdat nu Plotinus een van de
goddelijkere demonen tot beschermgeest had, verhief hij ook
bestendig zijn goddelijk oog tot hem. En om die reden schreef hij
ook een betoog "Over den demon die ons ten deel is gevallen,"
waarin hij pogingen doet, om gronden voor de verscheidenheid der
beschermgeesten aan te voeren."
Vogels bij diergelijke bezweringen te offeren, ook door ze op een
bepaald oogenblik te verstikken, was meer gebruikelijk. Daardoor toch
meende men den dood te kunnen afwenden, waarmee, naar het aloude geloof,
de verschijning van eene godheid den mensch bedreigde. De vogels, bij de
oproeping van bovenmenschelijke wezens gedood, waren dus, naar alle
waarschijnlijkheid, oorspronkelijk plaatsvervangende offers. Voorts
hangt dit vogeloffer wellicht ook samen met het geloof, dat de
menschelijke ziel, na den dood, de gedaante van een vogel aanneemt, een
geloof, dat vooral bij de oude Egyptenaren heerschte.
Plotinus heeft getracht, de magie uit de grondstellingen van het
Neoplatonisch systeem te verklaren en wel, om het in 't kort, maar
zooveel mogelijk met zijn eigen woorden weer te geven, aldus:
De wereld is één levend organisch wezen[70] waarin gelijkgestemde deelen
ook op afstand op elkaar vermogen in te werken. Als eene snaar van onder
in beweging wordt gebracht, plant die beweging zich ook naar het
boveneinde voort; zijn twee snaren gelijk gestemd, dan heeft, wanneer de
eene getokkeld wordt, ook de andere vaak er als 't ware een gevoel
van[71]. Er is ééne Al-ziel, waardoor het geschieden kan, dat
tooverzangen en magische kunsten de menschen tot elkaar voeren, en dat
een zacht gefluisterd woord het verafliggende beïnvloedt en op
ontzaggelijken afstand zich verneembaar maakt[72]. De magie is dus
mogelijk door de sympathie (samen-aandoenlijkheid), d.w.z. door den
organischen of wil men, den dynamischen samenhang in de wereld.
Onwillekeurig denkt men hierbij aan de moderne en reeds herhaaldelijk
door ons vermelde leer der telepathie, d.w.z. der
gedachteoverbrenging, of juister, der overbrenging van gedachtebeelden,
indrukken, gevoelens buiten de gewone zintuigelijke kanalen om, eene
theorie, die, zooals wij in hoofdstuk II gezien hebben, reeds
Aristoteles flauw voor den geest zweefde.
De ware magie is de liefde in het Al en haar tegendeel, de haat. De
menschen zijn tot liefhebben geboren; wat liefde verwekt, trekt tot
elkaar aan; zoo ontstond de tooverkunst die de eene ziel met de andere
verbindt. Door de melodie van de bezwering, door de gebaren van den
toovenaar wordt de ziel, d.w.z. haar niet-redelijk deel, medegesleept
evenals zulks ook door gebaren en uitroepen geschiedt die medelijden
wekken[73].
Ook de wijze is, in zooverre hij aan het niet-redelijke deel heeft,
vatbaar voor magische invloeden en zou er zelfs ziekte, lichamelijk
ongemak of den dood door kunnen lijden. Zoo noodig zal hij die booze
krachten door afwerende tooverij krachteloos maken[74].
Dat Plotinus ook de doodenbezwering als reëel erkende, blijkt uit het
slot van de verhandeling "Over de onsterfelijkheid der ziel",
onloochenbaar de scherpzinnigste critiek, die oudtijds op het
materialisme is geoefend, waarin hij spreekt van "de orakelen der goden,
welke gebieden om den toorn van verongelijkte zielen te verzoenen en aan
dooden eerbewijzen te betoonen" en van "vele zielen, die vroeger in
menschen woonden" en "niet ophouden, de menschen weldaden te bewijzen",
diegenen nl. die ook "door openbaring van orakelspreuken hulp
verleenen"[75]. Blijkbaar heeft Plotinus hierbij ook aan de gevallen
gedacht, door ons in het eerste en derde hoofdstuk vermeld.
Zelfs de demonen kunnen, daar ook in hen iets niet-redelijks is, door
tooverij worden beïnvloed en degenen, die hen aanroepen, verhooren[76].
Na deze theoretische uiteenzettingen gaan wij over tot de belangrijkste
gegevens omtrent de antieke magie, nl. de zg. tooverpapyri, die men
sinds ongeveer het midden der vorige eeuw met grooten ijver is gaan
opsporen en publiceeren. Deze officiëele stukken, om ze aldus te noemen,
die meestal uit de derde eeuw n. Chr. of later dateeren, bevatten zeer
oude bestanddeelen en leeren ons niet slechts de tooverij in hare
zonderlingste vormen kennen, maar ook het toenmalige leven in zijne
bonte verscheidenheid. Eene groote ruimte neemt ook hier de zinnelijke
liefde in, zooals reeds de inhoudsopgave van den 3274 regels langen
tooverpapyrus uit de "Biblothèque nationale" te Parijs ons leert. Wij
ontleenen uit dezen "grooten Parijschen tooverpapyrus" de navolgende
uiterst kenschetsende passages, te beginnen met v. 1496-1593:
"Liefdesopwekking bij een offer van mirre.