De Christenen gingen, evenals de Joden, in 't algemeen bij de Romeinen

voor magiërs door. Wanneer de geschiedschrijver Suetonius in zijn "leven

van Nero" c. 16, de Christenen naar aanleiding van de vervolging onder

dien keizer eene soort menschen noemt van eene "nieuwe en boosdoende

superstitie", dan gebruikt hij--'t geen hoogst opmerkelijk is--een

woord, nl. boosdoende (malefica) dat ook bij uitstek van de tooverij in

ongunstigen zin werd gebezigd. In een brief, aan keizer Hadrianus

toegeschreven, worden de Christelijke presbyters voor wichelaars en dgl.

uitgemaakt[56]. Met die beschuldiging van magie hangt ook het gerucht

samen, dat vooral in de tweede eeuw hardnekkig werd geloofd, dat nl. de

Christenen een klein kind slachtten en brood in het bloed doopten om

aldus het eeuwige leven te verwerven. Aanleiding daartoe was blijkbaar

de geheime viering van het avondmaal bij de Christenen en zekere

uitdrukkingen, die zij voor dit sacrament gebruikten. Het griezelige,

dat men van de magiërs geloofde, geloofde men ook van de Christenen, en

men nam zich niet de moeite, om het feit zelf deugdelijk te bewijzen.

Voorts werd het, zooals te begrijpen, als magie beschouwd, wanneer de

Christenen door den naam van Jezus "duivelen" uit de bezetenen

verdreven. Overigens was, zooals wij in hoofdstuk III gezien hebben, het

exorcisme reeds voordien gebruikelijk.

Begunstigers daarentegen van de magie waren de zg. Gnostieken,

sectariërs, van vóór onze jaartelling dateerende, echter reeds spoedig

met het Christendom in aanraking gekomen. Gnosis, d.w.z. kennis, is,

naar hunne opvatting, niet zoo zeer de "zelfbezinning van het intellect"

als wel eene geheimzinnige openbaring, die door inwijding en

sacramenten, door visioenen en extase den mensch ten deel valt. Wij zijn

aangaande de Gnostieken vrij gebrekkig ingelicht en meestal slechts op

de berichten van hunne tegenstanders aangewezen, maar dat zij sterk aan

magie deden, is boven twijfel verheven. Zeer opmerkelijk is het, dat

bovenvermelde Simon "de toovenaar" door de oude kerk werd beschouwd als

de "vader der ketterijen", die "deels door goocheltoeren, deels ook door

de hulp van demonen"[57] velen misleidde. Zooals wij in hoofdstuk V

zullen zien, beoefenden de "Simonianen", die zich geruimen tijd wisten

te handhaven, o.m. de doodenbezwering. Van Carpocrates (eerste helft

der tweede eeuw) en zijne volgelingen luidt het: "Zij houden zich op met

magische kunsten en bezweringen, minnedranken en toovermiddelen,

bijzitters [helpende geesten] en droomenzendende geesten en de overige

boosdoenarijen, bewerende de macht te hebben om reeds te heerschen over

de vorsten en vormers van deze wereld, ja zelfs over al het geschapene

in haar"[58]. Uit koptisch-gnostische geschriften, die men in den

laatsten tijd gevonden en uitgegeven heeft, zijn wij hieromtrent een en

ander te weten gekomen. In een dier boeken bijv. staat o.m. opgegeven

welke symbolen en bezweringen van noode zijn, om "de oorden van den

onzichtbaren God te doorwandelen". De symbolen of "zegels" bestaan uit

allerlei figuren, die soms op sneeuwkristallen gelijken, de bezweringen

grootendeels uit vreemdsoortige namen, als Jaldabaoth en

allerzonderlingste klankverbindingen als zozeze, ja, herhalingen van

enkele klinkers als bijv. eene drievoudige e. Bij iedere afzonderlijke

aanroeping van gindsche "heerschers" moet men tevens een mystiek getal

als bijv. 1119 "met de handen grijpen"[59]. Dergelijke practijken waren

reeds in het oude Egypte gebruikelijk, zooals o.m. uit het zg.

Doodenboek, feitelijk eene verzameling van tooverformulieren, blijkt.

In de tweede helft der tweede eeuw n. Chr. heeft het ongeloof nog wel

eenige voorstanders onder de wijsgeeren, maar het moet hoe langer hoe

meer zwichten voor de onweerstaanbare macht der pythagoreïsche en

platonische philosophie. En hoe men in die kringen over de realiteit der

magie dacht, leert ons bijv. de veertiende "voordracht" van Maximus, uit

Tyrus, een toenmalig "conférencier", die daarin o.m. inlichtingen

omtrent allerlei orakelen geeft. Vgl. inzonderheid de navolgende

passage, (2, vlg.):

"In Boeotië, nabij de stad Lebadea, is een orakelgrot, genoemd naar den

halfgod Trophonius. Wie hem wil raadplegen, legt een linnen, tot de

voeten reikend, roodkleurig gewaad aan, neemt [honig]koeken in beide

handen, en begeeft zich achterovergebogen door eene smalle opening

binnen de grot. Na het een en ander te hebben gezien of gehoord komt hij

weer naar boven en is zelf de tolk van wat hij waarnam. En ergens in

Italië, in Groot-Griekenland, was bij het meir dat Avernus heet, een

orakelgrot met priesters: psychagogen, geheeten naar hun werk [het

oproepen van zielen]. Wie daar ter wille van het orakel gekomen was,

deed een gebed, slachtte offerdieren, bracht plengoffers en riep de ziel

van wien hij wilde, van voorouders of van vrienden, op. En dan kwam hem

een schimbeeld te gemoet, wel is waar onduidelijk om te zien en moeilijk

te herkennen, maar toch in staat om eene stem te laten hooren en

voorspellingen te doen, en na geantwoord te hebben op hetgeen men vroeg,

verdween het. Het schijnt mij toe, dat ook Homerus dit orakel kende en

Odysseus er de reis heen laat doen, al heeft hij het, met dichterlijke

vrijheid, ver van de Middellandsche zee verplaatst.

3. Indien deze dingen waar zijn, zooals het geval is, daar deels die

orakelen ook nu nog bestaan, zooals ze waren, deels nog duidelijke

sporen van den dienst en de plechtigheden bij die instellingen over

zijn," enz.

Eene zeer uitvoerige beschrijving van het Trophonius-orakel geeft, uit

eigen ervaring, een tijdgenoot van Maximus, nl. Pausanias, in zijne

beschrijving van Griekenland "de Baedecker der oudheid" (IX, 39). Van

het meir Avernus, in Campanië, is reeds in hoofdstuk III sprake geweest;

hier willen wij nog slechts opmerken, dat Zuid-Italië, wegens de vele

Grieksche kolonies die er waren, vaak "Groot-Griekenland" werd genoemd.

De satiricus Lucianus uit Syrië (± 120-na 180), die zich niet ontzag de

meest hoogstaande philosophen te bespotten, kantte zich fel tegen alles

wat maar naar magie zweemde en heeft enkele geschriften speciaal aan de

bestrijding ervan gewijd.

Bekend is zijne levensbeschrijving van "Alexander den leugenprofeet" uit

Abonouteichos (in Klein-Azië), die ook bij hooggeplaatste Romeinen zeer

gezien was. Lucianus, zijn persoonlijke vijand, noemt hem een toovenaar

(c. 1), verwijt hem, op grond van hooren zeggen, grove onzedelijkheid

(c. 5) en beschuldigt hem van stelselmatig bedrog, ja zelfs van poging

tot moord (c. 56 vlg.). Dit alles valt, door gebrek aan andere bronnen,

moeilijk te controleeren; maar dat men Alexander niet botweg mag

beoordeelen naar de critiek van iemand, die, op 't voorbeeld van

Epicurus, verklaart, dat "wonderen" bedrog moeten zijn, ook al kan men

dit niet aantoonen (c. 17)--daarover worden de deskundigen het toch meer

en meer eens.

Van eenigszins minder inferieur gehalte is de "Menippus of

doodenbezwering", waarin Lucianus genoemden satiricus, geholpen door een

Chaldeeuwschen magiër, in de onderwereld laat neerdalen. De beschrijving

van de hiertoe vereischte voorbereidingen en ceremoniën, hoe wonderlijk

ook, is geen pure fantasie. Menippus nl. vertelt o.m., hoe de magiër hem

omstreeks middernacht naar de Tigrisrivier leidde, hem reinigde, met

klei afwreef, met fakkels en de zeeajuin en verscheidene andere middelen

zuiverde en tevens eene bezwering mompelde, (c. 7), 't geen met andere

berichten omtrent soortgelijke handelingen overeenstemt. Van de

onderwereld zelve zij hier vermeld, dat, volgens onzen zegsman, Socrates

daar, tengevolge van zijne vergiftiging, nog met gezwollen beenen

rondliep, (c. 18).

Al zijne bitterheid heeft Lucianus echter in "De leugenvriend of de

ongeloovige" bijeengegaard, om ze onbarmhartig uit te storten over

iedereen die zich in dezen niet met de zienswijze der atomisten (c. 32

f.f.) kan vereenigen, 's Mans fijne en vindingrijke ironie moge uit

staaltjes als de navolgende blijken: Een der "wondergeloovigen"

verzekert, een blik in de onderwereld te hebben geslagen en antwoordt op

de vraag of hem ook Socrates voor oogen was gekomen, aldus: "Ik zag

Socrates, echter niet duidelijk, maar op de gis af, omdat hij een kaal

hoofd en een dikken buik had" (c. 24). Van een ander wordt gezegd, dat

hem "de ideeën zelve verschijnen, die Plato laat zien, een duister

schouwspel voor zwakken van gezicht" (c. 16), waarmee de geestigheid van

Lucianus in deze materie haar toppunt heeft bereikt.

Een tegenhanger van Lucianus is de grootste der toenmalige Latijnsche

belletristen, Apuleius uit Madaura (heden ten dage Mdauroesch in

Algiers), tevens een man van encyclopaedische kennis. Zijn bekendste

werk, de kleurrijke en artistieke roman "Metamorphosen", d.w.z.

"Gedaanteverwisselingen", ook wel "De gouden ezel" genoemd, vereenigt op

eigenaardige wijze nuchter realisme met weelderige fantasie, losbandige

dartelheid met innige devotie. De held ervan, Lucius, een jeugdig en

hoogst onbezonnen geleerde, wordt nl. in een ezel veranderd en beleeft

als zoodanig de zonderlingste lotgevallen, totdat hij door de genade van

Isis wordt verlost en zich uit dankbaarheid aan den dienst der godin

wijdt.

Uit dit boek spreekt een enthousiasme voor tooverij, zooals wij het

zelden elders aantreffen. Wij willen hier het meest frappante aanhalen.

Lucius, te Hypata, een stadje in Thessalië, aangekomen, denkt over de

wonderen na, die hij verwacht te zien (II, 1):

"Zoodra de zon de nacht verdreven en den dag hernieuwd had, verhief

ik mij tegelijkertijd uit den slaap en uit het bed, tóch al

gespannen en bovenmatig nieuwsgierig, om wat zeldzaam en

wonderbaarlijk is, te leeren kennen, en bedenkende, dat ik mij

midden in Thessalië bevond, dat de geheele aardkring als de

bakermat der tooverzangen verheerlijkt ... bekeek ik alles stuk

voor stuk met de grootste belangstelling en nieuwsgierigheid. En er

was niets in dat plaatsje wat ik bij den aanblik voor dat hield wat

het was, maar ik geloofde dat alles zonder onderscheid door helsch

toovergemompel in eene andere gestalte was omgezet, dat de steenen,

die ik er aantrof, uit menschen verhard, de vogels die ik hoorde,

evenzoo bevederd, de boomen, die de stadgrens omgaven, op gelijke

wijze bebladerd en dat de bronwateren vervloeide menschenlichamen

waren. Reeds verwachtte ik, dat de standbeelden en schilderijen

zouden gaan wandelen, de muren spreken, de runderen en soortgelijk

vee profeteeren en van den hemel zelf en de zonneschijf plotseling

een orakel zou neerdalen."

Daar ontmoet hij eene aanverwante, de matrone Byrrhina, die hem

waarschuwt voor de booze kunsten van Pamphile (jongensgek), wier

echtgenoot hem gastvrijheid verleent (2 vlg.):

"Maar ik", aldus gaat Lucius in c. 6 voort, "toch al nieuwsgierig, was,

zoodra ik het altijd gewenschte woord "tooverkunst" hoorde, er zoo verre

van af, om voor Pamphile op mijne hoede te zijn, dat ik integendeel er

naar snakte, om mij aan zulk eene leerschool zelfs tegen eene rijke

betaling gaarne over te geven en mij rechtstreeks met rassen sprong in

den afgrond te storten."

De zucht naar tooverij valt moeilijk met schellere kleuren te teekenen.

Door middel van eene slavin, waarmee hij liefdesbetrekkingen aanknoopt,

tracht Lucius achter de geheimen van Pamphile te komen.

Pamphile, aan haar weinig sympathieken echtgenoot ontrouw, legt zich

vooral op liefdestooverij toe, waaromtrent dan ook in III, 17 vlg. een

en ander wordt medegedeeld. Zij tracht afgesneden haren van dengene op

wien ze verliefd is, meester te worden, en bedient zich voorts van een

zeer omvangrijk tooverapparaat: allerlei soort welriekende kruiden,

platen met onverstaanbare karakters bekrast, overblijfselen van

verongelukte schepen, lichaamsdeelen van overledenen, bloed van

vermoorden, bekkeneelen aan de tanden van roofdieren ontrukt,

bezweringen, plengingen, nu eens met bronwater, dan met koeienmelk, met

wilden honig ofwel met wijnmee. Na vervolgens de haren in elkaar

gestrengeld en geknoopt te hebben werpt ze deze ter verbranding in een

gloeiend kolenvuur.

Wij hebben verscheidene van deze toovermiddelen reeds herhaaldelijk

vermeld en willen hier meer bepaaldelijk onze aandacht op de haren

vestigen.

De haren toch spelen in het volksgeloof eene groote rol. Zelfs worden ze

vaak als zetel van de levenskracht beschouwd. Volgens Euripides snijdt

de dood een lok af van het hem gewijde slachtoffer[60]. Vergilius

verhaalt in het (reeds in hoofdstuk III door ons aangehaalde) vierde

boek der Aeneïde (v. 696-705), hoe Dido die "voor haar tijd" zelfmoord

pleegt, niet van het lichaam kan scheiden, alvorens haar van godswege

een lok van de kruin is afgesneden. En wie denkt hierbij niet

onwillekeurig aan Simson, die met zijne weelderige haren tegelijk ook

zijne reuzenkracht verliest?

Het is dus geen wonder, dat de haren bij liefdestooverij en envoûtement

te pas komen. Lucianus vermeldt in zijne "heterengesprekken" (IV, 4),

hoe voor de betoovering van een ontrouwen minnaar iets van den man zelf,

zooals bijv. enkele van zijne haren, vereischt zijn. En treffend stemt

het met de tooverij van Pamphile overeen, als wij lezen, hoe de magiërs

bij de Tamilen op Ceylon, om iemand te envoûteeren, haren en speeksel

van hem met zand van zijne voetsporen vermengd, samenkneeden en op een

looden plaat uitspreiden, waarbij tevens een ontvleeschte schedel met

magische, er op ingekraste karakters onmisbaar is.

Met de bovengenoemde middelen echter in een zeker geval niets kunnende

gedaan krijgen, besluit Pamphile de gedaante van een vogel aan te nemen

en zoo naar haar geliefde toe te vliegen. Ze begeeft zich voor dat doel

naar haar bovenkamertje. (c. 21). Lucius, door de slavin gewaarschuwd,

klimt, in den nacht, stilletjes de trap op en ziet door eene spleet in

de deur, hoe Pamphile zich eerst van al hare kleeren ontdoet, daarna uit

een gesloten kastje verscheidene busjes te voorschijn haalt, uit een

ervan eene zalf neemt, deze lang met hare handpalmen wrijft en zich van

de teenen tot de kruin er mee bestrijkt. Eindelijk schudt ze hare

ledenmaten, die zich met veeren bedekken; ze wordt een oehoe en gaat met

vollen vleugelslag er van door.

Wij zien hier dus, hoe eene zalf vereischt is, als men zich in een dier

wil veranderen, en denken daarbij meteen aan de zalf, waarmede de heksen

zich bestreken, ten einde naar hunne nachtelijke samenkomsten te

vliegen, zooals Goethe het in Faust dichterlijk heeft beschreven. En ook

wordt ons overgeleverd, dat men zich van eene diergelijke zalf

bediende, om de gedaante van een wolf aan te nemen, zooals immers het

geloof aan den weerwolf met dat aan den duivel en tooverij samen is

gesmolten. De hoofdbestanddeelen van de zalven in quaestie waren

narcotische kruiden; een occultist uit de vorige eeuw, K. Kiesewetter,

die het geheim van de samenstelling meende te kennen, heeft er zelf

proeven mee genomen, waarbij hij van reizen in verre gewesten en groote

menschenmassa's droomde. Het geloof der heksen, op eene samenkomst te

zijn geweest, waarbij de duivel het voorzitterschap bekleedde, laat zich

verder door "autosuggestie" gemakkelijk verklaren.

Lucius, door dolle nieuwsgierigheid gedreven, wil nu ook een experiment

met de zalf wagen, maar neemt per ongeluk een verkeerd busje en wordt

zoodoende in een ezel veranderd (c. 24). Slechts het eten van rozen

vermag hem de menschelijke gedaante weer te geven, maar dit valt hem

niet dan na eene reeks allerellendigste wederwaardigheden ten deel (XI,

13).

Ook eene doodenbezwering wordt in onzen roman beschreven, en wel naar

aanleiding van het feit, dat zeker bejaard burger eene vrouw

beschuldigt, zijn neef, met wien zij gehuwd was, te hebben vermoord. Er

ontstaat een oploop; het volk dreigt de vrouw te steenigen, zij echter

verzekert onder tranen, onschuldig te zijn (II, 27).

"Toen dan", aldus gaat het verhaal bij Apuleius (c. 28) voort,

"zeide de grijsaard: De beslissing omtrent de waarheid zij aan de

goddelijke voorzienigheid overgelaten! Zatchlas is hier, een

Egyptisch priester van den eersten rang, die met mij tegen eene

groote belooning is overeengekomen, om den geest van den overledene

voor eene korte poos uit de onderwereld terug te roepen en dit

lichaam weer te bezielen." En meteen brengt hij een jongeling er

bij, in linnen gewaden, met schoenen van palmbladeren en met

kaalgeschoren hoofd. Lang kust hij diens handen, raakt zijne knieën

aan en zegt: "Ontferm U, priester, ontferm U! Bij de gesternten des

hemels, bij de godheden der onderwereld, bij de elementen der

natuur, bij het zwijgen der nacht, en de heiligdommen van Coptos,

bij het aanwassen van den Nijl en de geheimen van Memphis ... geef

een kort gebruik van de zon en giet in de voor eeuwig gesloten

oogen een weinig licht! Wij verzetten ons niet tegen het noodlot,

wij ontzeggen niet aan de aarde haar eigendom, maar slechts

terwille van den troost der wraak, smeeken wij om eene korte spanne

levens."

De profeet, aldus vermurwd, legt een zeker kruid op den mond en een

ander op de borst van 't lijk. Vervolgens aanbidt hij, naar het

Oosten gekeerd, zwijgend de opkomst van den verheven zonnegod en

wekt door den aanblik van dit eerbiedwaardig tooneel de

belangstelling der aanwezigen voor een zoo groot wonder op

(29).... Reeds begon de borst op en neer te gaan, reeds de pols

hersteld te kloppen, reeds het lichaam door geest te worden

vervuld; daar verrijst het lijk en spreekt de jongeling".

Nog meer echter dan die roman geeft het feit te denken, dat Apuleius

zelf van tooverij is aangeklaagd (tusschen 155 en 158). Hij was nl. in

het huwelijk getreden met eene rijke maar veel oudere weduwe en had

daardoor de verwanten van haar eersten echtgenoot tegen zich in 't

harnas gejaagd. Men beweerde, dat het huwelijk door verbodene kunsten

tot stand was gekomen en diende eene aanklacht tegen Apuleius in,

waartegen deze zich in zijne "Apologie", die ook de kerkvader Augustinus

als "zeer inhoudsrijk en welsprekend" roemt[61], met goed gevolg

verdedigde.

De aanklagers legden Apuleius o.m. ten laste, dat hij zeldzame visschen

had gekocht om er toovermiddelen uit te bereiden, dat hij een slaaf had

behekst en voor eene lamp aan den voet van een altaar had doen

neervallen, dat hij in de woning van een vriend nachtelijke offers had

gebracht en dat hij een geheimzinnig beeld voor magische doeleinden met

zich voerde.

Deze punten van beschuldiging waren geenszins, zooals men vroeger

waande, bespottelijk, maar integendeel, zooals het onderzoek in den

laatsten tijd heeft aangetoond, van zeer ernstigen aard, daar ze

overeenstemden met hetgeen men toenmaals van de tooverij en hare

benoodigdheden geloofde.

Apuleius verdedigt zich hiertegen in dier voege dat hij de lachers op

zijne zijde tracht te krijgen, bij bijzonderheden van weinig beteekenis

lang blijft stilstaan en allerlei uitweidingen maakt, die zeer zeker

veel wetenswaardigs bevatten--ook wij hebben er in III een en ander uit

geput--maar die toch kennelijk bedoelen, de aandacht van den toehoorder

en lezer af te leiden. Op zekere gewichtige beschuldigingen gaat de

verdediger zoo weinig mogelijk in.

Aangaande de visschen tracht Apuleius (in c. 30 vlg.) uitvoerig aan te

toonen, dat de magiërs er zich niet van bedienen en roept o.a. in (c.

30) uit: "Hoe zou een stomme en koude visch in staat zijn om den

minnegloed te doen ontvlammen?", maar het staat vast, dat toch wel eens

visschen voor liefdestooverij werden gebruikt, en Apuleius heeft dus

niet anders gedaan, dan om de moeilijkheid heen praten.

In zake de beheksing van den slaaf (c. 42-52) ontkent Apuleius niet, dat

deze in zijne tegenwoordigheid was neergevallen (c. 44 vlg.), schrijft

dit echter aan epilepsie toe: "Dat moet wel de grootste toovenaar van

allen zijn, in wiens tegenwoordigheid die slaaf lang kan blijven staan"

(c. 43). Echter komen de bijzonderheden van deze beschuldiging, zooals

wij in ons laatste hoofdstuk zullen zien, vrij goed overeen met hetgeen

ons de tooverboeken aangaande diergelijke handelingen leeren.

Van het nachtelijke offer, eene echte tooverpractijk, door de wet

verboden, maakt Apuleius zich (57-60) grootendeels met grappen,

insinuaties en sofismen af. Zijne tegenargumenten zijn weinig

steekhoudend en zelfs is het vermoeden geopperd, dat hij, na zijne

vrijspraak, er een en ander ten gunste van de rhetorische werking aan

zou hebben geretoucheerd.

Het geheimzinnige beeld (c. 61-65) verklaart Apuleius voor een

onschuldig voorwerp van particuliere vereering; het was echter een

ebbenhouten beeld (c. 61), van Mercurius (de Latijnsche naam voor

Hermes, z.b. hoofdstuk I) met een kleed om de schouders (c. 63), en

juist zulke beelden van Mercurius, den god-toovenaar, werden, zooals in

de tooverpapyri te lezen staat, voor magische doeleinden vervaardigd.

Vat men alles samen, dan bevestigt de "Apologie" wat men a priori van

den auteur der "Metamorphosen" kon verwachten, n.l. dat hij, die zich op

elk gebied van wetenschap bewoog, ook het "occultisme" beoefende, al was

het dan ook niet met booze bedoelingen.

Apuleius, wien in geval van veroordeeling de doodstraf wachtte, bleef

dan ook, ondanks zijne vrijspraak, bij zijne tijdgenooten voor een

magiër doorgaan en werd in latere eeuwen met Apollonius van Tyana op

ééne lijn gesteld.

De magie werd echter ook destijds, zoo noodig, voor officieele

doeleinden gebruikt.

Keizer Marcus Aurelius (161-180) verzekert wel is waar in zijne

"Zelfbeschouwingen" (I, 6) geen geloof te slaan aan hetgeen

wonderdoeners en toovenaars omtrent bezweringen en het bannen van

demonen en soortgelijke practijken vertelden, maar toen het Romeinsche

rijk door de Marcomannen uit Bohemen en andere volksstammen uit

aangrenzende streken werd bedreigd, riep hij overal priesters vandaan,

liet vreemdsoortige plechtigheden verrichten en Rome op allerlei

manieren reinigen, zoodat dit zelfs zijn vertrek naar het leger

vertraagde[62]. Ook heeft hij blijkbaar den "leugenprofeet", Alexander

van Abonouteichos (z.b.), begunstigd en wordt bericht, dat een Egyptisch

magiër, Arnouphis, toen het Romeinsche leger, door de Quaden ingesloten

en door afschuwelijken dorst gekweld werd, Hermes (Mercurius z.b.) en

andere goden door middel van tooverkunsten bezwoer en zoodoende een

regenval veroorzaakte, die de Romeinen verkwikte terwijl eene felle

onweersbui de vijanden teisterde[63]. Zooals bekend hebben kerkelijke

schrijvers dit "wonder" aan de gebeden van Christelijke soldaten

toegeschreven.

Van een later keizer, Didius Julianus, wiens bewind (in 193) slechts

kort duurde, wordt bericht dat hij aan alle kanten bedreigd "door middel

van magiërs verscheidene handelingen liet verrichten waardoor hij

meende, den haat van 't volk te kunnen kalmeeren en de wapenen der

opgestane soldaten te kunnen bedwingen. Want ze offerden sommige

offerdieren, die bij den Romeinschen eeredienst niet hooren, en hieven

profane gezangen aan. Julianus nam ook zijne toevlucht tot die tooverij,

waarbij, naar verluidt, een spiegel gebruikt wordt en geblinddoekte

knapen, over wier kruin eene bezwering is uitgesproken, een blik in de

toekomst slaan. Toen dan zou de knaap de aankomst van Severus en het

aftreden van Julianus hebben gezien"[64].

Van spiegels in engeren zin, d.w.z. metaalspiegels, is bij de magie der

Grieken en Romeinen slechts zeer zelden sprake. Opmerking verdient

echter hetgeen de reeds vroeger genoemde Pausanias, in zijne

"Beschrijving van Griekenland" (VII, 21, 12) bericht, dat nl. voor een

zeker heiligdom van de godin Demeter (Ceres) zich eene bron bevond, die

men ter wille van zieken in dier voege raadpleegde dat men een spiegel

aan een dun koord liet neerzakken, totdat de rand ervan het

wateroppervlak eventjes aanraakte. Na vervolgens tot de godin gebeden

en reukwerk gebrand te hebben, zag men in den spiegel, die den zieke

levend of gestorven vertoonde.

Magie bij de Grieken en de Romeinen · 第 6 / 13 段