een dichter van ongekende stoutheid en gezwollenheid, tracht ook waar de
magie ter sprake komt, zijne voorgangers te overtroeven.
Alleruitvoerigst beschrijft hij, in het zesde boek van zijn epos
"Pharsalia" het uiterlijk en de handelingen van de Thessaalsche tooveres
Erichtho. Ziehier enkele, en niet eens de ergste trekken:
"Erichtho had de verfoeilijke tooverkunst tot nieuwe practijken
opgevoerd. Zij vindt het een gruwel, haar doodsch hoofd aan het dak
van een stad of aan een tehuis toe te vertrouwen; zij bewoont de
verlaten graven en nestelt zich in de zerken, na de schimmen er uit
te hebben verdreven (v. 509--512) ... Het aangezicht der goddelooze
is in walgelijke vervuiling vermagerd. Haar schrikwekkend gelaat,
dat geen helderen hemel kent, wordt door eene stygische bleekheid
bezwaard en zwoegt onder een last van ongekamde haren (v. 515--'18)
... Zij rooft de rookende asch en de gloeiende beenderen van
jongelingen midden uit de houtmijt (v. 533 vlg.) ... Worden de
lijken in steenen graven bewaard, ... dan woedt zij gretig tegen
alle ledematen en dompelt hare handen in de oogen; zij heeft er
behagen in de kille pupillen uit te graven en kauwt de bleeke
uitgroeisels der verdroogde hand. Zij breekt met haar gebit den
strop van den gehangene (v. 538--544) ... Ja, dikwijls bij de
begrafenis van een bloedverwant legde de afgrijselijke Thessaalsche
zich op de dierbare leden, deed alsof ze eene kus wou geven, sneed
het hoofd af, maakte met hare tanden den saamgepersten mond los,
beet in de tong, die aan de dorre keel hing, stortte een gemurmel
uit in de kille lippen en droeg eene geheime gruwelboodschap op
naar de onderaardsche schimmen" (v. 564--569).
Alleronsmakelijkst! Maar die beschrijving heeft op Dante zoowel als op
Goethe een diepen indruk gemaakt, en Erichtho is daardoor eene figuur in
de wereldletterkunde geworden.
Artistiek daarentegen en guitig is ook hier de antagonist van Lucanus,
de geestig-onhebbelijke romancier-satyricus Petronius (gest. 67), die in
zijn "Gastmaal van Trimalchio" een tot dusver nog onovertroffen portret
van een O-weeër heeft geleverd. Laten wij hooren, hoe in c. 62 een der
helden van zijn roman, een gewezen slaaf, het navolgende griezelige
avontuur met een toovenaar vertelt:
"Eens op eene keer was mijn patroon naar Capua gegaan, om wat
snuisterijen van de hand te doen. Gebruik makende van de
gelegenheid haal ik onzen gast over om vijf mijlen ver met me mee
te gaan; 't was een soldaat, een vent als een duivel. Wij maken ons
uit de voeten bij 't hanengekraai (de maan blonk als of 't middag
was) en komen te midden van grafmonumenten. Mijn makker verwijdert
zich achter een steen; ik ga al neuriënde verder en tel de
monumenten. Toen ik vervolgens naar mijn begeleider omkeek, kleedde
hij zich uit en lei al zijne kleeren naast den weg neer. De moed
zonk mij in de schoenen; ik stond er als verstijfd. Maar hij maakte
eenen kring om zijne kleeren heen en plotseling was hij een wolf.
Denkt niet, dat ik grappen verkoop; ik zou niet willen liegen om al
het geld van de wereld. Maar waar had ik het over? Wat ik begonnen
was te vertellen, toen hij een wolf geworden was, begon hij te
huilen en vluchtte naar de bosschen toe. Ik wist eerst niet, waar
ik was; toen trad ik dichter bij om zijne kleeren op te rapen, maar
die waren in steen veranderd. Als ik niet van angst verging, wie
dan? Ik trok echter mijn zwaard, en hakte al den weg langs op de
schimmen in, totdat ik het landhuis van mijn meisje bereikte. Als
een spook trad ik binnen; bijna gaf ik mijn ziel op: het zweet brak
mij uit; ik zag niet uit mijne oogen; ter nauwernood kwam ik weer
bij. Mijn meisje verbaasde zich er over, dat ik zoo laat wandelde
en "Als je", zei ze, "eerder gekomen was, had je ons ten minste
kunnen helpen; een wolf drong onze stal binnen en al onze
schapen--als een slager heeft hij ze het bloed afgetapt. Maar hij
heeft er ook van gelust, al is hij ontvlucht, want onze slaaf heeft
hem met de lans zijn hals doorboord." Toen ik dit gehoord had, kon
ik geen oog meer dicht doen, en zoodra 't dag was, vloog ik naar 't
huis van mijn makker, als een bestolen kroegbaas en toen ik op die
plek kwam, waar de kleeren in steen waren veranderd, vond ik niets
dan bloed. Maar toen ik thuis kwam, lag mijn soldaat in bed, als
een os, en een dokter behandelde zijn hals. Ik begreep nu, dat hij
een weerwolf was, en van toen af had ik geen stuk brood meer met
hem kunnen proeven, al had je me doodgeslagen".
Wij zien hier, hoe het oude volksgeloof aan den weerwolf--vgl. het in
hoofdstuk III aangehaalde herdersdicht van Vergilius--op
romantisch-vermakelijke wijze is uitgewerkt.
Eene nadere toelichting.
Het geloof, dat men door het zwaard booze geesten vermag op de vlucht te
drijven, ja zelfs te deren, is wijd verspreid. Op den Babar-archipel
(ten Noord-Oosten van Timor) dragen de vrouwen zwaarden om, ter
bescherming van den zuigeling, de booze geesten schrik aan te jagen. Op
het eiland Nias (aan de Westkust van Sumatra) slaan mannen met hunne
zwaarden links en rechts om den ziektedemon uit het huis van den patiënt
te bannen en op diergelijke wijze gaan Chineezen en Japanneezen tegen
den demon van de pest te werk. Maar ook aan andere wapenen werd
tooverkracht toegeschreven. Jozua bijv. strekt, op bevel van God, zijne
lans zoo lang tegen Aï uit, totdat die stad gevallen is (Joz. VIII, 18
en 26). Bij eene oorlogsverklaring door de Romeinen moest een zeker
priester eene bebloede lans in het vijandelijke gebied slingeren. In
Koningen II, 13,14--17 staat hoe Joas, koning van Israël, op bevel van
den profeet Eliza, een pijl des heils tegen de Syriërs afschiet. Eene
treffende parallel hiertoe is het navolgende uit eene Zweedsche sage.
Tot koning Eirik kwam, toen hij door de vijanden erg in 't nauw werd
gebracht, een groote man met een breeden hoed, gaf hem een rietstengel
en liet hem dien met de woorden: "Odin [hoogste god der Scandinaviërs]
heeft U allen !" over zijne vijanden heen afschieten.
Een exorcisme (demonenuitdrijving) ten overstaan van een Romeinsch
veldheer wordt ons uitvoerig beschreven door den geschiedschrijver
Flavius Josephus in diens "Joodsche oudheidkunde" (VIII, 2, 5):
"Ik was er getuige van, hoe een zekere Eleazar, een van mijne
landgenoten, in tegenwoordigheid van Vespasianus, zijne zonen, de
krijgstribunen en de andere menigte soldaten de bezetenen van de
macht der demonen bevrijdde. De manier van genezing was als volgt:
hij bracht onder de neus van den bezetene zijn ring, onder welks
zegel zich een van die wortels bevond, die Salomo hiervoor had
aangewezen, liet den zieke hieraan ruiken en trok hem alsdan den
demon door de neusgaten naar buiten. En terwijl die mensch terstond
neerviel, bezwoer hij den demon onder aanroeping van Salomo en
opzegging van diens bezweringen, nooit meer in hem terug te keeren.
Daar Eleazar echter de aanwezigen er volkomen van wilde overtuigen,
dat hij die kracht bezat, zette hij voor den zieke in de nabijheid
een beker, met water gevuld, of een voetbekken en beval den demon,
om bij zijn uittreden uit den mensch, deze gereedschappen omver te
werpen en de toeschouwers te leeren: begrijpen, dat hij den patiënt
had verlaten. Dit geschiedde en het verstand zoowel als de wijsheid
van Salomo bleek duidelijk."
Het exorcizeeren zelf was niet het meest wonderbaarlijke en laat zich
door suggestie gemakkelijk verklaren. Merkwaardig echter is, dat hier,
in afwijking van de procedure bij andere bezweringen, een physisch feit
als bewijs van de demonische inwerking er aan toe is gevoegd. Dat n.l.
demonen of goden diergelijke raadselachtige bewegingen konden
veroorzaken, werd toenmaals zelfs door diegenen geloofd die in de
physische wetenschappen niet onbedreven waren. Heden ten dage denkt men
hierbij onwillekeurig aan zekere verhalen omtrent de Indische "fakirs"
en aan de "spiritistische" mediums. Wat de fakirs betreft, is een
dergelijk feit, schoon wel eens door geloofswaardige personen bericht,
tot dusver o.w. nog niet streng wetenschappelijk vastgesteld. Bij eenige
mediums daarentegen zijn analoge verschijnselen van telekinesie, d.w.z.
beweging uit de verte buiten de bekende krachten om, herhaaldelijk onder
goede voorwaarden van controle waargenomen, zoodat hunne realiteit op
redelijke gronden bezwaarlijk te loochenen valt. Maar het zijn en
blijven hooge uitzonderingen, feiten, die zich niet zoo maar op commando
kunnen voordoen en daarom zijn wij eerder geneigd aan te nemen, dat het
door Josephus vermelde feit aan zekeren jongleurtruc te danken was, die
trouwens ook later nog herhaaldelijk is toegepast.
Tacitus, reeds in hoofdstuk III door ons aangehaald, vermeldt in
Historiën IV, 81 hoe zijn oudere tijdgenoot, keizer Vespasianus (69--79)
zelf eene wonderdadige genezing verrichtte:
"Gedurende die maanden, dat Vespasianus te Alexandrië de
passaatwinden en eene rustige zee afwachtte, gebeurden er vele
wonderen, waaruit de gunst des hemels en eene zekere genegenheid
der goden jegens Vespasianus bleek. Iemand van het mindere volk uit
Alexandrië, bekend als ooglijder, wierp zich voor zijne knieën neer
en smeekte hem jammerend om genezing van zijne blindheid, op
aanraden van den god Serapis, dien het aan gelooverij lijdende volk
boven de anderen vereert. Hij verzocht den keizer zich te
verwaardigen, zijn wangen en oogkringen met het vocht van zijnen
mond te besproeien. Een ander, met eene lamme hand, verzocht, op
aansporing van denzelfden god, door den keizerlijken voet te worden
getreden. Vespasianus lachte er eerst om en weigerde; toen ze
bleven aandringen, ging hij weifelen; nu eens vreesde hij een mal
figuur te slaan, dan weer vatte hij door hun gesmeek en de taal van
vleiers, hoop; tenslotte beval hij geneesheeren te onderzoeken of
zulke blindheid en lamheid door menschelijke hulp te genezen was.
De medici zeiden, na allerlei discussies, dat bij de eene het
gezichtsvermogen niet vernietigd was en terugkeren zou, als de
beletselen verwijderd werden; van den andere kon het verstijfde lid
weer door aanwending eener heilzame kracht hersteld worden.
Misschien was dit de wil der goden en de keizer voor de volvoering
daarvan uitgekozen; en tenslotte zou als het geneesmiddel slaagde,
de keizer er de eer van hebben, als het faalde, de spot de
ongelukkigen treffen." Toen gaf Vespasianus, in de meening dat zijn
geluk geen grenzen kende en niets verder ongeloofelijk was, zelf
met een blij gelaat, en te midden van de gespannen verwachting der
aanwezige menigte, aan het verzoek gehoor. Terstond werd de
verlamde hand weer lenig en herblonk voor den blinde het daglicht.
Zij die er getuigen van waren, vermelden nog beide feiten, nu er
met een leugen niets te verdienen valt".
Men vergunne ons hier eene uitweiding.
Aan het speeksel wordt ook elders geneeskracht toegeschreven. Bij de
Romeinen meende men door eene dagelijksche bestrijking 's morgens met
speeksel druipoogigheid te kunnen genezen[50]. De Joden geloofden, dat
bespuwing een goed middel tegen oogziekten was, zooals blijkt uit het
volgende merkwaardige Talmoedverhaal: Toen een man van zijne vrouw
eischte om Rabbi Meïr in 't gezicht te spuwen, veinsde de beroemde
leeraar pijn aan zijn oog te lijden, opdat de vrouw, in 't belang van
den huiselijken vrede, aan den wensch van haar man zou kunnen voldoen.
De Islamieten gelooven nu nog, dat door het lichaamsvocht van hunne
sjeichs (heiligen) baraka (zegen, genade, d.w.z. een fluïde,
levenskracht of genezingskracht) kan worden overgebracht. Van de
Wakerewé, een volksstam in Midden-Afrika, bericht Stanley dat de
onderdanen zich door hun koning in de handen lieten spuwen en dan
vervolgens hunne oogen bestreken, blijkbaar omdat zij aan het vocht van
den koninklijken mond geneeskracht toeschreven. Dit alles laat zich
gemakkelijk verklaren door het primitieve geloof, dat het lichaam o.m.
van opperhoofden, zooals wij reeds in hoofdstuk II hebben vermeld, van
"mana", eene magische kracht of zelfstandigheid is doortrokken. Men kan
nog verder gaan en hierin een hoofdfactor zien van de
reliquieënvereering. Vaak immers wordt ook aan het lijk en het gebeente
van een heilige wonderkracht toegeschreven. Het "mana", om maar die
uitdrukking te gebruiken, is ook na den dood nog in de overblijfselen
van eene bevoorrechte persoonlijkheid aanwezig.
Keeren wij nu tot Vespasianus terug.
Verdient het al onze aandacht dat die bejaarde, nuchtere, practische
keizer eene wondergenezing verrichtte, niet minder opmerkelijk zijn de
berichten bij Philostratus, dat Vespasianus[51], evenals zijn zoon
Titus[52], achting voor Apollonius van Tyana zouden hebben gevoeld, die
daarentegen door den achterdochtigen Domitianus (z.b.) den broeder en
opvolger van Titus werd vervolgd[53].
Hadrianus (117-138), de veelzijdigste en bedrijvigste aller keizers, was
een en al belangstelling voor de magie en wij lezen dan ook in den
grooten tooverpapyrus uit Parijs (v. 2446-2455), dat Pachrates, de
"profeet" uit Heliopolis (in Egypte) hem "de macht van zijne goddelijke
magie toonde" en dat de keizer, "uit bewondering voor den profeet, beval
hem eene dubbele remuneratie uit te keeren".
Hadrianus stichtte voorts ter eere van Antinoüs, een jongeling, die zich
voor den keizer zou hebben opgeofferd, eene stad, Antinoöpolis (in
Egypte) en wijdde hem een cultus. Van welken aard die cultus is geweest
kan men opmaken uit de woorden van een Christelijk schrijver[54]:
"Indien iemand met waarheidsliefde en onpartijdigheid de
geschiedenis van Antinoüs onderzoekt, zal hij vinden, dat
tooverkunsten en wijdingen der Egyptenaren de oorzaken zijn, dat
hij in Antinoöpolis ook na zijn dood nog iets schijnt te
verrichten. Zoo iets wordt ook in andere tempels, naar verluidt,
door de Egyptenaren en diegenen, die in diergelijke kunsten
bedreven zijn, bewerkstelligd. Zij vestigen nl. op zekere oorden
voorspellende of genezende demonen, die echter vaak ook hen
kwellen, die iets schijnen te hebben misdreven aangaande verbodene
spijzen of het aanraken van een dood menschelijk lichaam, om
zoodoende den grooten en onbeschaafden hoop schrik aan te jagen.
Van dien aard is ook hij, die te Antinoöpolis in Egypte voor een
god wordt gehouden, van wiens wondermacht zwendelaars allerlei
leugens verzinnen, terwijl anderen, door den aldaar gevestigden
demon bedrogen, en nog weer anderen door hun boos geweten
overtuigd, eene straf meenen te ondergaan, hun door Antinoüs als
god opgelegd."
Op het bannen van demonen naar zekere oorden en meer bepaaldelijk in
standbeelden, komen wij in hoofdstuk V terug; hier willen wij er
voornamelijk op wijzen, hoe een destijds ingestelde cultus bovenal een
magisch karakter droeg.
Het is ook juist in den tijd, dien wij nu behandelen, dat de Oostersche,
in de Helleensch-Romeinsche wereld ingedrongen, religies zich eene
overheerschende positie onder de beschaafde kringen verwerven, en het
spreekt van zelf, dat dit de toch al sterke neiging van het publiek voor
het magische nog meer deed toenemen.
De dienst der Egyptische goden werd omstreeks het midden der eerste
eeuw, zij het dan ook onder een zekere beperking, officieel erkend. Otho
(in 69 keizer) vierde dikwijls de Isisfeesten openlijk in het linnen
plechtgewaad. Vespasianus (z.b) betrad te Alexandrië alleen in eigen
persoon den tempel van Serapis, ten einde den god over zijn
heerschappij te raadplegen[55]. Van toen af aan zijn de keizers
begunstigers van den "Alexandrijnschen" cultus. Onder Hadrianus werden
de Egyptische goden voor het eerst op de keizerlijke munten afgebeeld.
Geen wonder, dat zulke illustre voorgangers ook op dit gebied hunne
volgelingen hadden. Hier zij slechts vermeld, dat ook Plutarchus,
hoezeer aan de oud-vaderlandsche gebruiken gehecht, warme sympathie voor
Isis en Osiris koesterde, zooals uit zijn geschrift over beide goden
genoegzaam blijkt.
Ongeveer omstreeks denzelfden tijd als de Isisreligie verkreeg ook de
dienst van de Klein-Aziatische godin Cybele, die twee eeuwen lang in
Rome slechts een zeer beperkten kring van vereerders mocht hebben, door
de gunst van keizer Claudius (41-54) groote uitbreiding. Magie was ook
aan dezen cultus niet vreemd; men beoefende er o.m. het "hypnotisme",
echter onder den naam van "Corybantisme", afgeleid van de Corybanten,
figuren uit de Cybele-mythe, die ook afzonderlijk vereerd werden.
Eveneens blijken de aanhangers van den oorspronkelijk Perzischen
Mithrasdienst, die sinds den tijd van Vespasianus het Romeinsche rijk
binnendrong, zich vaak op de tooverkunst te hebben toegelegd.
De Oostersche religies, die toenmaals in het Westen zulk eene opgang
maakten, leefden dus met de magie in vrede; de nieuwe wereldgodsdienst
daarentegen, het christendom, veroordeelde de tooverij van meet af aan
ten strengste.
Laten wij dienaangaande het Nieuwe Testament raadplegen.
Wij lezen vooreerst in de Handelingen der Apostelen, VIII:
(5) Philippus trok naar de stad Samaria en predikte hun den
Christus. (6) Het volk luisterde eensgezind en vlijtig naar hetgeen
Philippus zeide en zag de teekenen, die hij verrichtte. (7) Want de
onzuivere geesten voeren uit vele bezetenen met groot geschreeuw;
ook werden vele jichtlijders en lammen weer gezond gemaakt. (8) En
er ontstond eene zeer groote vreugde in die stad. (9) Er was echter
in die zelfde stad een man met name Simon, die reeds vroeger
tooverkunsten verrichtte en het volk in verrukking gebracht had
door te zeggen dat hij zelf iets bijzonders was, (10) wien allen,
van den kleinste tot den grootste aanhingen en zeiden: "Deze is de
kracht Gods, die "de Groote" heet", (11) En zij hingen hem aan,
omdat hij langen tijd hunne zinnen door tooverij verrukt had. (12)
Maar nu zij Philippus geloofden, die de blijde boodschap van het
koninkrijk Gods en van den naam van Jezus Christus verkondigde,
lieten zij zich doopen, mannen zoowel als vrouwen. (13) En ook
Simon zelf werd geloovig en na gedoopt te zijn bleef hij
voortdurend bij Philippus en toen hij de teekenen en groote
krachten zag, die er geschiedden, ontzette hij zich. (14) Toen nu
de apostelen in Jeruzalem hoorden, dat Samaria het woord Gods
aangenomen had, zonden zij tot hen Petrus en Johannes. (15) Dezen
kwamen en baden voor hen, dat zij den Heiligen Geest mochten
ontvangen. (16) Want deze was nog op niemand hunner neergedaald,
maar zij waren alleenlijk gedoopt in den naam van den Heer Jezus.
(17) Toen legden zij de handen op hen en zij ontvingen den Heiligen
Geest. (18) En als Simon zag, dat door de handoplegging der
apostelen de Heilige Geest geschonken werd, bood hij hun geld aan
(19) en zeide: "Geeft ook mij deze macht, opdat hij, wien ik de
handen opleg, den Heiligen Geest ontvangt". (20) Petrus echter
zeide tot hem: "Uw geld ga met U ten verderve, omdat gij gemeend
hebt, dat de gave Gods door geld verkregen wordt! (21) Gij hebt
part noch deel aan dit woord, want uw hart is niet oprecht
tegenover God. (22) Bekeer U dan van deze uwe boosheid en bid God,
of misschien deze overlegging uws harten U vergeven wordt, (23)
want ik zie, dat uwe ziel vol is van bittere gal en dat gij
verstrikt zijt in ongerechtigheid. (24) Doch Simon antwoordde en
sprak: "Bidt gijlieden voor mij tot den Heer, dat niets over mij
kome van hetgeen gij gezegd hebt."
De oudste Christenen gingen dus, zooals wij zien, van het gezonde
principe uit, dat de uitdeeling der goddelijke gaven vrij moet zijn van
winstbejag, overigens echter werd tusschen de "wonderen" in naam van den
Christus of in naam van andere godheden verricht, geen scherpe grenslijn
getrokken.
Hoogst kenschetsend is verder het navolgende verhaal, eveneens uit de
Handelingen der Apostelen, XIII:
(6) En toen zij [nl. Paulus en Barnabas] het eiland [Cyprus]
doorgetrokken waren tot aan de stad Paphos, troffen zij er een
Joodschen toovenaar en leugenprofeet aan, met name Bar-Jezus, (7)
die tot het gevolg van den stadhouder Sergius Paulus, een zeer
verstandig man, behoorde. Deze ontbood Barnabas en Saulus en
begeerde zeer, het woord Gods te hooren. (8) Maar Elymas, de
toovenaar--want aldus wordt zijn naam vertolkt--kwam tegen hen op
en trachtte den stadhouder van het geloof afkeerig te maken. (9)
Maar Saulus (ook Paulus genoemd), vervuld van den Heiligen Geest,
keek hem scherp aan (10) en zeide: "O gij kind des duivels, vol van
alle bedrog en alle arglist, vijand van alle gerechtigheid, wilt
gij eens ophouden, de rechte wegen des Heeren krom te maken? (11)
Zie dan, de hand des Heeren keert zich tegen U en gij zult blind
zijn en de zon voor een tijd niet zien!" En terstond viel nevel en
duisternis op hem, en tastende zocht hij rond naar wie hem bij de
hand zouden leiden. (12) Toen de stadhouder zag wat gebeurd was,
geloofde hij, ontzet over de leer van den Heer."
Hier zien wij dus, hoe naar de Christelijke opvatting, een
toovenaar-profeet door de goddelijke macht krachteloos wordt gemaakt.
Zeer opmerkelijk is ook hetgeen naar aanleiding van Paulus' prediking in
Ephese wordt vermeld (Handelingen XIX, 19):
"Velen ook dergenen, die magische kunsten beoefend hadden, brachten
de [toover]boeken bijeen en verbrandden ze in tegenwoordigheid van
allen; men berekende de waarde ervan en kwam tot een bedrag van
vijftigduizend zilverstukken."
In de "Openbaring van Johannes" wordt (XXI, 8) verzekerd, dat ook aan de
toovenaars als aan de andere misdadigers "hun deel zal zijn in den poel
die daar brandt van vuur en sulfer, hetwelk is de tweede dood" (vgl. ook
XXII, 15).
De zg. Apostolische Vaders sluiten zich bij die zienswijze aan.
In den zg. "Brief van Barnabas" (waarschijnlijk uit de eerste eeuw
dagteekenende) wordt c. 20 gewaarschuwd voor den "weg der duisternis",
want het is "de weg van den eeuwigen dood met straf, waarop zich bevindt
wat de ziel te gronde richt", en daaronder wordt ook de magie
uitdrukkelijk genoemd.
Ook de zg. "Leer der Twaalf Apostelen" (hoogstwaarschijnlijk later dan
de brief van Barnabas) zegt in c. III, 4 o.m.: "Mijn kind, wordt geen
bezweerder noch astroloog noch magiër en verlang die dingen niet te
zien, want uit dit alles ontstaat afgodendienst". Dit was dus bij de
Christenen het groote bezwaar tegen de tooverij.
Desondanks werden zoowel Jezus zelf als zijne volgelingen in 't algemeen
als magiërs beschouwd.
Het is bijv. een feit, dat de Joden Jezus voor een toovenaar uitmaakten.
Volgens eene overlevering zou Jezus in Egypte de magie hebben geleerd en
door middel van haar zijne wonderdaden hebben verricht. In Joodsche
legenden van lateren tijd staat o.m. te lezen, dat Jezus een geheim
perkament met den waren naam Gods had bezeten, dat dit hem echter
afhandig werd gemaakt en hij dientengevolge zijne tooverkracht verloor.
Die verhalen hebben echter, zooals van zelf spreekt, geen historische
waarde. Daarentegen valt het niet te ontkennen, dat zekere wonderdadige
genezingen, zooals ze in de Evangeliën worden verhaald, sterk op die van
magiërs gelijken. Wanneer wij lezen, hoe Jezus doofstomheid (Marcus VII,
33) en blindheid (Marcus VIII, 23 en Johannes IX, 6) geneest door o.m.
van zijn speeksel gebruik te maken, dan denken wij onwillekeurig aan de
wonderdaad van Vespasianus en aan hetgeen wij verder t.p. hebben
vermeld. En wanneer in Lucas VIII, 43 vlg. staat, hoe eene zieke vrouw
reeds daardoor genezen wordt, dat zij den zoom van Jezus' kleed
aanraakt, en hoe in v. 46 Jezus zelf verklaart te voelen dat kracht van
hem is uitgegaan, dan herinnert dat ons van zelf aan de wonderdadige
geneeskracht, die, zooals wij reeds in hoofdstuk II zagen, door de
primitieve volkeren aan hunne opperhoofden wordt toegeschreven.