speeksel droop uit zijn mond op den grond neer. Isis mengde dit met
aarde, vormde er eene slang van en legde die neer op de plek, waarlangs
Re zou voorbijkomen. De zonnegod werd door de slang gebeten; de adem des
levens verliet hem; zijne kaken trilden en al zijne ledematen beefden.
Het vergif verspreidde zich door zijn geheele lichaam, evenals de Nijl
door de landstreken van Egypte. Re riep de goden om hulp aan: "O gij
goden, die uit mij zijt ontstaan! Eene verschrikkelijke ramp heeft mij
getroffen. Mijn hart voelt haar, maar mijne oogen zien haar niet; ik
weet niet wie mij dit heeft aangedaan. Nooit heb ik zulk eene pijn
gevoeld; geen ziekte kan meer wee veroorzaken als dit. Ik ben een vorst,
de zoon van een vorst, ik heb menigten van namen en menigten van
gedaanten; mijn wezen is in ieder god. Ik kwam te voorschijn om neer te
zien op hetgeen ik had gemaakt, ik schreed door de wereld, die ik
geschapen had, toen iets mij stak, maar ik weet niet wat. Brengt tot mij
mijne kinderen, de goden, die woorden van macht en de taal der magie
bezitten, en monden die weten hoe ze uit te spreken". De kinderen van
iederen god kwamen en ook Isis kwam, met zich brengende hare woorden van
magische kracht; haar mond was vol van den adem des levens, want hare
amuletten overwinnen de pijnen der ziekte en hare woorden doen weer
herleven de kelen van hen die gestorven zijn. En zij zeide: "Wat is er
gebeurd, o heilige vader? Heeft eene slang U gebeten en heeft een ding
dat gij geschapen hebt, zijn hoofd tegen U opgeheven? Voorwaar het zal
neergeworpen worden door mijne machtige woorden en ik zal het wegdrijven
buiten het bereik van uwe stralen". De heilige god zeide: "Ik ging langs
mijn pad om te zien wat ik geschapen had, toen ik gebeten werd door eene
slang, die ik niet zag. Is het vuur? Is het water? Ik ben kouder dan
water en gloeiender dan vuur. Mijn oog heeft geen kracht, ik kan den
hemel niet zien; het zweet loopt van mijn aangezicht als in den
zomertijd". Toen zeide Isis tot Rē: "Noem mij uwen geheimen naam,
heilige vader, want al wie bevrijd zal zijn door uwen naam, die zal
leven". Rē gaf toen allerlei namen op, maar het vergif werd niet uit
zijn lichaam weggenomen; het vrat dieper door en de groote god kon niet
langer gaan. Toen zeide Isis tot Rē": "Wat gij gezegd hebt, is niet uw
ware naam. Noem hem mij en het vergif zal verdwijnen". Eindelijk gaf de
groote god toe, dat zijn naam in Isis zou overgaan en Isis, de
heerscheres over woorden met tooverkracht, zeide: "Wijk, vergif, ga weg
van Rē. Ik ben het die het overwonnen vergif ter aarde doe neervallen,
want de naam van den grooten god is van hem genomen. Moge Rē leven en
het vergif sterven! Moge het vergif sterven en Rē leven". Dit waren de
woorden van Isis, de machtige heerscheres, de meesteres der goden, die
Rē bij zijn eigen naam kende.
Dat speeksel aarde vermag te bezielen, berust op het reeds in hoofdstuk
II vermelde geloof aan het "mana", eene kracht of zelfstandigheid,
waarmee het lichaam van goden en bevoorrechtte menschen zou zijn
doortrokken en die ook buiten de sfeer van het lichaam om, drager van
het psychische zou blijven. De wonderdadige werking van speeksel zal ook
later nog wel eens ter sprake komen.
Veel belangrijker echter is de rol, die de naam in de tooverkunst
speelt. En het is dan ook volstrekt geen wonder, dat de naam, de kortste
vertegenwoordiger van iemands persoonlijkheid, van de oudste tijden af
aan tooverkracht scheen te bezitten. Volgens het primitieve denken is de
naam een deel, en wel een belangrijk deel van dengene die hem draagt.
Hij is een dubbelganger en tevens ten nauwste met zijn drager verbonden.
Zoo kwam men er toe om aan kinderen, ja ook aan steden, een geheimen
naam te geven, waarop een kwaadwillige en een vijand geen vat zou kunnen
hebben. Bovenal echter kan de naam van een god niet zonder uitwerking
worden uitgesproken; de god is verplicht er antwoord op te geven en te
handelen overeenkomstig den eisch van wie hem aanroept.
Zoo was ook van ouds her een mysterie verbonden met den naam van den god
der Hebreeën; slechts in zeer bijzondere omstandigheden mocht men hem op
de lippen nemen en vandaar dan ook het uitdrukkelijk verbod: "Gij zult
den naam Uws Gods niet ijdellijk gebruiken", een verbod, dat thans, nu
men den magischen achtergrond ervan niet meer voor oogen heeft, maar al
te vaak wordt overtreden.
En toch is ook heden ten dage het geloof aan de mysterieuze kracht van
den naam nog niet geheel verdwenen; nog zijn sommigen er van overtuigd,
dat onze namen een geheimzinnigen invloed zouden uitoefenen op onze
lotgevallen en telkens weer hoort men den spreuk aan voeren: nomen est
omen, d.w.z.de naam is een voorteeken.
Van alle Egyptische goden traden reeds in oude tijden Isis en Osiris
sterk op den voorgrond. De mythen aangaande hen zijn ons echter in haren
samenhang slechts in het verhaal bij Plutarchus (± 100 n. Chr.)
overgeleverd[42], die wel is waar klaarblijkelijk uit goede bronnen
put, maar zich wel eens tendentieuze uitleggingen veroorlooft. Volgens
de traditie was Osiris, de weldadige god, door zijn broeder Set (of,
zooals de Grieken hem noemden, Typhon), de verpersoonlijking van het
booze, verraderlijk omgebracht en in veertien stukken verscheurd, maar
door de bezweringen van zijne gade Isis en hun zoon, Horus, weer
samengevoegd en tot het leven teruggeroepen geworden. Het menschelijke
tot het goddelijke verheffende, ging men iederen overledene als een
Osiris beschouwen, die door de bezweringen van zijn zoon als van een
anderen Horus, het eindelooze leven verkrijgt. En nog verder in die
richting doorgaande geeft de magiër vaak zich zelf voor den een of
anderen god uit, teneinde door den goddelijken naam zijn wil grootere
kracht bij te zetten.
Enkele voorbeelden:
"Ik ben Rē, in dezen zijn geheimzinnigen naam
"Hij-die-was-in-den-oceaan", zijne pijlen tegen zijne vijanden
afschietende".
Of, als men zich tegen een vijand keert:
"Verwijder U, want ik ben Horus, trek U terug, want ik ben de zoon
van Osiris. De magie van mijne moeder [Isis] is de bescherming van
mijne leden".
Door eene of andere mythe te vermelden meent de magiër de daden te
kunnen verrichten, die daarin aan een god worden toegeschreven.
"Ik wil alle booze en slechte dingen, die neerkomen op N, den zoon
van M., verbannen, evenals Rē zich zelf voor zijne vijanden
redde, evenals Chnoem zich redde voor Sobk, evenals Horus zich
redde voor Set."
Wij komen later nog op dergelijke bezweringen herhaaldelijk terug.
Dat de hoofdgoden van den Alexandrijnschen cultus, Osiris, Isis, Horus
en de raadselachtige, maar, wat zijne werkingssfeer betrof, met Osiris
vereenzelvigde Sarapis, als begunstigers van de magie bij uitnemendheid
werden beschouwd, spreekt van zelf. Men verhaalde van hen tallooze
wonderen; men verwachtte van hen in den droom goeden raad te ontvangen;
men schreef hunne namen op amuletten. De Egyptische priesters gingen
voor toovenaars door, en Egypte voor het tooverland bij uitnemendheid.
Niet slechts de Egyptische, maar ook de Joodsche religie deed zich in de
Grieksch-Romeinsche wereld gelden. En ook bij de Joden stond de magie
toen in grooten bloei, ondanks de strengste verboden en de wreedste
vervolgingen. De Joodsche tooverspreuken hadden gezag bij de naburige
volkeren. In de Koptische en Grieksche tooverlitteratuur speelt de god
der Joden, Iao, Sabaoth, eene groote rol; ook de namen van aartsvaders,
van Jozua (Jezus) en Salomo komen er herhaaldelijk in voor. Een lang
exorcisme (verdrijving van een boozen geest door bezwering), dat wij
nog over hebben[43], is blijkbaar afkomstig van een Joodsch-Orphisch
genootschap.
Nog in latere eeuwen hebben de Joden den naam van toovenaars, meestal in
ongunstigen zin, behouden. Het geloof aan den "ritueelen" moord, nl. dat
de Joden bij hun Paaschfeest of tot andere doeleinden het bloed van een
Christenkind gebruiken, behoort nog niet tot het verleden, al ontbreekt
het ook ten eenenmale aan deugdelijke bewijzen. Maar ook de hoogere
magie, zooals zij in de Kabbala, de Joodsche geheimleer uit de
middeleeuwen, werd geleeraard, heeft de aandacht van velen, en niet
altijd van de minst begaafden, getroffen. Er is in onze dagen,
voornamelijk in Frankrijk en Engeland, veel belangstelling voor
Kabbalistiek, waarbij het echter aan degelijke studies over dit
ingewikkelde onderwerp maar al te zeer ontbreekt.
Keizer Tiberius is in 19 n. Chr. ook tegen de vereerders van Isis en de
Joden met de wreedheid hem eigen, opgetreden, zooals o.m. Tacitus het in
zijn Annalen (II, 85) vermeldt:
"Er is ook verhandeld over het verdrijven van de Egyptische en
Joodsche religies en een senaatsbesluit genomen om vierduizend
vrijgelatenen, met die superstitie besmet, wier leeftijd het
toeliet, naar het eiland Sardinië te verbannen, ten einde aldaar de
roovers in bedwang te houden; als ze door het slechte klimaat
omkwamen, zou er niets aan verloren zijn; de overigen moesten
Italië verlaten, tenzij ze voor een bepaalden datum de uitheemsche
godsdiensten zouden hebben afgezworen."
Al die wreedheid was te vergeefs.
*Litteratuur.*
*#L. Fahz#, De poetarum romanorum doctrina magica, uit
Religionsgesch. Vers. u. Vorarb. II Bd. 3 Hft. (1904).
#W. J. Dilling, s.v. Knots, in Enc. rel. a. eth. VI (1914).
#Fraser#, Taboo and the perils of the soul (1914).
#Skeat#, Malay Magie (1900).
*#L. Blau#, Das jüdische Zauberwesen (1898).
#J. A. Mac Culloch, s.v. Lycanthropy, in Enc. rel. eth. VIII (1915).
#E. Penquitt#, De Didonis Vergilianae exitu, Dissert. Königsberg
(1910).
*#R. Wünsch#, Aus einem griechischen Zauberpapyrus, in Kleine Texte
f. Vorles. u. Üb. hrg. v. H. Lietzmann, No. 84 (1911).
#J. Heckenbach#, De nuditate sacra sacrisque vinculis, uit
Religionsgesch. Vers. u. Vorarb. IX, 3 (1911).
#W.Y. Sellar#, s.v. Lucretius, in Encyclopaedia Britannica,-lle
uitg. XVII (1911).
#P.J. Hamilton-Grierson#, s.v. Brotherhood (Artificial), in Enc.
rel. eth. II (1909).
*#Riess#, s.v. Astrologie, in Pauly, Real-Enc. class. Alt. 2e uitg.
Bd. II (1896).
*#A. Bouché-Leclercq#, L'astrologie grecque (1899).
*#F. Cumont#, Astrology and religion among the Greeks and Romans
(1912).
*#G. Lafaye#, Histoire du culte des divinités d'Alexandrie (1884).
*#W. Drexler#, s.v. Isis, in Roscher, Lex. d. Myth. Bd. II (1890--97).
*#F. Cumont#, Die oriental. Religionen im röm. Heidentum, vert. v.
G. Gehrich, 2e uitg. (1914).
#Erman#, Ägypten u ägyptisches Leben im Altertum II (1887).
#Budge#, Egyptian magie, 2e uitg. (1901).
#Lange#, Die Ägypter, in Chantepie de la Saussaye Lehrbuch d.
Religionsgesch. 3e uitg. I (1905).
#G. Roeder#, Urkunden z. Religion d. alt. Agypten (1915).
#H. Schmidt#, Namenglauben im Alten Testament, in Die Religion in
Gesch.u.Gegenwart IV (1913).
#G. Roeder#, s.v. Set, in Roscher, Lex.d.Myth. 63. Lfg. (1910).
#A.H. Gardiner#, s.v. Magic (Egyptian), in Enc. rel eth. VIII (1915).
*#T. Witton Davies#, Magic, Divination a. Demonology among the
Hebrews and their neighbours (1898).
*#M. Gaster#, Magic (Jewish), in Enc. rel. eth. VIII (1915).
* * * * *
HOOFDSTUK IV.
*Nederlaag der ongeloovigen.*
Sinds ongeveer het midden van de eerste eeuw onzer jaartelling neemt het
geloof in het wonderbaarlijke en magische eene hooge vlucht. De grootste
persoonlijkheden op intellectueel gebied erkennen de realiteit der
magie; magie en wijsheid worden als identiek beschouwd. De keizers zelf
gaan de tooverij begunstigen en de felle protesten van enkelen bewijzen
slechts, hoe weinig zij de teekenen dier tijden verstaan. Allerlei
omstandigheden werken als bij afspraak samen tot de nederlaag der
ongeloovigen.
Wij willen een en ander nader toelichten. Dat de magie met wijsheid en
wetenschap wordt gelijkgesteld komt meer voor. De Arabieren gebruiken
het woord ilmoe (wetenschap) ook voor hetgeen op "occultisme", zooals
wij het noemen, betrekking heeft. Vandaar het Javaansche ngèlmoe, de
kennis der geheime tooverformulieren, een wonderlijk mengelmoes van
Polynesische, Hindoesche en Mohammedaansche bestanddeelen. De Javanen
jagen deze "wetenschap" ijverig na en meenen door haar al het mogelijke
te kunnen gedaan krijgen. Maar niet alle tooverspreuken zijn even
machtig en bij een rechtsgeding bijv. zal de verliezende partij hare
nederlaag aan de grootere kracht van de bezweringen der tegenpartij
toeschrijven.
Wellicht het meest typische voorbeeld van een magiër-wijsgeer is
Apollonius van Tyana (in Klein-Azië), omtrent wien wij echter niet zoo
goed zijn ingelicht als wij het zouden wenschen. De uitvoerige
levensbeschrijving toch, die de belletrist en kunstkenner Philostratus
op last van de keizerin Julia Domna (gest 217), van hem te boek stelde,
is rijk aan onwaarschijnlijke verhalen en overbodig vertoon van
belezenheid; bovendien heeft men, wellicht niet zonder reden, vermoed,
dat zij de strekking had, een tegenbeeld te zijn van de Christusverhalen
der evangeliën.
Of Apollonius werkelijk, zooals Philostratus verhaalt, het grootste
gedeelte der toenmaals bekende wereld doorkruiste om de menschen tot
handhaving der oudvaderlijke zeden en zoo mogelijk tot inachtneming van
de Pythagoreesche leeringen en leefwijze aan te sporen, blijft eene
opene vraag, maar het lijdt geen twijfel dat hij door allerlei
wonderbaarlijke handelingen aanleiding gaf, als magiër te worden
beschouwd. Het verhaal bijv. dat hij een gestorven meisje in 't leven
terugriep[44], wijst onmiskenbaar op wonderdadige genezingen, door hem
verricht.
Philostratus is echter met zulke wonderen niet tevreden en verhaalt o.m.
dat Apollonius te Ephese eene epidemie vooruit gevoelde en haar
vervolgens, op verzoek van de inwoners, deed ophouden door den demon der
pest, die zich als een oud bedelaar voordeed, te laten steenigen. En
toen de Ephesiërs, op aansporen van den profeet, den steenhoop
opruimden, zagen ze, inplaats van dat monster, een hond er onder liggen,
van uiterlijk op een dog gelijkend, zoo groot als de grootste leeuw,
verpletterd door de steenen en met schuim op den muil[45]!
Eén wonderbaarlijk feit betreffende Apollonius is historisch vrij goed
geboekstaafd, en wel het volgende: In 't jaar 96 n. Chr. hield de wijze,
reeds op hoogen leeftijd, te Ephese eene openlijke voordracht. Onder 't
spreken raakt hij gaandeweg afgeleid, zwijgt, doet eindelijk eenige
stappen vooruit en roept: "Stoot hem neer, den tyran, stoot hem neer!"
Daarna keert hij zich tot zijn gehoor en zegt: "Heden--op dit oogenblik
is keizer Domitianus gedood" en spoedig kwam een bericht uit Rome, dat
Apollonius' visioen schitterend bevestigde[46].
Over 't geheel genomen heeft Apollonius blijkbaar reeds bij zijne
tijdgenooten en zeer zeker bij de nakomelingschap den indruk gemaakt van
eene hoogstaande persoonlijkheid. Zelfs van kerkvaders zijn ons gunstige
oordeelen over hem bewaard gebleven. Hieronymus verklaart: "Die man vond
overal iets te leeren, en altijd vorderingen makende, overtrof hij
telkens weer zich zelven"[47]. En Augustinus zegt: "Veel beter, dat moet
men erkennen, was Apollonius, dan de bewerker en bedrijver van zoovele
liefdesschandalen, dien ze Jupiter noemen[48]", eene zinspeling op de
vaak hoogst onkuische verhalen aangaande dien oppersten god.
Plutarchus (±46 n. Chr.-±120 n. Chr.) die door zijne
levensbeschrijvingen zulk een ontzaglijken invloed heeft uitgeoefend,
Plutarchus, die in zeldzame mate practisch inzicht met het geloof in het
onzienlijke vereenigde, geeft ook bewijzen van zijne belangstelling voor
het aanhangige onderwerp. Wel is waar wordt de "angstvallige vrees voor
bovenmenschelijke wezens" in zijn geschrift hierover (c. 10 en 13) voor
erger dan zelfs atheïsme verklaard, maar dit is blijkbaar zonder
nadenken, in eene oogenblikkelijke opwelling, van een ongeloovigen
moralist overgenomen. Immers elders handhaaft Plutarchus de realiteit
van vele verschijnselen en handelingen, die nu nog bij menigeen voor
ongeloofwaardig doorgaan.
Zoo vinden wij bijv. in zijne "Huwelijksvoorschriften" het navolgende
(c.5):
"De jacht door middel van vergif vangt den visch wel is waar
spoedig en gemakkelijk, maar zij maakt hem voor spijs ongeschikt.
Zoo hebben ook de vrouwen die zekere liefdesdranken en tooverijen
tegen de mannen verzinnen en hen door wellust overweldigen,
zinnelooze, onverstandige en bedorvene levensgezellen. Immers ook
Circe had geen baat van hare tooverkunst en kon niets met hare
slachtoffers beginnen toen ze zwijnen en ezels geworden waren, maar
Odysseus, die zijn verstand had en bedachtzaam met haar omging, had
ze uitermate lief."
En in zijne "Tafelgesprekken" wijdt hij (V,7) eene uitvoerige discussie
aan het "booze oog" en maakt daarin energiek tegen de ontkenners
front(1):
"De feiten steunen op wonderbaarlijke wijze de faam. En al weten
wij er de reden niet van, daarom mogen wij toch de geschiedenis
geen geloof ontzeggen, daar immers van duizenden dingen wier
zelfstandigheid helder voor oogen ligt, de reden ons ontgaat."
"Wij kennen menschen, die door hun aanblik inzonderheid kinderen
deren, wier vochtig en zwak gestel door dezen wordt aangedaan en
eene ongunstige verandering ondergaat, terwijl dit minder overkomt
aan vaste lichamen, die reeds hun beslag hebben gekregen."
Wat de verklaring van het feit in quaestie betreft, verwerpt Plutarchus
de hypothese der atomisten (6), in II door ons vermeld, en neemt zijn
toevlucht tot de theorie der uitstroomingen (2):
"De reuk toch en de stem en de ademhaling zijn zekere
uitstroomingen der levende wezens en deelen, die de zintuigen
treffen en [allerlei] doen ondergaan ... Het ligt voor de hand, dat
dit het meest door de oogen gebeurt, want het gezicht, dat zeer
bewegelijk is, verspreidt met het fluïde, dat een flikkerenden
glans uitzendt, eene wonderbaarlijke kracht, door welke de mensch
zoowel veel lijdt als bewerkt. Immers, de mensch, door de zichtbare
dingen aangedaan, verkeert in dienovereenkomstige genoegens en
onaangenaamheden; en tot de verliefdheden, die toch de grootste en
felste aandoeningen der ziel zijn, geeft het gezicht de aanleiding,
zoodat de minnaar versmelt, wanneer hij naar de schoonen kijkt, en
er als 't ware naar toegetrokken wordt. Daarom dient men zich ook
te verwonderen over diegenen, die meenen dat de mensch door het
gezicht wel aangedaan en gekrenkt wordt, maar geenszins er iets
door doet en schade toebrengt".
Plutarchus vermeldt ook de meening, dat zekere amuletten tegen den nijd
beschermen, omdat het booze oog door hunne vreemde gestalte wordt
afgewend en minder in het slachtoffer doordringt (3).
Wij vinden inderdaad op tal van amuletten, die nog bewaard zijn
gebleven, allerzonderlingste afbeeldingen. Voornamelijk speelt het oog
zelf daarbij eene groote rol. Sommige onderzoekers hebben dan ook reeds
bij de primitieve stammen het bestaan vermoed van de theorie, dat
dezelfde kracht, die eene werking uitoefent, ze ook vermag op te heffen,
dat dus het gelijke met het gelijke, en in ons geval het oog met het oog
moet worden bestreden. Tegenwoordig heerscht echter onder de ethnologen
de opvatting, dat zulk eene systematische gedachte van de primitieve
volkeren niet is te verwachten, maar eene reeds gevorderde beschaving
veronderstelt. De ware verklaring zou deze zijn: De primitieve volkeren
gelooven, dat geesten, hetzij overledene menschen, hetzij
bovenmenschelijke wezens, het door ons reeds in hoofdstuk II vermelde
"mana", eene kracht of zelfstandigheid, ook aan onbezielde voorwerpen
kunnen mededeelen. Al wat door iets bijzonders den primitieven mensch
als drager van die geheimzinnige kracht toeschijnt, bijv. steenen van
een eigenaardigen vorm, dient als amulet. Het amulet vermag dus, om het
zoo uit te drukken, door uitstraling van "mana" de kracht van het booze
oog te breken. Aangenomen, dat deze verklaring voor de primitieve
volkeren opgaat, dan wekt toch het feit, dat wij op Grieksche amuletten
o.m. de afbeelding vinden van het gedrochtelijke Gorgo- of Medusahoofd,
met slangen omwonden en met wijd geopenden, starenden blik,
onwillekeurig de gedachte op, dat men de bedoeling had, door zulke
schrikgestalten de booze demonische machten op de vlucht te jagen.
Het behoeft verder wel geen betoog, dat hetgeen van dit geloof aan het
booze oog op waarheid berust, blijkbaar hoofdzakelijk door de inwerking
der hypnose en suggestie moet worden verklaard.
Plutarchus--om tot hem terug te keeren--acht ook wonderdadige genezingen
niet uitgesloten, zooals o.m. het door ons in hoofdstuk II aangaande
Pyrrhus vermelde uit zijne biographie van dien koning is geput.
Van de realiteit der doodenbezwering is hij vast overtuigd. De verhalen
over Calondas en Pausanias, die wij in ons eerste hoofdstuk hebben
aangehaald, zijn bij hem te vinden. En in zijn levendig geschreven
dialoog "Over den genius van Socrates" verhaalt hij (c.16) hoe een
Pythagoreëer door middel van een droom verneemt dat een zijner
geestverwanten is overleden (de Pythagoreeërs konden, heette het, door
een zeker teeken in den droom onderscheiden of het beeld van een doode
dan wel van een levende verscheen) en in den waan, dat deze niet naar
eisch ter aarde was besteld, zich naar het graf begeeft, 's avonds
plengoffers brengt en de ziel bezweert terug te keeren om hem te
verkondigen, hoe in deze te handelen. In 't verloop van de nacht ziet
hij wel is waar niets, maar verbeeldt hij zich, eene stem te hooren, die
zegt, dat voor het lijk overeenkomstig den ritus was gezorgd en dat de
ziel zich reeds heeft afgescheiden voor eene nieuwe geboorte.
En naar aanleiding van het feit, dat in zijn vaderstad Chaeronea een
zekere Damas door zijne medeburgers in het bad was vermoord, vermeldt
Plutarchus in het leven van Cimon (I):
"Daar gedurende langen tijd zekere verschijningen op die plek
gezien en zuchten gehoord werden, zooals onze voorouders
verzekerden, liet men de deuren van het bad dichtmetselen; en tot
nu toe nog meenen zij, die nabij deze plek wonen, dat
schrikwekkende gezichten en stemmen er aan verbonden zijn."
Bij de Latijnsche auteurs speelt de magie ook in dien tijd geen geringe
rol.
Seneca (gest. 65 n. Chr.), de veelzijdigste en beroemdste schrijver van
zijn tijd, evenzeer een virtuoos in verzen als in proza, schept in het
beschrijven van tooverijen veel genoegen, al is dan ook iets zoo
willekeurigs als de magie met het Stoïcijnsche determinisme dat hij
overigens huldigt, moeilijk overeen te brengen. Eene groote plaats neemt
de magie, zooals van zelf spreekt, in zijn treurspel "Medea" in, dat
blijkbaar door Euripides (vgl. hoofdstuk II) is geïnspireerd.
Medea toch, zooals in de vierde acte haar voedster--eene in de antieke
drama's onmisbare figuur--uitvoerig beschrijft, "stort al hare
toovermiddelen uit en brengt te voorschijn, wat ook zij zelf lang
vreesde; zij ontplooit de geheele menigte der rampspoeden (v.
677-679)..... Aangetrokken door de tooverzangen is de geschubde schare
uit de eenzame schuilhoeken opgedaagd" (684 vlg.). Medea maakt vergif
uit planten gereed, "perst het zwadder uit de slangen, mengt er deelen
van onheilspellende vogels onder, het hart van den droeven oehoe, het
ingewand, levend aan een gekuifden uil uitgesneden; dit alles legt de in
misdaden bedrevene afzonderlijk; in sommige middelen zit de verterende
kracht van 't vuur, in andere het kille ijs der trage koude. Ze voegt
bij de vergiften woorden, niet minder te vreezen. Daar laat zij 't
gedruisch van haren razenden tred hooren en spreekt de bezwering uit;
reeds bij de eerste klanken beeft de wereld" (731--39).
En in de derde acte van zijn "Oedipus" wordt met even sombere kleuren de
oproeping van Laïus, 's konings vader geteekend. De scenerie is doodsch,
een afgelegen bosch. "In 't midden staat een ontzaglijke boom, die met
dichte schaduw de mindere stammen drukt en zijne takken met wijden
omvang uitbreidende, alleen het woud beschermt. Onder hem bevindt zich
eene sombere waterplas, die licht noch zon kent, onbewegelijk door
eeuwige kou. Een slijkerig moeras omringt den tragen poel" (v.
542--547). Hierheen begeeft zich de grijze toovenaar en verricht de
magische plechtigheden. Zijne stem vindt gehoor. "Het geheele bosch
daalde om zich weer met zijn loof te verheffen. Het eikenhout kreeg
spleten en een huivering deed het geheele woud schokken. De grond zonk
weg en zuchtte diep" (574 vlgg.). Het is alsof de onderwereld zich er
over verontwaardigt dat men in haar wil doordringen. Toch verschijnen de
bleeke schimmen en onder hen de goden. En ten slotte verrijst, na eene
herhaalde aanroeping, de schim van Laïus en laat zijne voorspellingen
hooren (v. 619--658).
Niet in de poëzie alleen werden de aardbevingen aan de inwerking van
bovenmenschelijke wezens toegeschreven. Ook Pythagoras zou beweerd
hebben, dat de aardbevingen niets anders waren dan de samenkomsten der
afgestorvenen[49]. Analoge opvattingen vermeldt ons de volkenkunde. De
Balineezen beschouwen de aardbevingen als het werk van booze geesten.
Volgens den koning van Dahomé veroorzaakte de geest van zijn vader de
aardbeving in 't jaar 1862. De Kwakiutl-Indianen (in Britsch Columbia,
Canada) gelooven, dat het geesten zijn die de aarde doen schokken. Het
"animisme" zooals wij het noemen, is dus hier ver doorgevoerd.