De symbolieke beteekenis van knoopen in de magie is gemakkelijk te

vatten. Door het leggen van een knoop wil men boeien, wil men zekere

handelingen van personen of uitwerkingen van voorwerpen verhinderen.

Knoopen zijn dan ook vooral in de liefdestooverij gebruikelijk. Bij de

Arabieren legt een meisje, om een man tot zich te trekken, knoopen in

diens zweep. Volgens het oude volksgeloof kon eene heks door tooverij

met knoopen een verderfelijken invloed op het huwelijksleven uitoefenen.

Maar de macht van den knoop strekt zich nog veel verder uit. De Finsche

toovenaars, heette het, vermochten door het leggen van knoopen den wind

zelf vast te leggen. En onwillekeurig denken wij hierbij ook aan den

Gordiaanschen knoop. Gordius toch, een der oudste koningen van Phrygië

(in Klein-Azië) had, naar de overlevering luidt, een wagen aan Zeus, den

hoogsten god, gewijd en aan dien wagen het juk met de dissel door een

knoop verbonden, die niet gemakkelijk was los te maken. Een orakel

verkondigde, dat diegene koning over Azië zou zijn, welke dien knoop

vermocht te ontwarren. Alexander de Groote vervulde die godspraak door

den knoop met het zwaard door te hakken[24]. Dat het getal drie en

andere oneven getallen, eene groote rol in de magie spelen, is eveneens

een feit. De toovergodin Hecate werd vaak met drie aangezichten

afgebeeld. Herhaaldelijk wordt den toovenaar eene sexueele onthouding

van drie dagen voorgeschreven. Mephisto moet drie keer door Faust worden

uitgenoodigd, alvorens hij diens vertrek mag binnentreden. Voor eene

zekere oproeping van den god Apollo was een lauriertak met zeven bladen

vereischt[25]. De toovenaars op het schiereiland Malakka gebruiken

zijden draden van zeven kleuren. In de Joodsche toovervoorschriften

wordt ronduit verklaard, dat de even getallen beneden tien bepaald

ongunstig zijn.

Het geloof, dat een mensch de gedaante van een wolf of ook wel van een

ander dier kan aannemen, is bij zeer vele volkeren heerschende. In de

zestiende en zeventiende eeuw beschouwde men den weerwolf als een

dienaar des duivels en menigeen werd zoodoende het slachtoffer van den

brandstapel. Dat de wolf in oude tijden aan primitieve volkeren een

demonisch wezen toescheen en in verband werd gebracht met tooverij is

geen wonder; voorts hebben ook krankzinnigheid en hallucinaties bij het

geloof aan den weerwolf eene groote rol gespeeld.

Van tegenovergestelde strekking als de bezwering in het bovenvermelde

herdersdicht is eene episode uit het vierde boek van de Aeneïde, het

onafgewerkt tot ons gekomen heldendicht van Vergilius. De dichter laat

aldaar (v. 478--498) Dido, de koningin van Carthago, gemarteld door eene

noodlottige liefde voor Aeneas, die haar op goddelijk bevel verlaten

moet, aldus tot hare zuster spreken:

"Ik heb een middel gevonden--wensch er mij geluk mee--dat mij hem

[Aeneas] zal teruggeven of mij van mijne liefde zal bevrijden. Aan

den rand van den Oceaan, waar de zon ondergaat, houdt het gebied

der Aethiopiërs op, waar het hemelgewelf met zijne fonkelende

sterren op de schouders van den ontzaglijken Atlas zich wentelt.

Vandaar is eene priesteres van 't Massylische volk mij gewezen, die

den tempel der Hesperiden en den boom met de gouden appelen

bewaakte, die den draak aldaar voedde door hem vochtige

honig[koeken] toe te dienen, bestrooid met slaapwekkenden papaver.

Deze belooft door tooverzangen de harten van wie zij wil, van

liefde te bevrijden, maar bij anderen eene felle hartstocht op te

wekken, het water in de stroomen tot staan te brengen en de sterren

te doen terugkeeren op hare baan. Zij roept de nachtelijke schimmen

op. Gij zult den grond onder hare voeten hooren grommen en de

esschen van het gebergte zien neerdalen. Ik roep de goden en U,

geliefde zuster, tot getuigen, dat ik tegen wil en dank het wapen

der magische kunst te baat neem. Richt gij in het geheim een

brandstapel op 't binnenplein hemelhoog op en leg het zwaard van

den man, dat hij, de booswicht, in mijn vertrek vastgehecht

achterliet, en al zijne kleeren en het bruidsbed, mijn verderf, er

boven op. De priesteres gebiedt mij, al wat mij aan dien

verfoeilijken man herinnert, te vernietigen."

Ook hier weer eene symbolische handeling, waaraan eene reëele

uitwerking wordt toegeschreven. Het vernietigen van voorwerpen die op

eene ongelukkige liefde betrekking hebben, moet ook aan die liefde zelf

voorgoed een einde maken.

Aan den wensch van Dido wordt voldaan en het verhaal gaat (v. 504--519)

aldus door:

"Maar nadat op het binnenplein van 't paleis een ontzaglijke

brandstapel uit blokken van pijnboom-en eikenhout hemelhoog was

opgericht, versiert de koningin de plaats met guirlanden uit

cyprèssentakken gevlochten en, met volkomen besef van wat zij gaat

doen, legt zij de kleeren, het achtergelatene zwaard en het beeld

van Aeneas op het rustbed [bovenop den brandstapel]. Er staan

altaren rondom en de priesteres, met loshangende haren, roept

driemaal het honderdtal goden, den Erebus, de Chaos, de driedubbele

Hecate, de drie aangezichten van de maagd Diana met bulderende stem

aan. Ook had zij vocht gesprenkeld, dat water uit het meir Avernus

moest verbeelden en kruiden bijeengegaard, afgesneden bij

maneschijn met bronzen sikkel, tierige kruiden vol van zwart

venijn.... Dido zelf stond naast het altaar, met het offermeel in

de reine handen, één voet ontbloot, in een los kleed en riep, den

dood voor oogen, de goden tot getuigen aan".

Dido, die slechts voor den schijn die magische handelingen laat

verrichten, stort zich ten laatste in het zwaard van Aeneas en de

brandstapel wordt ontstoken.

Dat ook aan het getal honderd eene bijzondere uitwerking werd

toegeschreven, blijkt uit den grooten Parijschen tooverpapyrus v. 252,

waar sprake is van een magischen godennaam, die uit honderd letters

bestaat.

Bij het meir Avernus, dat in Campanië te midden van huiveringwekkende

bosschen lag, was, naar men beweerde, een toegang tot de onderwereld;

vandaar dat dit meir bij de magie dikwijls ter sprake kwam, zooals wij

nog herhaaldelijk zullen zien.

De symboliek van het loshangende haar, den ontblooten voet en het

ontgordelde kleed is vrij duidelijk. Al hetgeen boeit zou bij deze

plechtigheid hinderlijk zijn, waar het geldt den knellenden band der

liefde los te maken. Maar ook bij andere magische handelingen komen

dezelfde gebruiken voor, blijkbaar oorsponkelijk met de bedoeling om de

raadselachtige kracht, waarvan reeds in hoofdstuk II sprake is geweest,

ongestoorder te laten werken; later is dit alles een bloot overleefsel.

Ook Medea laat, zooals wij straks zullen zien, bij bezweringen het haar

neerhangen. Van Apollonius van Tyana (in Klein-Azië) een der beroemdste

magiërs, wordt verzekerd, dat hij dit gebruik zijn leven lang in acht

nam[26]. Bij de Mohammedanen laat de geestenbezweerder het haar

loshangen en hetzelfde doen ook de tooverartsen in het Zuiden van

Vóór-Indië.

Wat de ontblooting van één voet betreft, heeft men op eene Grieksche

vaas eene afbeelding gevonden van een man met zijn ontblooten

rechtervoet op de huid van een offerdier en met zijn geschoeiden

linkervoet op den grond[27]. De tweehonderd Plataeers, die in den

Peloponnesischen oorlog door de linies der hen belegerende Spartanen

heenbraken, hadden slechts hun linker voet geschoeid[28]. Blijkbaar was

het een aloud gebruik, eene soort wijding, door diegenen in acht

genomen, die een levensgevaarlijk waagstuk beproefden.

Vastgeknoopte kleeren en gordels werden over 't algemeen bij

tooverhandelingen als hinderlijk beschouwd. Vandaar dat bijv. ook Medea,

zooals spoedig blijken zal, hare kleeren los draagt. Bij het exorcisme,

d.w.z. de uitbanning van booze demonen, mocht, volgens het Joodsche

gebruik, de patiënt slechts één gewaad, en wel zonder gordel, dragen.

Opmerkelijk is ook, dat te Rome de Flamen Dialis, een der hoogste

priesterlijke ambtenaren, geen knoop in zijn kleedij mocht dragen en dat

de Mohammedaansche bedevaartgangers bij hun tocht naar Mekka hetzelfde

gebruik in eere houden.

De Epicurist Horatius (65--8 v. Chr.), zanger van wijn, liefde en

vaderlandsche deugd, tracht op alle mogelijke manieren de magie hatelijk

en bespottelijk te maken. Herhaaldelijk richt hij aanvallen tegen eene

zekere Canidia, waarvan wij in 't midden willen laten of zij al dan niet

eene historische persoonlijkheid is geweest. O.m. beschrijft hij in zijn

vijfde "Epode" op allergriezeligste wijze hoe een geroofde knaap van

voornamen stand door Canidia en hare helpsters, Sagana, Veia en Folia,

wordt doodgemarteld (15--38):

"Canidia, het onopgeschikte hoofdhaar omwonden met gezwollen

adders, gebiedt wilde vijgeboomen, uit graven opgewoeld, doodsche

cypressen, veeren en eieren van de gekuifde uil, besmeerd met het

bloed van de afschuwelijke pad en kruiden uit Thessalië en Iberië

[Georgië], vruchtbaar aan vergiften, alsmede beenderen, ontrukt aan

den muil van eene hongerige teef, in Colchische [magische] vlammen

te verbranden. Maar Sagana, opgeschort, sprenkelt door het geheele

huis heen water uit den Avernus en lijkt met haar te berge rijzend

haar op een zeeëgel of op een rennend everzwijn. Veia, door geen

gewetenswroeging afgeschrikt, groef, al hijgende van 't werk, met

haar hard houweel een kuil, opdat de knaap, er ingegraven en met

zijn mond er boven uit stekende als een zwemmer, die slechts met

zijn kin zich boven 't water verheft, door den aanblik van twee- of

driemaal in den loop van den langen dag verwisseld eten zou

wegsterven, opdat zijn uitgesneden merg en dorre lever voor de

bereiding van een minnedrank zouden dienen".

Bij de magie is wel eens meer sprake van kinderoffers. Op eene

afbeelding, die ons uit de oudheid is overgebleven, schijnt het offeren

van een kindje te worden voorgesteld[29]. In een tooverpapyrus wordt

voorgeschreven, hoe men, om eene vrouw in zijn macht te krijgen, den

toorn van de maangodin tegen haar moet opwekken: men moet haar nl.

beschuldigen dat zij o.m. een ongeboren of een jong kind offert[30]. Dit

is, zooals van zelf spreekt, slechts eene fictie. Daar echter het

griezelige eene zekere bekoring heeft, achtte men ook later nog de

tooverij met het offeren van kinderen en soortgelijke gruwelen

verbonden. Vooral in het heksengeloof speelt dit eene rol, zooals men

o.m. kan opmaken uit de bereiding van het tooverbrouwsel in de vierde

akte van "Macbeth", waarbij onder andere zonderlinge en onsmakelijke

ingrediënten ook de vinger van een bij de geboorte vermoorden zuigeling

voorkomt.

Met groote ironie verklaart de dichter, in de zeventiende epode, dat

hij voor de tooverkunsten van Canidia zwicht:

"Reeds geef ik het gewonnen aan Uwe krachtige wetenschap, ik bid en

smeek U bij het rijk van Proserpina, bij de niet aan te tasten

majesteit van Diana, bij de boeken met tooverzangen, die de

gesternten, aan den hemel vastgehecht, vermogen omlaag te roepen,

Canidia, houd eindelijk op met Uwe bezweringen en laat den vluggen

toovertol achteruit draaien [ten einde de betoovering daardoor op

te heffen] (v. I--7)".

"Ik ben te over reeds door U gestraft, o veel geliefde van matrozen

en straatventers! Gevlucht is mijn jeugd en de blozende kleur

verliet de beenderen, omhuld met eene vaalbleeke huid; mijn haar is

grijs geworden door Uwe tooverwalmen; geen rust ontspant mij van

het werk, de nacht verjaagt den dag, de dag de nacht en mijne

benauwde borst vindt geen verlichting. Dus word ik, rampzalige,

gedrongen om te gelooven wat ik ontkende, dat Sabellische

bezweringen de borst tot in het diepst schokken en je hoofd vaneen

splijt door een Marsisch tooverlied. Wat wil je meer? (v. 19--30)."

Aan de Sabellen en Marsen, volksstammen in Midden-Italië, van

oudvaderlijken eenvoud, schreven de verfijnde Romeinen het bezit van

tooverkrachten toe. Ook dit verschijnsel is zeer opmerkelijk. Volkeren

van eene "hoogere cultuur" zijn licht geneigd aan te nemen, dat volkeren

die, zooals het heet, "op een lageren trap van ontwikkeling staan," in

de magie uitmunten. De Hindoes beschouwden de oerinwoners van Indië als

toovenaars en zoo ook de Zweden de Finnen. De Hollanders vermoeden vaak

bij de Javanen het bestaan van eene "stille kracht". En het is dan ook

niet onmogelijk, dat volkeren, die te kort schieten in het uitdenken van

machinerieën--dit toch beschouwt men gewoonlijk als het meest sprekende

kenmerk van eene "hoogere cultuur"--daarentegen meer begaafd zijn met

zekere geheimzinnige krachten die het wezen uitmaken der magie.

En eindelijk worden in eene satire (I, 8) Canidia en Sagana, die 's

nachts er op uit gaan om dooden te bezweren, door Horatius op zulk eene

wijze gehoond, dat wij de reproductie ervan maar liever achterwege

laten, en met de opmerking volstaan, dat de bestrijders der magie het

zoo nauw niet nemen.

Ovidius (43 v. Chr. - ± 17 n. Chr.), de meest ingenieuze en meest

irreligieuze van alle Romeinsche dichters, steekt althans op minder

onhebbelijke wijze den draak met de tooverkunst. Hooren wij, uit een

zijner minnedichten (I, 8,5--16) de navolgende beschrijvingvan eene oude

koppelaarster, tevens magicienne:

"Zij kent de tooverkunsten en de zangen van Circe; zij doet de

snelle wateren zich terugbochten naar hunne bron; zij weet goed wat

een kruid, wat een band, rondom een draaienden toovertol gewonden,

vermag; ... als zij wil, hoopen zich wolken aan den geheelen hemel

op; als zij wil, blinkt de dag aan den helderen trans. Bloed zag

ik, (zou je 't gelooven?), van de sterren neerdruppelen; het gelaat

der maan was purpurrood van bloed. Ik vermoed, dat zij, van

gedaante veranderd, door de nachtelijke schaduwen vliegt en dat

haar oud lichaam zich met veeren overdekt; ik vermoed het, en 't

wordt beweerd; ook schittert eene dubbele pupil in hare oogen."

Dit laatste is ons ook van de Thibii, eene volksstam aan de Zwarte Zee,

bericht, van wie men verder vermeldde, dat zij de macht van het booze

oog (vgl. II) uitoefenden en in 't water niet onderzonken[31].

In zijn "Remedie tegen de liefde", overigens "een geneesmiddel erger dan

de kwaal", keurt hij (248--260) het gebruik van magische middelen af:

"Meent iemand, dat de booze kruiden van het Thessalische land en de

magische kunsten hulp kunnen brengen, dan zie hij wel toe! Dat is

de oude manier van giftmengerij: mijne muze biedt met hare gewijde

zangen eene onschuldige hulp. Volgt gij mij, dan zal geen schim op

bevel uit den grafheuvel te voorschijn treden; geen tooverkol zal

door gruwelijke bezwering den grond doen splijten; geen veldgewas

zal van den eenen akker naar den anderen over gaan; en de

zonneschijf zal niet plotseling bleek zien. De Tïber zal, als

gewoonlijk, naar de wateren der zee loopen, de maan als gewoonlijk,

met een sneeuwwit span voortrijden. Geen hart zal door bezweringen

van kommer verlost worden, geen liefde voor brandende zwavel op de

vlucht slaan ..."

Men schreef nl. reeds in overoude tijden aan zwavel eene reinigende

kracht toe en ook in de liefdestooverij werd er gebruik van gemaakt.

Ovidius verklaart verder (v. 289 vlg.):

"Wïe gij ook zijt, die hulp verlangt van onze kunst, ontzeg aan

giftmengerij en tooverzangen geloof."

Maar met dat al was de magie als litterair onderwerp ook voor hem

onmisbaar. Het werk, waaraan hij bovenal zijn naam te danken heeft, zijn

immers de "Metamorphosen," d.w.z. gedaantewisselingen, eene reeks

verhalen uit de mythologie, die telkens met verandering van

lichaamsvormen, dus met tooverij, eindigen. En de episode van Medea is

zeer zeker niet de minste in dit bij uitstek kleurrijke en

schilderachtige dichtwerk. Eén greep (VII, 180-188):

"Toen de maan in haar volsten glans en met gevulde schijf op de

landen neerzag, verliet Medea het huis, gehuld in ontgordelde

kleeren, één voet ontbloot, de haren over de naakte schouders

neergolvende; onverzeld gaat ze met zwervende schreden door de

stomme stilte der middernacht; diepe rust had menschen, gevogelte

en wilde dieren ontspannen; de heggen zijn zonder gefluister;

onbewogen zwijgt het loof; de vochtige lucht zwijgt; de sterren

alleen flikkeren."

Hierbij eene opmerking.

Er is hier sprake van "ontbloote schouders." Diergelijke ontblootingen

en zelfs algeheele naaktheid komen bij de tooverij meer voor. In een

fragment uit eene Grieksche tragedie wordt uitdrukkelijk gezegd, dat

Medea naakt de benoodigde tooverkruiden maait[32]. Op eene vaas vindt

men afgebeeld, hoe twee naakte toovenaressen de maan omlaag halen[33].

In de tooverpapyri wordt voorgeschreven, dat de knaap, die bij zekere

handelingen onmisbaar is, naakt moet zijn[34]. Bij het exorcisme, dat

aan den doop voorafging, moest oudtijds, inzonderheid volgens het

ritueel der Grieksche kerk, de doopeling ontkleed worden. Dit alles

sluit goed aan bij het boven vermelde feit, dat men knoopen en gordels

bij tooverhandelingen ongewenscht achtte: het geheimzinnige "mana"

immers moet zoo vrij mogelijk kunnen werken.

De liefdestooverij was meer dan eene bloote litteraire fictie.

Tooverdranken waren ook toen veel in gebruik en er wordt zelfs vermeld,

dat Lucretius Carus (± 97 v. Ch.--55(?) v. Ch.) door het toedienen ervan

in zijne geestvermogens zou zijn gekrenkt en derhalve zijn beroemd

leerdicht "Over de natuur der dingen", eene uiteenzetting van Epicurus'

systeem slechts in zijne heldere oogenblikken zou hebben geschreven. Men

heeft wel is waar dit bericht in twijfel getrokken, maar er zijn

omstandigheden, die sterk voor de waarheid ervan pleiten: het gedicht is

niet alleen onvoltooid, maar heeft ook verscheidene lacunes en

plotselinge overgangen; daarenboven doet de inhoud er onwillekeurig aan

denken, dat de auteur aan hallucinaties leed, 't geen immers met groote

dichterlijke begaafdheid best kan samengaan.

Maar ook andere tooverijen werden blijkbaar herhaaldelijk in practijk

gebracht.

Van Catilina, een energiek, maar ook onbesuisd man, die in 63 v. Chr.,

zooals bekend, eene poging deed om de regeering te Rome omver te werpen,

vertelden sommigen, dat hij, na het houden van eene opruiende toespraak,

om zijne deelgenoten nauwer aan zich te verbinden, menschenbloed, met

wijn vermengd, in bekers liet rondreiken; eerst nadat ze onder

vervloekingen, zooals deze bij zekere plechtigheden gebruikelijk waren,

den drank hadden geproefd, zou hij hun zijn plan hebben geopenbaard.

Aldus de geschiedschrijver Sallustius (87--35 v. Chr.), die echter

verklaart, geen genoegzame bewijzen ervoor te hebben (Samenzw. v. Cat.

22), terwijl een later auteur zelfs verhaalt, dat de saamgezworenen een

kind slachtten en bij de ingewanden ervan den eed aflegden[35]. Dat men

zich door het storten en ook wel door het drinken van bloed tot trouwe

kameraadschap verplichtte[36], kwam meer voor en zoodoende zou het

bericht omtrent Catilina eene kern van waarheid kunnen bevatten zonder

dat men daarom noodzakelijkerwijs aan het allerergste behoeft te denken.

Hoe het zij, de vrees voor de magie was zoo groot, dat men herhaaldelijk

van overheidswege er maatregelen tegen nam. Onder Augustus werden door

zijn alvermogenden gunsteling, Vipsanius Agrippa, de toovenaars en de

vaak met hen op ééne lijn gestelde sterrewichelaars, uit Rome verdreven

(33 v. Chr.)[37]. En in 't jaar 28 v. Chr. moest Anaxilaos uit Larissa

(in Thessalië), "een Pythagoreeër en magiër", Italië verlaten[38].

Maar ook de vervolgers onthielden zich niet van occultistische, resp.

magische practijken. Agrippa zelf had samen met Octavianus, zooals hij

oorspronkelijk heette, zich den horoscoop laten trekken[39], en de

keizer droeg, ten einde niet door den bliksem te worden getroffen,

altijd en overal het vel van een zeekalf bij zich als afweermiddel[40].

Het optreden van Agrippa had niet, of slechts tijdelijk, het gewenschte

gevolg: onder keizer Tiberius moesten (waarschijnlijk in 16 n. Chr.) de

astrologen en magiërs wederom uit Italië worden verjaagd. Zelfs werd één

hunner, L. Pituanius, van de Tarpejische rots afgeworpen (de straf op

hoogverraad) en lieten de consuls P. Marcius buiten de Esquilijnsche

poort (aan de Oostzijde van Rome), na met trompetgeschal het sein te

hebben gegeven, op de ouderwetsche manier, d.w.z. door geeseling en

onthoofding, terechtstellen. Aldus bericht de beroemde geschiedschrijver

Tacitus in zijne Annalen (II, 32).

Meer opzien baarde, in 't jaar 20 n. Chr., het proces van Piso, dien men

beschuldigde, Germanicus, een neef van den keizer en een zeer populair

veldheer, door vergif uit den weg te hebben geruimd. "Er werden", zooals

Tacitus in Ann. (II, 69) verzekert, "op den grond en bij de muren

overblijfsels van opgegravene menschelijke lichamen en tooverspreuken en

vervloekingen en de naam van Germanicus op looden tafels ingekrast en

halfverbrande asch met smetstof bestreken en andere toovervoorwerpen

gevonden, waardoor men gelooft dat zielen aan de onderaardsche machten

gewijd worden". Piso, hoewel hij openlijk zijne vijandschap tegen

Germanicus had betuigd, ontkende hem te hebben vergiftigd, maar pleegde,

aan zijne vrijspraak wanhopende, zelfmoord.

Men verzekert verder, dat Tiberius zelf vrij was van angstvallige

gelooverij, maar toch de astrologie beoefende (Ann. VI,20 vgl.), en, als

er onweer dreigde, voor de securiteit een laurierkrans op het hoofd

droeg[41], omdat men geloofde, dat dit loof door den bliksem niet wordt

getroffen.

Er is een factor, die reeds lang in werking, zich van die tijden af met

groote kracht doet gelden, nl. de invloed van Oostersche gedachten,

gebruiken, godsdiensten, eene strooming, aan welke men den naam

Oriëntalisme heeft gegeven.

De Romeinen, tot dusver onweerstaanbaar voortdringende, hadden eindelijk

in 't Oosten een tegenstander gevonden, dien ze niet vermochten te

overweldigen: de Parthen. De schitterende overwinning, door de Parthen

in 53 v. Chr. op Crassus behaald, die tengevolge hiervan met leger en al

zijn ondergang vond, is een keerpunt in de geschiedenis. En terwijl het

Romeinendom aldus door het Oosten op het slagveld werd gestuit,

onderging het tevens in steeds toenemende mate den invloed van het

Oosten op geestelijk gebied. Het is geen toeval, dat de invloedrijkste

denker der eerste eeuw v. Chr., Posidonius (reeds in 't begin van dit

hoofdstuk genoemd) uit Syrië afkomstig was. Aan Posidonius bovenal is

het o.m. toe te schrijven, dat eene door en door Oostersche leer, de

astrologie, in Rome tot aanzien kwam. Zooals wij zagen, werd de

astrologie door de wetgevers met de magie op ééne lijn gesteld, en

inderdaad kwamen beide niet slechts vaak met elkaar in aanraking, maar

versmolten zij ook herhaaldelijk met elkaar, zooals nog later zal

blijken.

De Oostersche godsdiensten wonnen, om het zoo uit te drukken, met den

dag veld, al verzetten ook de ouderwetsch gezinde Romeinen er zich met

hand en tand tegen en al deinsden zij zelfs voor vervolgingen niet

terug.

In de eerste plaats was het de "Alexandrijnsche" religie, die, op

instigatie van koning Ptolemaeus I (± 300 v. Chr.) uit Egyptische en

Grieksche bestanddeelen samengesteld, zich reeds vroeg over de

Helleensche en Romeinsche wereld ging verspreiden.

De Egyptische godsdienst, dien wij, tengevolge van de talrijke ons

bewaard geblevene gedenkstukken, zelfs wat kleine bijzonderheden

betreft, vrij nauwkeurig kunnen reconstrueeren, was in wezen magie.

Het geloof, dat men door zekere woorden en handelingen invloed vermag

uit te oefenen op de onbezielde zoowel als op de bezielde wezens,

heerschte van af de oudste tijden bij de Egyptenaren en was met al hun

doen en laten innig verbonden.

En evenals de menschen, weten ook de goden zich niet te helpen zonder

magie; ook zij hangen zich amuletten om, om zich te beschermen en

gebruiken tooverformulieren om elkaar te bedwingen. Allermerkwaardigst

is bijv. het navolgende verhaal, dat wij sterk verkort, maar toch

zooveel mogelijk met de woorden van het oorspronkelijke weergeven, hoe

n.l. de godin Isis, die de kennis heeft van geweldige tooverformulieren,

den zonnegod Re zijn diepste geheim weet te ontlokken.

Magie bij de Grieken en de Romeinen · 第 3 / 13 段