Deze booze tooverij, het "envoûtement", dat bij vrijwel alle volkeren

voorkomt, berust in de eerste plaats op het geloof, dat de mensch

doortrokken is met eene soort zelfstandigheid, die ook op de voorwerpen

overgaat, waarmede hij in aanraking komt. Door op die voorwerpen, zooals

in het vermelde geval op een stuk van een kleed in te werken, meent men

den persoon zelf te treffen, die verondersteld wordt er altijd in

psychisch contact mede te blijven. Onwillekeurig denken wij hierbij aan

het veelbesprokene "magnetische fluïde" en enkele onderzoekers hebben

dan ook in die richting proeven genomen, uit welke zou zijn gebleken,

dat het gebruik in quaestie, schijnbaar alleronzinnigst, toch nog op

eenigen rationeelen grondslag zou berusten. Zeker is het, dat bij

primitieve volkeren de suggestie zulk eene onweerstaanbare uitwerking

heeft, dat menigeen, zoodra hij gelooft betooverd te worden, door de

bloote angst ziek wordt en wegkwijnt. Maar het envoûtement veronderstelt

nog een ander geloof, n.l. dat symbolische handelingen reëele gevolgen

kunnen hebben, bijv. wanneer men, zonder iets te bezitten wat met het

slachtoffer in aanraking is geweest, eene figuur ervan in het zand

teekent en daarin met stokken prikt. Hierbij toch wordt blijkbaar

aangenomen, dat de mensch het vermogen bezit om door wilsconcentratie

een ander op afstand te deren, en tevens dat die wil door eene

symbolische handeling tot hoogere kracht wordt opgevoerd. De echte

telepathische experimenten in aanmerking genomen--niet de publieke

vertooningen tegen entree, die onlangs zoo grooten opgang hebben

gemaakt--zou iets dergelijks niet als onmogelijk te beschouwen zijn,

maar toch altijd wel tot de grootste uitzonderingen behooren.

Apollonius uit Rhodus, een tijdgenoot van Theocritus, verhaalt in het

derde boek van zijn epos "Argonautica" op uitvoerige en dichterlijke

wijze, hoe de toovenares Medea (zie boven) liefde voor Jason opvat en

hem de middelen aan de hand doet zich onkwetsbaar te maken, ten einde de

hem wachtende kampstrijden met goed gevolg te kunnen doorstaan. De held

gaat heen, om hare aanwijzingen ten uitvoer te brengen (v. 1191--1224):

"De avondzon dook in de duistere aarde weg achter de verstafgelegen

bergkruinen der Aethiopiërs. De nacht legde hare paarden het juk

op; de helden maakten hunne legersteden gereed bij de kabeltouwen.

Maar zoodra de lichten van het schoonblinkende beergesternte

overhelden en de lucht van af den hoogen hemel volslagen kalm was

geworden, stapte Jason heimelijk als een dief naar de eenzaamheid,

met al zijne benoodigdheden, want hij had overdag voor alles

afzonderlijk gezorgd; een ooi en melk uit de wei kwam zijn makker

Argos brengen; het overige nam hij uit het schip zelf. Maar toen

hij een plek zag, die bezijden het pad der menschen lag, kalm te

midden van zuivere beemden, baadde hij allereerst, overeenkomstig

den ritus, zijne slanke gestalte in de goddelijke rivier, en

omkleedde zich met den donkeren mantel, dien Hypsipyle uit Lemnos

hem vroeger geschonken had als eene herinnering aan hunne innige

liefde. Na vervolgens een kuil van eene el breedte in den grond te

hebben gegraven, hoopte hij gekloofd hout op, sneed een lam de keel

af en strekte het naar behooren over den kuil heen uit; hij stak de

blokken van onder in brand en goot gemengde plengoffers uit,

Hecate-Brimo [de geweldige] aanroepende als helpster bij de

kampstrijden. En na die aanroeping ging hij weer terug; de geduchte

godin echter, haar vernemende uit de diepste holen, begaf zich naar

het offer van Jason toe; haar omkransden schrikwekkende slangen te

midden van eikenloof; ontzaglijk straalde het licht der fakkels;

onderaardsche honden deden om haar heen een scherp geblaf hooren.

Alle weilanden langs het pad sidderden; de moerasbewonende nimfen,

die rondom de beemden van den Phasisstroom zwieren, gilden het uit.

Jason beving wel de vrees, maar desondanks zag hij niet om en zijn

voeten droegen hem verder, totdat hij zich onder zijne makkers had

gemengd; reeds wierp de in de vroegte geboren Dageraad verrijzende

zijn licht over den besneeuwden Caucasus."

Het reinigingsbad heeft hier kennelijk bovenal de bedoeling, de booze

demonen af te weren, die licht op den tooverende een schadelijken

invloed vermochten uit te oefenen.

Ook elders is dit heldendicht, dat inzonderheid bij de Romeinen in groot

aanzien stond en sterk werd nagevolgd, rijk aan verhalen over magie.

Dat men ook in die tijden van spot en scepticisme zich, hetzij voor

goede, hetzij voor booze doeleinden van tooverij bediende, blijkt uit

tal van gegevens.

In eene redevoering (na 327) die op naam van Demosthenes gaat en in elk

geval tot de meest boeiende lectuur uit de oudheid behoort, t.w. eene

aanklacht tegen den "chanteur" Aristogiton, vinden wij vermeld dat de

Atheners de "giftmengster" Theoris, "de Lemnische" met haar geheele

geslacht ter dood lieten brengen en wordt de broeder van Aristogiton

ervan beschuldigd, door middel van eene slavin der tooveres hare kruiden

en bezweringen te hebben overgenomen ten einde, naar zijn zeggen,

daardoor o.m. lijders van de vallende ziekte te genezen. (I. Rede tegen

Arist. c. 79 vlg.).

Aan koning Pyrrhus (gest. 272), den bekenden tegenstander der Romeinen,

werd eene wonderbare geneeskracht toegeschreven:

"Men geloofde dat hij aan miltzieken genezing bracht door een

witten haan te offeren en hun, terwijl zij achteroverlagen, met den

rechter voet de milt zachtjes aan te raken. Niemand was zoo arm of

onaanzienlijk, dat hem niet op verzoek die behandeling werd

toegestaan. Pyrrhus kreeg dan ook den haan, wanneer hij hem

geofferd had, en op dit eergeschenk was hij bijzonder gesteld. Men

zegt ook, dat de groote teen van dien [rechter] voet eene

goddelijke kracht had, zoodat hij na zijn dood, terwijl het overige

lichaam verbrand was, ongedeerd en door het vuur onaangeraakt werd

gevonden"[17].

De volkenkunde levert hiertoe tal van paralleles.

Bij de primitieve volkeren heerscht algemeen de overtuiging, dat hunne

hoofden eene bijzondere kracht of zelfstandigheid bezitten, die men

tegenwoordig gewoonlijk met een Polynesisch-Melanesisch woord "mana"

noemt, door welke zij o.m. ook zieken vermogen te genezen. Van de

hoofden op de Tonga eilanden (in de Stille Zuidzee) geloofde men, dat de

aanraking van hun voet aan kliergezwellen en leververharding een einde

maakte. Bij de Walos (aan den Senegal) brachten moeders hunne zieke

kinderen naar de koningin, die ze plechtig met den voet op den rug, de

maag, het hoofd en de beenen aanraakte. Hetzelfde geloof heerschte in

Europa. Toen Waldemar I van Denemarken (1157-1182) door Duitschland

reisde, brachten moeders hunne kinderen tot hem met het verzoek, zijne

handen op ze te leggen, in de overtuiging, dat ze dan beter zouden

groeien. Van de Engelsche koningen verwachtte men wonderdadige hulp

tegen klierziekten. Koningin Elizabeth (1558-1603) oefende herhaaldelijk

de gift der genezing uit. Karel I zou in 1633 op één dag honderd, zijn

zoon Karel II in den loop van zijne regeering (1660-1685) ten naastenbij

honderdduizend klierlijders hebben aangeraakt. Ook Fransche koningen

traden als wonderdadige genezers op. Dat door de kracht der suggestie de

koninklijke aanraking vaak zal hebben geholpen is niet onwaarschijnlijk;

of echter ook nog het "magnetische fluïde" er wel eens bij in 't spel is

geweest, moeten wij vooralsnog in 't midden laten.

Wij komen later nog op diergelijke wonderdadige genezingen terug.

Wat de booze tooverij betreft, zijn ons ook uit dien tijd verscheidene

plaatjes, bijna allen uit lood, bewaard gebleven, waarop men

vervloekingen kraste. Een voorbeeld hiervan is het navolgende, uit

Attica, van omstreeks 300 v. Chr.

"Ik boei Theagenes de tong en de ziel en het pleidooi dat hij

voorbereidt; ik boei ook van Pyrrhius den kok de handen en voeten,

de tong en de ziel en het pleidooi dat hij voorbereidt; ik boei ook

de vrouw van Pyrrhius haar tong en haar ziel; ik boei ook Cercion

den kok en Docimus den kok de tong en de ziel en het pleidooi dat

zij voorbereiden; ik boei ook Cineas de tong en de ziel en het

pleidooi dat hij met Theagenes samen voorbereidt; ik boei ook

Pherecles de tong en de ziel en het getuigenis dat hij ten gunste

van Theagenes aflegt; ik boei ook Seuthes de tong en de ziel en het

pleidooi dat hij voorbereidt en de voeten en de handen en de oogen

en den mond; ik boei ook Lamprias de tong en de ziel en het

pleidooi dat hij voorbereidt, de handen, de voeten, de oogen en den

mond, al dezen boei ik, ik doe ze verdwijnen, ik stop ze onder den

grond, ik spijker ze vast; en als ze voor de rechtbank en bij den

scheidsrechter iets doen, mogen ze dan niet in aanmerking komen,

noch in woord, noch in daad"[18].

Hier tracht men dus zijne tegenpartij in rechten te schaden en hoopt dat

hetgeen met de plaat geschiedt, ook de personen zelf zal overkomen. De

symboliek hierbij verraadt een uiterst naïeven gedachtengang. Lood is

zwaar, dus moet het ook op een afstand een bezwarenden invloed

uitoefenen. De spijker houdt vast, dus moet hij ook op afstand iemand

vastleggen. Overigens verwijzen wij naar hetgeen reeds boven over het

envoûtement is gezegd.

Meestal worden bij die vervloekingen ook de onderaardsche goden

aangeroepen, zooals bijv. op de navolgende plaat uit de vierde eeuw:

"Hermes, gij vastlegger en Persephone, legt vast van Parthenius en

Apollonius, de zoons van Hagnotheus de tong en de ziel en de daden

en de voeten en de plannen.

Hermes, gij vastlegger en Persephone, legt vast van Euxenus de ziel

en het lichaam en de voeten en de handen en de daden en de plannen

en de tong totdat hij naar de onderwereld is neergedaald"[19].

Ook bij de Romeinen werd de tooverij gedurende die tijden evenzeer in

practijk gebracht en ook bij hen ontbrak het niet aan vervolgingen van

staats- en rechtswege.

In den loop van den tweeden Punischen oorlog waren de gemoederen door de

voortdurende wisselingen van den krijgskans ten zeerste geschokt. Men

nam de toevlucht tot allerlei uitheemsche plechtigheden; magiërs en

profeten verkregen grooten invloed op het volk. Toen (in 213) gelastte

de senaat, verontrust over de toenemende verwaarloozing van den

Romeinschen eeredienst, de geschriften over magische en soortgelijke

onderwerpen aan de overheid uit te leveren[20].

Ook kwam het wel eens voor, dat men een landman, wiens voorspoed te zeer

in 't oog liep, er van beschuldigde, tooverkunsten te hebben aangewend,

zooals blijkt uit navolgend feit, dat in het jaar 157 plaats vond.

"Toen C. Furius Chresimus, een vrijgelatene, van een zeer kleinen

akker meer vruchten had geoogst, dan de naburen van de meest

uitgestrekte velden, ontstond er een groote afgunst tegen hem, en

beschuldigde men hem, dat hij andermans vruchten door booze

tooverij verlokte [d.w.z. naar zich toe lokte]. Om die reden door

een magistraat, Spurius Albinus, aangeklaagd, vreesde hij te worden

veroordeeld en bracht, toen de volksvergadering [waarbij hij in

beroep was gekomen] tot de stemming moest overgaan, al zijn

akkergereedschap naar het forum [de vergaderplaats] en haalde zijne

krachtige, welgevoede en goed gekleede slaven erbij, alsmede zijne

voortreffelijk gesmeede ijzeren werktuigen, zware houweelen,

geweldige ploeg en en doorvoedde runderen. Daarop zeide hij: "Dit

zijn mijne booze toovermiddelen, medeburgers! En al mijn zwoegen,

mijne nachtwaken en zweet kan ik U niet eens vertoonen noch naar

het forum brengen". Hij werd met algemeene stemmen

vrijgesproken[21]."

Er is hier, zooals wij zien, sprake van het verlokken, d.w. z. naar zich

toe lokken, van andermans veldgewas; die term komt ook al voor in de wet

der twaalf tafelen, die wij aan het einde van ons eerste hoofdstuk

hebben vermeld. Hoe stelde men zich echter dat naar zich toe lokken

voor? Toch wel niet zoo, dat de rijpe korenaren van het eene veld naar

het andere overliepen, al wordt dan ook, zooals later blijken zal, iets

dergelijks door dichters gezegd. Om ons een juist denkbeeld te vormen

van hetgeen bedoeld wordt, moeten wij op het primitieve denken van

landbouwende volkeren nader ingaan.

Zooals wij kunnen opmaken uit talrijke mythen en gebruiken, die zoowel

in Europa als elders voorkomen, geloofde men van oudsher dat ook de

planten en de oogst bezield waren. De "korenziel" is ook nog ten onzent

bekend, zij het dan ook slechts als een onbegrepen overleefsel

(survival). Deze ziel wordt veronderstelt in de laatste schoof te

huizen, van daar dan ook dat bij een oogst allerlei gebruiken er mede

zijn verbonden. Zeer vaak wordt van de laatste schoof eene pop gemaakt,

de "graanmoeder", soms met vrouwenkleeren opgetuigd. Teneinde het

volgende jaar een goeden oogst te hebben wordt de pop veelal met water

besprenkeld, om door deze symbolieke handeling--men spreekt ook van

"sympathetische magie"--een vruchtbaarmakenden regen te bezweren. De

korenziel leeft naar men aanneemt het geheele jaar lang; door eenige

graankorrels uit de laatste schoof met het zaaigraan te vermengen, is

men zeker van de aanwezigheid der korenziel in den oogst van het

volgende jaar. In onze Oost spreekt men van eene "rijstmoeder" als

draagster van eene bezielende zelfstandigheid. De rijstmoeder, d.w.z.

enkele halmen van weelderigen en eigenaardigen groei, bijv. van zeven

geledingen, wordt met de noodige zorg naar huis gebracht en meestal op

eene afzonderlijke plek in de schuur gezet. Zoolang men de rijstmoeder

heeft, is men verzekerd van den overigen oogst.

Nemen wij dit alles in overweging, dan ligt het voor de hand, dat men

volgens het aloude geloof door bezweringen en tooverijen niet alleen aan

het veldgewas van een ander rechtstreeks schade kon toebrengen, maar ook

diens korenziel naar zich toe kon lokken en zoodoende zich den oogst van

zijn buurman toeëigenen. Dat de dichters, die evenmin als anderen, den

oorsprong van het geloof in kwestie kenden, het verlokken van den oogst

letterlijk opvatten om hetzij hunne fantasie, hetzij hunne ironie bot te

vieren, kan geen verwondering wekken.

Er werden echter aan de magie ook gunstige werkingen toegeschreven. Zoo

geloofde men o.a. dat hagelslag door tooverspreuken kon worden afgeweerd

en dat bezweringen de kracht hadden wonden te heelen. De oude Cato

(gest. 149), de conservatieve practicus bij uitnemendheid, geeft in zijn

werk over den akker bouw (c. 160) den volgenden, overigens niet zeer

duidelijken raad:

"Indien iets ontwricht is, zal het door deze bezwering genezen.

Neem een groen riet, vier of vijf voet lang, splijt het midden door

en laten twee mannen het tegen uwe heupen aanhouden. Begin met te

bezweren. Motas, vaeta, daries, dardares, astataries,

dissunapiter, totdat ze [de stukken riet] samenkomen, en zwaai er

[het] ijzer over heen. Wanneer ze op deze wijze zijn samengekomen

en het eene stuk het andere heeft aangeraakt, grijp dan dat met de

hand en snijd het rechts en links af. Bind het vast aan de plek

waar de ontwrichting of de breuk is, en deze zal genezen."

Blijkbaar is ook hier magische symboliek in 't spel; evenals de stukken

riet worden samengevoegd, zullen, naar men gelooft, ook de beenderen

weer samengroeien.

Het zwaaien van ijzer (blijkbaar het mes) was kennelijk tegen de booze

geesten gericht, die, naar men meende, er voor bevreesd waren. Hierover

later meer.

De tooverwoorden zelve, van wier uitwerking men ongetwijfeld het meeste

verwachtte, zijn onverstaanbaar. Zijn het woorden uit eene oude,

vergetene taal en dus een overleefsel? Het oeroude heeft van zelf al

iets magisch. Of uit eene vreemde taal? Ook wat uit den vreemde komt,

geldt vaak voor tooverkrachtig. Of zijn het willekeurige

klankverbindingen? Ook dit is dikwijls in de magie het geval, vgl.

slechts het ook ten onzent gebruikelijke hocuspocus en abracadabra. Wij

komen op dit onderwerp later uitvoerig terug.

Het geloof aan de kracht van het "belezen" heeft zich in landelijke

streken met groote taaiheid weten te handhaven. In West-Vlaanderen

bestond nog niet lang geleden het gebruik, om, tot genezing van een

verstuikten paardepoot, driemaal het kruisteeken er over heen te maken

en daarbij de eerste keer aulé, de tweede keer aulelé en de derde keer

super aulé te zeggen. En ten onzent wordt bij gevallen van ontwrichting

en dgl. nog wel eens het volgende rijm uitgesproken:

"Dit arm of poot

Is verrukt of verstoot,

't Zal niet verrotten of verzweren

In den naam des Heeren ...

*Litteratuur.*

#Th. Gomperz#, Griechische Denker III (1909).

#S. Seligmann#, Der böse Blick u. Verwandtes(1910).

#R. Wünsch#, Die Zauberinnen des Theokrit, in Hessische Blatter f.

Volkskunde, VIII (1909).

#Frazer#, The magic art, Vol I (1913).

#A. de Rochas#, L'extériorisation de la sensibilité, 5e uitg.

(1899).

#O. Berthold#, Die Unverwundbarkeit in Sage u. Aberglauben d.

Griechen, in Religionsgeschtliche. Vers. u. Vorarb. hrg. v. Wünsch u.

Deubner, XI Bd., 1 Hft. (1911).

#R. Wünsch#, Antike Fluchtafeln, in KI. Texte f. Vorles. u. Üb.,

hrg. v. H. Lietzmann, No. 20, 2e uitg. (1912).

#E.N. Fallaize#, s.v. Harvest, in Encyd, rel. eth. VI(1913).

#Frazer#, Spirits of the corn a. of the wild (1914).

#A. Kruyt#, Animisme i.d. Ind, archipel (1906).

#Frazer#, Balder the beautiful II (1914).

#A. de Cock#, Volksgebr. e. Volksgel, m. betr. t. Huisdieren, in

Volkskunde, Tijdschr. v. Nederl. folklore, VII (1894).

* * * * *

HOOFDSTUK III.

*Kentering.*

De eerste eeuw vóór onze jaartelling kenmerkt zich o.m. door een steeds

toenemend verzet tegen materialisme en scepticisme. De ingewikkelde

atoomleer zoowel als de onvruchtbare twijfelingen lieten de dieper

denkenden op den duur onbevredigd. Het Pythagoreïsme en het Platonisme

herleefden. Het onzienlijke en buitengewone trok weer in verhoogde mate

de aandacht. Posidonius (± 135--± 51), een der invloedrijkste denkers,

de Leibniz der oudheid, evenzeer uitmuntende in de wiskundige

wetenschappen als in de geschiedenis, hecht aan droomen en gelooft aan

demonen.

De veranderde zienswijze der Grieksche denkers deed zich ook bij de

Romeinen sterk gelden. Terentius Varro (116--27) "Rome's grootste

geleerde", en geenszins blind voor de bedriegerijen op het gebied der

tooverij, vermeldt als een feit, dat, toen de bewoners van Tralles (in

Klein-Azië) door middel van magie den afloop van den oorlog met koning

Mithradates (tusschen 88 en 63 v. Chr.) van Pontus (aan de Zuid-Oostkust

van de Zwarte Zee) trachtten te weten te komen, de daartoe gebezigde

knaap in water het beeld van den god Mercurius (Hermes) aanschouwde en

de toekomst in 160 versregels voorspelde[22]. De Pythagoreeër Nigidius

Figulus, een tijdgenoot van Varro en in kennis ter nauwernood bij hem

achterstaande, bracht, door zekeren Fabius om inlichtingen gevraagd

aangaande 500 denaren (zilverstukken) die hij verloren had, eveneens

knapen door bezweringen in extase, waarin zij aanwezen, waar de buidel

met een gedeelte der muntstukken begraven en hoe de rest verdeeld was,

ook dat Cato (de jongere) een dier denaren had, en inderdaad erkende

deze het muntstuk van een zijner slaven voor een offer aan Apollo te

hebben ontvangen[23]. Van Vatinius, eveneens een Pythagoreeër, verzekert

Cicero in de tegen hem gerichte redevoering (VI, 14, uit het jaar 56)

dat hij de zielen uit de onderwereld opriep en de schimmen door het

offeren van knapen gunstig stemde. Aangezien Cicero twee jaren later

Vatinius heeft verdedigd, zal de laatstgenoemde gruwel wel niet als een

bewezen feit zijn te beschouwen.

In de Romeinsche litteratuur dier tijden speelt de magie, inzonderheid

voor erotische doeleinden, eene groote rol. Wij willen hiervan het o.i.

meest belangrijke aanhalen.

De beroemdste Romeinsche dichter, de ernstige, verhevene en toch

populaire Vergilius (70--19) volgt in zijn achtste herdersdicht (v

64--109) de idylle van Theocritus na, door ons in hoofdstuk II

aangehaald. Ook hier weer is het eene verlatene minnares, die met

medehulp van eene slavin, liefdestooverij verricht:

"Breng water en omwind dit altaar met een zachten band. Brand

saprijke tooverkruiden en uitnemenden wierook, opdat ik beproeve

mijn koelen echtgenoot door een magisch offer in hartstocht te doen

ontvlammen; hier ontbreken slechts tooverzangen.

Trekt, o mijn zangen, Daphnis van de stad weg naar mijn huis!

Tooverzangen kunnen zelfs de maan van den hemel omlaag trekken;

door tooverzangen heeft Circe de makkers van Odysseus veranderd; de

kille slang in de wei barst door tooverzangen.

Trekt, o mijn zangen, Daphnis van de stad weg naar mijn huis!

Eerst bind ik deze drie draden van drie verschillende kleuren om uw

beeld en voer dit driemaal rondom dit altaar; 't oneven getal

behaagt aan de goden.

Trekt, o mijn zangen, Daphnis van de stad weg naar mijn huis!

Amaryllis, leg drie knoopen in de drie kleuren, Amaryllis leg de

knoopen en zeg: "Ik knoop de boeien van Venus!"

Trekt, o mijn zangen, Daphnis van de stad weg naar mijn huis!

Evenals deze klei hard wordt en dit was smelt door één en hetzelfde

vuur, aldus moge Daphnis voor anderen gevoelloos worden, maar voor

mij in liefde opgaan! Strooi gezouten meel en ontsteek de brosse

laurier met aardpek! De gevloekte Daphnis brandt mij en ik brand

dezen laurier op zijn beeld.

Trekt, o mijn zangen, Daphnis van de stad weg naar mijn huis!

Zulk eene liefde als die eene vaars overmeestert, wanneer zij, door

wouden en diepe bosschen heen, een stier zoekende, vermoeid en

verloren naast eene waterbeek in het groene moerasriet neerzinkt en

vergeet dat de late nacht haar terugroept: zulk eene liefde

overmeestere Daphnis--en moge het niet bij mij opkomen hem te

genezen!

Trekt, o mijn zangen, Daphnis van de stad weg naar mijn huis!

Deze kleeren liet de trouwelooze mij eens als dierbaar onderpand

van hem achter, die ik nu onder den drempel zelf aan U, o aarde

toevertrouw: dit onderpand staat mij borg voor Daphnis.

Trekt, o mijn zangen, Daphnis van de stad weg naar mijn huis!

Deze giftige tooverkruiden, uit Pontus bijeengegaard, gaf Moeris

zelf mij; Pontus is er rijk aan. Dikwijls zag ik Moeris door die

kruiden een wolf worden en zich in de bosschen verbergen, dikwijls

zielen uit de diepste graven opwekken en het veldgewas elders

heenvoeren.

Trekt, o mijn zangen, Daphnis van de stad weg naar mijn huis!

Breng asch, Amaryllis, naar buiten en werp ze over uw hoofd heen in

de stroomende beek, maar zie niet om. Hiermede wil ik Daphnis

aanvallen; hij geeft niets om goden noch om tooverzangen.

Trekt, o mijn zangen, Daphnis van de stad weg naar mijn huis!

Zie! de asch heeft, terwijl ik draal met haar weg te dragen, van

zelf het altaar met trillende vlammen aangetast; het zij een goed

voorteeken! Er is zeker iets aan de hand; Hylax blaft op den

drempel. Moet ik het gelooven, of droomen zij, die minnen, wakende?

Houdt op, mijn zangen, houdt op! Daar komt Daphnis al van de stad".

Hierbij enkele opmerkingen.

Magie bij de Grieken en de Romeinen · 第 2 / 13 段