Produced by Miranda van de Heijning, Frank van Drogen and the Online
Distributed Proofreading Team.
VOLKSUNIVERSITEITS
BIBLIOTHEEK
onder redactie van de Vereeniging "V.U.B."
Prof. Dr. J. DE ZWAAN, Groningen, _Voorzitter_; Prof. Dr. Ph. KOHNSTAMM,
Amsterdam, _Ondervoorzitter_; Dr. N. ADRIANI; Prof. Mr. D. VAN BLOM;
Prof. Dr. J. BOEKE; Prof. Dr. H. BOLKESTEIN; Prof. Dr. F.J.J.
BUYTENDIJK; RADEN Dr. HOESEIN DJAJADININGRAT; H.J.G. JANSSEN VAN RAAY;
Prof. Mr. J. VAN KAN; Prof. Dr. J.W. PONT; Prof. Mr. N.W. POSTHUMUS;
Prof. Dr. A.H.M.J. VAN ROOY; Prof. Dr. C. SNOUCK HURGRONJE; IR. J.A.G.
VAN DER STEUR; Dr. H.H. ZEIJLSTRA Fzn., Deventer, _Secretaris_.
7
HAARLEM
DE ERVEN F. BOHN
1921
DE MAGIE
BIJ DE GRIEKEN EN ROMEINEN
DOOR
Dr. K.H.E. DE JONG,
Privaat-docent aan de Rijks-Universiteit te Leiden.
HAARLEM
DE ERVEN F. BOHN
1921
* * * * *
_VOORREDE_.
_De magie is in wezen handelen, actief optreden bij uitnemendheid en wel
met behulp van wonderbaarlijke of wonderbaarlijk werkende middelen, zij
doet blijken dat de mensch krachten bezit, die buiten het bereik van de
algemeen erkende zintuigen vallen; zij leidt tot de overtuiging dat onze
ziel den "dood" overleeft en dat er nog andere intelligenties zonder
cellichamen bestaan. Wat de religie betreft, deze onderscheidt zich van
de magie hoofdzakelijk daarin, dat zij tegenover de "hoogere" machten
uitteraard eene passieve houding aanneemt, een onderscheid, dat zich
echter niet streng laat doorvoeren, zooals bijv. het gebed in vele
gevallen beslist een actief karakter draagt. De mantiek, d.w.z. het om
raad vragen en uitvorschen van de toekomst buiten de rede om, wijkt
eveneens door haar passief karakter van de magie af, maar ook hier is de
grens niet scherp te trekken, daar immers de magie vaak ter wille van de
wichelarij wordt beoefend.
Wij vatten voorts de magie meer in individueelen zin op en roeren daarom
bijv. de zg. mysteriën, die immers in den grond der zaak officiëele
magie waren, niet dan bij uitzondering aan. Bij de indeeling van de
gegeven stof laten wij ons door historische gezichtspunten leiden.
Hoofdstuk I behandelt den tijd tot ± 450 v. Chr., het tijdperk van het
naïeve geloof, hoofdstuk II den tijd van ± 450 v. Chr.--± 100 v. Chr.,
waarin het ongeloof bovendrijft, hoofdstuk III den tijd van ± 100 v.
Chr.--± 50 n. Chr., waarin de kentering intreedt en het ongeloof
terugwijkt; hoofdstuk IV den tijd van ± 50 n. Chr.--± 200 n. Chr.,
waarin de nederlaag der ongeloovigen niet meer te loochenen valt, en
hoofdstuk V de laatste eeuwen der oudheid, ± 200_± 500 n. Chr., waarin
het geloof door de wijsbegeerte wordt gerechtvaardigd_.
_Hypothesen wantrouwende bepalen wij ons er hoofdzakelijk toe den lezer
met de bronnen zelve in kennis te stellen. Wij hebben daarom getracht de
citaten, hoe moeilijk, ja zelfs raadselachtig deze vaak zijn, zoo
nauwkeurig mogelijk te vertalen. Ook hierbij hebben wij, zooals van zelf
spreekt, ons den arbeid onzer voorgangers ten nutte gemaakt. In de
vertaalde teksten staan onze eigene toelichtingen tusschen [ ]._
_Het is mij eene aangename plicht, in de eerste plaats Prof. Dr. J. de
Zwaan, en verder Dr. C. Brakman en den Heer W. C. Cape, voor de nuttige
wenken, die ik van hen ontving, mijn hartelijken dank te betuigen_.
_Den Haag. K. H. E. de Jong_.
* * * * *
INHOUD.
Blz.
Voorrede ............................................................ V
Inleiding............................................................ 1
I. Het naïeve geloof................................................ 7
II. Het bovendrijvende ongeloof..................................... 19
III. Kentering...................................................... 48
IV. Nederlaag der ongeloovigen...................................... 80
V. Het geloof gerechtvaardigd door de wijsbegeerte.................. 136
Slotwoord........................................................... 242
Register............................................................ 245
Addenda............................................................. 247
* * * * *
INLEIDING.
De magie hangt samen uit allerlei bestanddeelen, die het uiterst
moeilijk is, uit elkaar te halen, te meer, daar zij immers vaak met de
wichelarij, die wij zooveel mogelijk uitschakelen, dooreen is geward.
Toch laten zich enkele onderscheidingen van principiëelen aard maken.
Het staat bijv. vast, dat tal van tooverpractijken overleefsels
(survivals) zijn, die het nageslacht in toepassing brengt zonder den
waren zin ervan te begrijpen. Als wij, zooals immers vaak geschiedt,
iets "afkloppen", dan denken wij er niet bij, dat dit kloppen
oorspronkelijk de bedoeling had, om afgunstige en gevaarlijke geesten of
demonen op de vlucht te drijven. Vaak maakten die overleefsels vroeger
deel uit van de eene of andere religie, zooals o.m. de doodenbezwering,
die ook in de classieke oudheid voorkwam, op een vroeger tijdperk van
doodenvereering duidt. Dikwijls echter klampt de tooverij zich ook aan
een nog bestaanden godsdienst vast en zijn nog heerschende religieuze
plechtigheden in wezen magisch. Wie bijv. eene hostie bij zich draagt,
om zich daardoor voor gevaren te beschermen, drijft tooverij met een
bestaand cultusvoorwerp, en de consecratie zelf, waardoor, volgens de
kerkleer, de substantie van het brood in de substantie van het lichaam
des Heeren verandert, is, uit een oogpunt van godsdienstgeschiedenis,
magie. Vaak echter hebben magische handelingen niets met eene
ondergegane of bestaande religie te maken en dienen zij slechts om
verbazing te wekken, ja, om er geld uit te slaan. Men denke bijv. aan
de publieke vertooningen van "telepathie", zooals ze onlangs ten onzent
de grootste belangstelling wekten, vertooningen die overigens met
telepathie in den strengen zin van het woord niets te maken hebben. En
zoo ontbrak het ook in de oudheid niet aan "toovenaars", die op de markt
aan nieuwsgierige toeschouwers voor "weinige stuivers" hunne
kunststukjes lieten zien.
Wat de opvattingen betreft, die men in de oudheid van de magie had, ligt
het voor de hand, dat men, afgaande op de laatst vermelde practijken,
haar veelal als eene soort bedrog, hetzij van groven, hetzij van meer
verfijnden aard beschouwde. Waar dit niet opging, maakten de
ongeloovigen zich liefst met het een of andere groote woord er van af,
als bijv. "deisidaimonie", en "superstitie", beide vrijwel equivalenten
van de ten onzent geliefkoosde uitdrukking "bijgeloof". Diegenen echter,
die de magie als iets supranormaals beschouwden, stelden zich meestal
tevreden met een onderscheid te maken tusschen de magie in ongunstigen
en in gunstigen zin, waarbij men de eerste meer bepaaldelijk goëtie, en
de laatste sinds de tweede eeuw na Chr. bij voorkeur theürgie noemde.
Het lag echter in den aard der zaak, dat dit onderscheid niet altijd
streng in acht werd genomen. De doodenbezwering bijv., ging voor
ongeoorloofd of voor geoorloofd door naar gelang men zich hierbij van
afkeerwekkende of van onaanstootelijke middelen bediende. Denkers, die
zich niet met een diergelijk op ethische gronden berustend onderscheid
vergenoegden, legden bij hunne pogingen om de magie te verklaren, den
nadruk hetzij meer op het bestaan van geheimzinnige krachten in de
menschen en in den kosmos, hetzij meer op de inwerking van
bovenmenschelijke wezens.
In onzen tijd heeft de poging om het alom voorkomende verschijnsel der
magie te verklaren, tot diep gaande en ingewikkelde theorieën aanleiding
gegeven. Dat met enkel bedrog, hoewel bedrog op dit gebied ongetwijfeld
eene groote rol speelt, zich op lange na niet alles laat verklaren, is
zeker, en ook, dat men met groote, maar, alles wel beschouwd, zinledige
woorden als "bijgeloof" evenmin verder komt. Men beschouwt de magie
thans hoofdzakelijk als het onvermijdelijke resultaat van het nog
onlogische en niet wetenschappelijk geschoolde denken der primitieve
volkeren, terwijl men haar ook wel eens opvat als eene reactie tegen een
"hoog" religieus standpunt, reeds in overoude tijden ingenomen. Verder
zijn het thans voornamelijk twee theorieën, die elkaar den voorrang
betwisten. In de eerste plaats de "animistische", volgens welke er ook
buiten de menschheid om "zielen" of "geesten" bestaan, zelfs in
voorwerpen, die wij heden ten dage als levenloos beschouwen. Hierbij
valt de nadruk op het onloochenbaar verband tusschen het geloof aan
"geesten" of "zielen" en tooverij. Daarentegen vestigt de
"praeanimistische" theorie de aandacht op het wijd verspreide geloof van
eene niet-individueele "levenskracht" door welke de tooverij wordt
verondersteld te geschieden. De aanhangers dezer theorie beroepen zich
te recht op het feit, dat bij vele magische handelingen niet aan den
bijstand of zelfs het bestaan van "geesten" of "zielen" wordt gedacht.
Beide theorieën sluiten elkaar echter volstrekt niet uit, zooals immers
ook in onze dagen het geloof aan "geesten" met het geloof aan het
"magnetische fluïde" of "dierlijk magnetisme" bij zeer velen goed
samengaat. In elk geval is bij diergelijke theoretische overwegingen
groote voorzichtigheid aan te bevelen, aangezien wij immers het
zieleleven der huidige primitieve volkeren niet dan hoogst onvolledig
kennen en aangaande de volkeren uit overoude "praehistorische" tijden in
hoofdzaak op vrij onzekere gissingen zijn aangewezen. Maar niet alles in
de magie berust op bedrog of op foutief denken; zij steunt ook, althans
in vele gevallen, op een grondslag van "psychische" feiten, zooals men
het nu pleegt te noemen. Dat door hallucinaties, hypnose,
verbaalsuggestie en autosuggestie veel te verklaren is, wordt al lang
toegegeven. Men dient echter nog verder te gaan en zekere feiten, wier
lang ontkende realiteit nu toch meer en meer blijkt, als bijv. de
mentale suggestie of telepathie en de helderziendheid er bij te trekken;
ook de werking van psychische centra buiten den mensch om is althans
niet a priori af te wijzen. Dat bij deze onderzoekingen de grootst
mogelijke critische voorzichtigheid behoort te worden in acht genomen,
behoeft geen betoog. In elk geval moeten wij echter dit principe als
onomstootelijk aannemen; daar de magie een complex is van allerlei
heterogene bestanddeelen, moet zij ook door de samenwerking van
verschillende theorieën worden verklaard.
LITTERATUUR.
a. _Van algemeenen aard_,
#H. Schurtz#, Urgeschichte der Kultur (1900).
#A. Lang#, Magie and religion (1901),
*#Zöckler#, s.v. Magier, Magie, in Herzog, Realencyklopaedie f.
protest. Theol. u. Kirche, 3e uitg. XII (1903).
#A.C. Haddon#, Magie and Fetishism (1906), in Religions, ancient
and modern.
Mgr. #A. le Roy#, La religion des primitifs (1909).
#N.W. Thomas#, s.v. Magie, in Encyclopaedia Britannica, 11e uitg.
XVII (1911).
#Arendzen#, s.v. Occult art, occultism, in The Catholic
Encyclopaedia XI (1911).
*#Frazer#, The golden bough, 3e uitg. 1911 - 1915.
#R. Dussaud#, Introduction à l'histoire d. religions (1914).
#K. Beth#, Religion und Magie bei den Naturvölkern (1914).
#R.R. Marett#, s.v. Magie (Introductory), in Encyclopaedia of
Religion and Ethics VIII (1915).
#A. Jeremias#, Allgemeine Religionsgeschichte (1918).
b. _Over "Animisme."_
#L. Frobenius#, Aus den Flegeljahren der Menschheit (1901).
#E.B. Tylor#, Primitive culture, 4^e uitg. (1903).
#Goblet d'Alviella#, s.v. Animism, in Enc. o. rel. a. eth. I
(1908).
#A.W. Nieuwenhuis#, Die Wurzeln des Animismus. Eine Studie über
die Anfange der naiven Religion nach den unter primitiven Malaiern
beobachteten Erscheinungen, in Internat. Archiv f. Ethnographie, XXIV,
Supplem. (1917).
#B. Ankermann#, Totenkult u. Seelenglaube bei den afrikanischen
Völkern, in Zeitschrift fur Ethnologie 50e jrg. (1918).
#G.W. Gilmore#, Animism or thought-currents of primitive peoples
(1919).
c. _Over "Praeanimisme"_.
#R.H. Codrington#, The Melanesians (1891).
#R.R. Marett#, The threshold of religion, 2e uitg. (1914).
#R.R. Marett#, s.v. Mana, in Encycl. o. rel. a. eth. VIII (1915).
#P. Saintyves#, La force magique (1914).
d. _Over "psychische" feiten_.
#J.A. Mac Culloch#, The childhood of fiction, a study of folktales
and primitive thought (1905).
*#K.H.E. de Jong#, Das antike Mysterienwesen in
religionsgeschichtlicher, ethnologischer und psychologischer
Beleuchtung, 2e uitg. (1919).
_Aanm. De met * gemerkte boeken zijn ook voor 't vervolg van dit werk te
raadplegen_.
* * * * *
HOOFDSTUK I.
Het naïeve geloof.
De oudste en prachtigste gedenkstukken der Grieksche letterkunde, de
heldendichten van Homerus (vóór de zevende eeuw) bevatten verscheidene
episoden, waarin de magie onmiskenbaar op den voorgrond treedt.
In de Ilias, die den oorlog der Grieken tegen Troje verheerlijkt, lezen
wij o.m. hoe Hera, de echtgenoote van den hoogsten god, Zeus, van
Afrodite, de godin der schoonheid, den gordel leent, aan wien eene
onweerstaanbare charme is verbonden, en Zeus zoodoende betoovert,
teneinde hem te beletten, den Trojanen bijstand te verleenen (XIV,
153-351).
Veel sprekender is echter in dit opzicht de Odyssea, die de lotgevallen
van koning Odysseus, een der Grieksche helden uit den Trojaanschen
oorlog, bezingt.
Odysseus toch, de meest vindingrijke en meest volhardende van alle
helden uit de classieke sagenwereld, raakt bij zijn avontuurlijken
terugkeer uit Troje met zijn eenig overgebleven schip op een onbekend
eiland verzeild, en stuurt de helft van zijne makkers op verkenning uit.
Dezen bereiken het paleis van de toovenares Circe, wier liefelijk gezang
tot hen doordringt en gaan, vriendelijk door haar uitgenoodigd, naar
binnen, op één na, die uit wantrouwen achterblijft. En terecht, want
Circe mengt onder het wijnmoes dat zij haren gasten voorzet booze
kruiden, en verandert hen door aanraking met eene tooverroede in
zwijnen. De eenige achtergeblevene makker, na tevergeefs te hebben
gewacht, keert tot Odysseus terug en spoort hem aan, zoo spoedig
mogelijk te vluchten. De held echter heeft daar geen ooren naar en gaat
terstond geheel alleen er op uit om de verlorene makkers weer op te
sporen. Onderweg ontmoet hem de god Hermes, de geleider van de zielen
der overledenen, licht hem in, hoe hij het gevaar moet afwenden en
verstrekt hem de geheimzinnige plant Moly als werkzaam tegenmiddel.
Odysseus ledigt evenzeer den verraderlijken beker, maar weet zich
ongemerkt van het tegengift te bedienen, en als Circe ook hem met de
roede aanraakt, springt hij met getrokken zwaard op haar los, als om
haar te dooden. Circe valt voor hem op de knieën, smeekt om genade, en
biedt hem, als onderpand van trouw, haar liefde aan. Odysseus gaat daar
echter niet eerder op in, voordat zij zich door een plechtigen eed
gebonden heeft, geen arglist meer in 't werk te stellen. Op verzoek van
den held, geeft Circe voorts aan zijne makkers de menschelijke gedaante
terug, en de zwervelingen brengen nu een vol jaar op het toovereiland in
vreugde en genietingen door.
Vóór hun vertrek echter gebiedt Circe Odysseus, zich naar 't doodenrijk
te begeven en aldaar den ziener Tiresias omtrent zijn verderen terugkeer
te raadplegen. Odysseus ziet daar zeer tegen op, maar Circe bemoedigt
hem en geeft hem nadere inlichtingen over den tocht naar het doodenrijk
en wat hij aldaar te verrichten heeft. De held vaart naar het
doodenrijk, dat aan gene zijde der wereldzee ligt en gaat naar de plek,
hem door Circe aangewezen. Daar graaft hij met zijn zwaard een kuil van
eene el breedte en lengte, brengt daaromheen een plengoffer voor alle
dooden, eerst van honig met melk gemengd, vervolgens van wijn, daarna
van water en strooit er ten slotte wit meel op. Hij belooft aan de
"wezenlooze hoofden der dooden" na zijn terugkeer naar Ithaca, zijn
vaderland, eene allervoortreffelijkste koe te offeren, en een
brandstapel met heerlijke gaven overladen te ontsteken, maar ter eere
van Tiresias afzonderlijk een geheel zwarten ram, uitmuntende onder de
anderen, te slachten. Hierna keelt hij een mannelijk en een vrouwelijk
schaap, zoodat het bloed in den kuil vloeit en beveelt zijn makkers ze
te villen en te verbranden, onder een gebed tot de goden van het
doodenrijk, Hades en diens gade, Persephoneia. De dooden komen op, maar
Odysseus posteert zich, altijd naar de voorschriften van Circe, met
getrokken zwaard naast de groeve en laat geen der overledenen, zelfs
zijne eigen moeder niet, het bloed naderen, alvorens Tiresias te hebben
geraadpleegd. Tiresias, kenbaar aan zijn gouden staf, nadert, drinkt van
het bloed en voorspelt aan Odysseus wat hem op zijn terugkeer en na zijn
thuiskomst wacht. Odysseus laat vervolgens zijne moeder en ook andere
overledenen van het bloed drinken en onderhoudt zich met hen[1].
Deze verhalen, hoe mythisch ook, zijn toch voor de magie der Grieken en
Romeinen, of liever voor de magie van alle volkeren in de hoogste mate
kenschetsend. Wij zien onwillekeurig welk een nauw verband er is
tusschen tooverij en zinnelijke liefde. Wij leeren, dat de magie zelfs
den toegang tot het doodenrijk vermag te ontsluiten. Voorts blijkt bij
de doodenbezwering het hoofddoel te zijn, zich omtrent het heden en de
toekomst nader te laten inlichten; vandaar dan ook de uitdrukking
"necyomantie" of de meer gebruikelijke "necromantie", d.w.z.
"doodenwichelarij".
In de geschiedenis is herhaaldelijk sprake van doodenbezweerders en
doodenorakelen. Wij zullen hier enkele treffende gevallen vermelden,
waarbij men zich tot genoemde bezweerders of instellingen wendde, ten
einde den toorn van overledenen te verzoenen of bijzonderheden te weten
te komen die aan de "levenden" onbekend waren.
De lierdichter Archilochus, vaak in één adem met Homerus genoemd, was,
omstreeks 640 v. Chr., gesneuveld. Calondas die hem had neergeveld,
wilde het orakel van Delphi raadplegen, maar de Pythia (profetes)
verdreef hem, naar algemeen verzekerd werd, met de woorden:
"Weg uit den tempel met U, die gedood hebt den dienaar der Muzen!"
Toen hij daarop zich verontschuldigde als in noodweer te hebben
gehandeld en wenschte dat hij maar liever zelf was omgekomen, werd hem
geboden, zich naar het doodenorakel te Taenarum (in het Zuiden van de
Peloponnesus) te begeven en de ziel van den dichter door smeekbeden en
plengoffers te verzoenen. Calondas voldeed hieraan en werd toen tot
Delphi toegelaten[2].
Melissa, de echtgenoote van Periander, tyran van Corinthe (omstreeks 600
v. Chr.) had van een vreemdeling een deposito ontvangen. Toen Periander,
na haar dood, dit nergens vermocht te vinden, liet hij door middel van
het vermaarde doodenorakel der Thesprotiërs (in Epirus) de overledene
vragen, hem de plaats, waar het deposito verborgen was aan te wijzen.
Zij weigerde echter zulks te doen en verzekerde, koude te lijden daar
zij geen baat had van de kleeren die met haar wel begraven maar niet
verbrand waren; tevens voegde zij er een identiteitsbewijs bij van zeer
intiemen aard. De tiran, overtuigd dat hij inderdaad met zijne
overledene vrouw te doen had, liet terstond de Corinthische vrouwen van
hare gewaden berooven en deze in een kuil verbranden, waarop de schim
van Melissa, voor de tweede keer opgeroepen, de plaats van het deposito
aanwees. Het verhaal hieromtrent is bij Herodotus, den "vader der
geschiedenis", te vinden (V, 92).
Ter loops zij hier opgemerkt, dat het een zeer oud en wijd verspreid
gebruik is, om ter eere van overledenen kleedingstukken te verbranden.
Reeds bij Homerus verzekert Andromache, de weduwe van den gesneuvelden
Trojaanschen held Hector, zijne fijne gewaden als eerbetoon in 't vuur
te zullen werpen (Ilias XXII, 510-514). Te Athene zoowel als te Rome was
het verboden, meer dan drie gewaden te gelijk met den doode aan de
vlammen prijs te geven. En nog in onzen tijd verbranden Joodsche
pelgrims in een zeker dorp van Galilea op een bepaalden dag van 't jaar
shawls en zakdoeken ter eere van overledene Rabbis.
Van Pausanias, sinds 480 voogd van een minderjarigen Spartaanschen
koning, wordt bericht dat hij, tijdens zijn verblijf te Byzantium eene
jonkvrouw, genaamd Cleonice, had willen verleiden en haar bij
vergissing had gedood. Sindsdien werd hij onophoudelijk gekweld door de
schim der verslagene, die hem in den droom verscheen en hem dreigend
toeriep:
"Ga uwe straf tegemoet! Baldadigheid voert ten verderve!"
Hij nam, ten einde raad, tot het doodenorakel te Heraklea (in Klein-Azië
aan de Zwarte Zee) zijne toevlucht, liet door allerlei ceremoniën en
plengoffers de ziel van Cleonice bezweren en trachtte haar toorn te
verbidden. Zij verscheen en zeide dat hij, te Sparta aangekomen, spoedig
van zijne ellende bevrijd zou zijn, zinspelende, naar het schijnt, op
het einde dat hem wachtte. Inderdaad werd Pausanias van verraad
overtuigd en vluchtte hij, om de inhechtenisneming te ontgaan, naar een
tempel, waarin men hem echter inmetselde en aan den hongerdood
prijsgaf[3]. De Spartanen werden daarna eveneens door schrikwekkende
verschijningen verontrust en daar het orakel hun gelastte de ziel van
Pausanias te verzoenen, ontboden zij "psychagogen", d.w.z.
doodenbezweerders, uit Italië, die een offer brachten en het schimbeeld
uit het heiligdom verdreven[4].
Aangaande de liefdestooverij zij opgemerkt, dat men daarbij, zooals
allereerst eene zinspeling van Pindarus, den verhevensten Griekschen
lierdichter (eerste helft der vijfde eeuw) aanduidt[5], o.m. een vogel
uit de familie der spechten, den draaihals (gr. iynx) op een rad (of
schijf) bond en in eene zekere richting ronddraaide. Wij zullen in
hoofdstuk II er een hoogst interessant voorbeeld van aanhalen.
Het spreekt vanzelf dat de magie zich niet bij de doodenbezwering en de
opwekking of verdrijving van liefde beperkte, maar haren invloed op het
geheele leven liet gelden. Door tooverij trachtte men ziekten te
genezen--reeds de Odyssea (XIX, 457 vlg.) kent eene bezwering, die eene
bloedende wond vermag te stelpen--, door tooverij een vijand te schaden,
ja, zoo mogelijk, te dooden--waartoe men reeds vroeg van wassen beeldjes
gebruik maakte--, door tooverij zelfs het weder en levenlooze wezens te
beïnvloeden--zooals men van de Thessaalsche heksen vertelde, dat zij de
maan van den hemel vermochten omlaag te trekken.
Aan de mythische figuur van den zanger Orpheus knoopte zich, ongeveer
sinds het begin der zesde eeuw, eene geheele litteratuur vast, die in
hooge mate een magisch karakter droeg. Orpheus zelf ging door voor een
groot toovenaar. Orphische amuletten waren in omloop. De orphische
tooverliederen riepen, naar het heette, gestorvenen weer in het leven
terug, en bezielden levenlooze voorwerpen. Rondreizende profeten
beweerden, door offers en allerlei andere ceremoniën, overeenkomstig de
voorschriften van Orpheus, aan belanghebbenden de zaligheid in het
hiernamaals te kunnen waarborgen.
Een historisch figuur daarentegen en wel uit de tweede helft der zesde
eeuw v. Chr. is Pythagoras, de ascetische, aristocratisch gezinde,
geheimzinnige hervormer, die ook als een magiër en wel voornamelijk een
beoefenaar der doodenbezwering werd beschouwd. Aangaande zijn
volgelingen waren soortgelijke geruchten--blijkbaar niet zonder
reden--in omloop. De veelzijdige en geniale Siciliaan Empedocles (±495 -
±435), arts, staatsman, dichter, wijsgeer, wiens leeringen soms aan de
evolutie-theorie doen denken, had eveneens de faam van wonderdoener,
hetgeen zeer zeker niet in tegenspraak is met het volgende fragment
waarschijnlijk uit zijn leerdicht "De natuur"[6]:
"Alle kruiden die er groeien om ziekten en ouderdom af te weren,
zult gij leeren kennen, daar ik U alleen dit alles wil
toevertrouwen. Gij zult het geweld der onvermoeide winden tot staan
brengen, die zich tegen de aarde verheffen en met hun ademtocht de
bouwlanden vernielen en omgekeerd zult gij, als gij het wilt, tot
herstel van het evenwicht, de winden er bij roepen; gij zult eene
donkere regenbui op tijd voor de menschen in droogte doen
verkeeren; gij zult ook de zomerdroogte in stroomen herscheppen,
die den groei der boomen bevorderen....gij zult uit de onderwereld
de kracht van een gestorven man weer terugroepen."
Van de magie bij de oudste Romeinen weten wij slechts zeer weinig.
Volgens latere berichten zou Numa Pompilius, de tweede, overigens
legendaire koning van Rome, zich er op hebben toegelegd om, door middel
van tooverij, de gestalten der goden in het weerspiegelende water te
aanschouwen (hydromantie, d.i. waterwichelarij)[7] en zou zijn evenzeer
legendaire opvolger, Tullus Hostilius, door een geheim offer Juppiter,
den hoogsten god, getracht hebben op te roepen, maar wegens het niet in
acht nemen van den juisten ritus door den vertoornden god met den
bliksem zijn getroffen[8]. Zeker is het, dat de zoogenaamde wet der
twaalf tafelen (ongeveer uit het midden der vijfde eeuw) dengene met
straf bedreigde, die het veldgewas had betooverd of eene booze bezwering
had uitgesproken.
Vatten wij de uitkomsten van ons onderzoek over de magie in de vroegste
eeuwen der klassieke oudheid samen, dan valt te constateeren dat zij
blijkbaar van meet af aan in Griekenland en Italië inheemsch was, dat
zij wel is waar veelal angstvallig geschuwd en soms van rechtswege
gestraft, maar ook in noodgevallen zelfs door regeeringen te hulp
geroepen werd en dat, naar alle waarschijnlijkheid, slechts
enkelen,--bijv. zeer zeker de pantheïst Xenophanes uit de zesde
eeuw--hare realiteit in vollen ernst betwijfelden of ontkenden.
Litteratuur.
*#D. Tiedemann#, Disputatio de quaestione quae fuerit artium magicarum
origo (1787).
*#L. Georgii#, s.v. Magie, in Pauly, Real-Encycl. d. class. Alt. IV
(1846).
*#Kroll#, Antiker Aberglaube, in Samml. gemeinverst. wiss. Vorträge, N.F.
Heft 278 (1897).
*#K.H.E. de Jong#, De Apuleio Isiacorum mysteriorum teste. Dissert. Leiden
(1900).
*#H. Hubert#, s.v. Magia, in Daremb. e. Sagl. Dict. d. ant. gr. e. rom. T.
III, 2 part. (1904).
*#Gruppe#. Griech. Myth. u. Rel. II (1906).
#E. Samter#, Die Religion der Griechen, in Aus Natur u. Geisteswelt Bd.
457 (1914).
*#A. Abt#, Die Apologie des Apuleius von Madaura u. die antike Zauberei,
in Religionsgesch. Vers. u. Vorarb. hrg. v. Dieterich u. Wünsch, IV Bd.
2. Hft. (1908).
#F.B. Jevons#, Graeco-Italian Magie, in Anthropology a. t. classics. Six
lectures edited by R.R. Marett (1908).
#Bouché-Leclereq#, Histoire de la divination dans l'antiquité
(1879-1881).
*#Bouché-Leclercq#, s.v. Divinatio, in Daremb. e. Sagl. Dict. d.
ant. gr. e. rom. T. II, I part. (1892).
*#Dubray#, Necromancy, in The Cath. Encycl. X (1911).
#Mau#, s.v. Bestattung, in Pauly, Real-Encyd. d. cl. Alt. 2e uitg.
III (1899).
#Frazer#, Adonis, Attis, Osiris I (1914).
#Gruppe#, s.v. Orpheus, in Roscher, Lex. Mythol. III.
*#Zeller#, Die Philosophie d. Griechen I. 5e uitg. (1892).
*#W. T(euffel)#, s.v. Iynx, in Pauly, Real-Enc. d. cl. Alt. IV
(1846).
#Gossen# s.v. Iynx, in Pauly, Real-Encyd. d. d. Alt. 2e uitg. X
(1919).
*#R. Heim#, Incantamenta magica graeca latina, in Jahrbücher f.
class. Philologie, v. Fleckeisen, XIX Supplementb. (1893).
*#Pfaff#, s.v. Incantatio, in Pauly, Real-Enc. d. cl. Alt. 2e uitg.
IX (1916).
* * * * *
HOOFDSTUK II.
*Het bovendrijvende ongeloof.*
De tweede helft der vijfde eeuw vóór Christus is de tijd der
"sophisten", die, Griekenland in alle richtingen doorkruisende,
onderricht gaven in welsprekendheid en in practische levenswijsheid. Zij
oefenden scherpe critiek op de van oudsher heerschende opvattingen en de
eminentste van hen, Protagoras, trok zelfs het bestaan der goden in
twijfel. Waarschijnlijk heeft de twijfel aan de realiteit der magie zich
inzonderheid van hen uit in ruimeren kring verspreid.
Toch was het nog langen tijd veel meer de angst dan de twijfelzucht, die
de houding van het groote publiek tegenover de magie bepaalde. Dit
blijkt zonneklaar uit de beschouwingen dienaangaande van den
dichterlijken denker, die voornamelijk door zijn stijl zulk eene
bekoring op het nageslacht heeft uitgeoefend, dat hij ook nu nog door
velen als de grootste Griek wordt beschouwd--Plato uit Athene (±427--
±347).
Plato toch geloofde niet alleen dat bij de graven wel eens
"schaduwachtige verschijningen" van overledenen, die een te materiëel
leven hadden geleid, gezien werden;[9] hij spreekt ook van eene "kunst
der bezweringen", "die eene betoovering is van slangen, spinnen,
schorpioenen en andere dieren en ziekten"[10] en van eene "zwarte"
magie, zooals men nu zou zeggen, die zelfs gezondheid en leven bedreigt.
In zijn laatste werk "De wetten" heeft hij het o.m. over schade, door
vergif of tooverij toegebracht (XI 932^e-933^e):
"Het feit dat er twee soorten van vergiftiging onder het
menschelijk geslacht gebruikelijk zijn, maakt de uiteenzetting
hieromtrent langdradig. De eene n.l. is die, welke op natuurlijke
wijze door lichamelijke middelen den lichamen schade berokkent; de
andere die, welke door middel van zekere tooverijen, bezweringen en
boeiïngen, zooals men 't noemt, werkt en zoowel aan boosdoeners de
overtuiging geeft, dat zij iets diergelijks vermogen, als aan
anderen het geloof, dat zij in de ergste mate door diegenen, die
vermogen te tooveren, schade lijden. Het is niet gemakelijk, er
achter te komen, hoe het met deze en diergelijke dingen eigenlijk
gesteld is, noch, als men er achter kwam, doenlijk, anderen
daaromtrent op overtuigende wijze in te lichten. En ook is het een
onbegonnen werk, menschen, die om diergelijke redenen argwaan tegen
elkander koesteren, te willen voorlichten, en als ze bijgeval
wassen beeldjes, 't zij bij hunne deuren, 't zij bij driesprongen,
't zij bij de grafmonumenten hunner ouders zien, hen aan te sporen,
niets om al dat soort dingen te geven, daar ze toch geen duidelijk
inzicht dienaangaande hebben. Wij maken de wet in kwestie tweeledig
en gaan in de eerste plaats iemand--op welk van beide manieren hij
ook trachte schade te berokkenen--verzoeken en aanraden niet te
probeeren iets diergelijks te doen en niet het gros der menschen
als kinderen schrik aan te jagen en bang te maken, noch ook den
wetgever en rechter te noodzaken de menschen van diergelijke
angsten te genezen, daar in de eerste plaats hij, die probeert in
dier voege schade te berokkenen, niet weet wat hij doet, zoowel wat
de lichamen betreft, als hij geen verstand heeft van geneeskunde,
als wat de tooverijen betreft, wanneer hij geen wichelaar of
teekenuitlegger is. De wet aangaande vergiftiging en tooverij luide
aldus: Indien iemand door vergif een ander persoonlijk of diens
slaven eene niet-doodelijke schade toebrengt, of zijn kudden of
bijenkorven hetzij eenige andere hetzij doodelijke schade
berokkent, moet hij, wanneer hij een geneesheer is en wegens
gifmengerij wordt veroordeeld, met den dood worden gestraft; als
hij echter een leek is, moet de rechtbank uitmaken, welke straf of
boete hij dient te ondergaan. Als iemand echter den indruk maakt
van door boeiïngen of aantrekkingen of zekere bezweringen of door
welke hekserijen van dien aard ook, schade te hebben berokkend,
moet hij, als hij een wichelaar of teekenuitlegger is, sterven, als
hij echter zonder kennis van wichelarij wegens tooverschade wordt
veroordeeld, moet ook aangaande hem de rechtbank schatten, welke
straf of boete hem haars inziens moet worden opgelegd."
Hoogst kenschetsend is ook het volgende (X, 909a-c):
"Wie het bestaan van goden of hunne voorzienigheid loochenen of
gelooven dat ze te verbidden zijn en voorts tot het dierlijke
vervallen en, de menschen verachtende, velen van de levenden
verleiden en beweren de gestorvenen op te roepen en belooven de
goden over te halen, d.w.z. ze door offers en gebeden en
bezweringen betooverende, en zoowel particulieren als geheele
families en steden ter wille van 't geld probeeren te gronde te
richten,--wie hieraan blijkt schuldig te zijn, dien veroordeele de
rechtbank om, overeenkomstig de wet, in de gevangenis in 't
binnenland te worden opgesloten en dat nooit eenig vrij persoon
toegang tot hem hebbe en dat hij de voeding, hem door de mannen der
wet bepaald, uit handen van slaven ontvange; als hij sterft, dan
moet men hem buiten de grenzen werpen en hem de begrafenis
ontzeggen. En als een vrije hem helpt begraven dan mag wie maar
wil hem wegens goddeloosheid aanklagen."
Wie hier ook maar eenigszins objectief tegenover staat, zal moeten
erkennen, dat zelfs "de goddelijke" Plato zich door bigotterie en
staats-fanatisme op de treurigste wijze heeft laten verblinden. Het is
toch al te naïef, een kwaadwillige vaderlijk te vermanen zijn
evenmenschen vooral geen schrik aan te jagen, en te onzinnig,
gevangenisstraf te eischen voor diegenen, die eene geheele stad trachten
te gronde te richten, maar de doodstraf voor hen, die aan een bijenkorf
eene niet-doodelijke schade toebrengen! Zeer zeker is het voor Plato
eene verzachtende omstandigheid, dat hij niet de laatste hand aan dit
werk heeft kunnen leggen, maar eene zware verantwoordelijkheid rust op
hen, die zulk verward en verderfelijk geschrijf--men denke slechts aan
de heksenprocessen--gedurfd hebben te publiceeren.
Van Aristoteles (384--322), den universeelen en tevens nuchteren man der
wetenschap, werd, zooals wij in hoofdstuk V nader zullen zien,
verzekerd, dat hij de realiteit der magie loochende, en dit stemt ook
met hetgeen ons van hem is bewaard gebleven, goed overeen. Echter heeft
hij in zijn geschrift "Over het voorspellen in den slaap" erkend, dat
wij somtijds in onze droomen de toekomst vooruitzien en in c. 2
getracht, de meest raadselachtige gevallen aldus te verklaren:
"Evenals wanneer iets het water of de lucht in beweging brengt,
het bewogen gedeelte weer een ander gedeelte in beweging brengt en
wanneer dat tot rust is gekomen, het voorkomt dat zulk eene
beweging tot een zeker einddoel voortgaat, hoewel hetgeen de
beweging veroorzaakte niet meer aanwezig is, aldus is er niets
tegen, dat zekere bewegingen en gewaarwordingen de droomende zielen
bereiken...en hoe ze ook tot [ons] geraakt zijn, 's nachts meer
waarneembaar zijn, doordat ze, wanneer zij zich over dag
voortplanten, eerder opgelost worden (want de lucht is 's nachts
minder in beroering omdat er dan meer windstilte heerscht) en in
het lichaam tengevolge van den slaap eene gewaarwording
veroorzaken, omdat de slapenden meer dan de wakenden ook de kleine
inwendige bewegingen gewaar worden. Deze bewegingen veroorzaken
voorstellingen, waaruit men de, toekomst aangaande de betrokken
voorwerpen vooruitziet."
"Dat kennissen het meest de toekomst van kennissen vooruitzien,
komt door het feit dat kennissen het meest over elkaar bezorgd
zijn. Want evenals ze elkaar uit de verte zeer snel herkennen en
gewaar worden, aldus worden ze ook de [bovenbedoelde] bewegingen
snel gewaar, want de bewegingen, die van kennissen uitgaan, zijn
gemakkelijker kenbaar".
Men heeft opgemerkt dat volgens deze ietwat duistere verklaring een
zeker rapport tusschen kennissen zou bestaan en dat derhalve aan
Aristoteles het geloof aan "telepathie", d.w.z. "gedachteoverbrenging"
of juister de overbrenging van gedachtebeelden, indrukken, gevoelens
buiten de gewone zintuigelijke kanalen om, niet vreemd zou zijn geweest.
Van hoe groot belang dit voor ons onderwerp is, zal spoedig blijken.
De Atomisten, die de ziel verklaarden voor een aggregaat van
stofdeeltjes dat zich tegelijk met de ontbinding van het lichaam zou
oplossen, werden gewoonlijk mede onder hen gerekend, die de realiteit
der magie loochenden. Echter trachtte Democritus (± 400 v. Chr.) de
grootste der atomisten, het geloof aan het "booze oog", dat nu nog in de
landen om de Middellandsche Zee sterk leeft, te rechtvaardigen door
zijne leer der "Idolen", d.w.z. ijle beelden, die door de lucht zweven
en verklaarde hij het alomverspreide geloof aan goden door de
verschijningen van reusachtige en lang levende, schoon niet
onsterfelijke "Idolen"[11]. Er waren dan ook willekeurige hypothesen en
ingewikkelde redeneeringen noodig om te ontkomen aan consequenties, die
tot de realiteit van geestverschijningen en tooverij voerden. Ja,
Epicurus (341-270) die de atoomleer tot een ethisch systeem verwerkte en
haar zulk eene groote populariteit deed erlangen, heeft, in zijn ijver
voor de wilsvrijheid, de uitspraak gedaan: "Het ware beter zich aan de
fabelleer over de goden te houden, dan slaaf te zijn van het noodlot
der natuurkundigen, want de fabelleer geeft toch eenige hoop, de goden
door eerbetooning te kunnen verbidden, maar het noodlot oefent een
onverbiddelijken dwang uit[12]", een uitspraak, die met eene plat
materialistische opvatting der dingen in onverzoenlijken strijd is.
De Cynici, d.w.z. Hondschen, aldus genoemd om hunne primitieve
levenswijze, die vaak ook met goede zeden in botsing kwam, verstompten
zich door hun hoofddogma van de zelfgenoegzaamheid der deugd den blik
voor de fijnere verschijnselen van het zieleleven. De populairste
vertegenwoordiger dier richting, Diogenes (tweede helft der vierde eeuw)
verzekerde dat wij na den dood in 't geheel niets meer waarnemen[13], en
dat hij, lettende op droomuitleggers, wichelaars en diegenen, die aan
hunne woorden geloof slaan, niets zotters vond dan den mensch[14]. Geen
wonder, dat de Cynici ook in latere eeuwen een verwoeden strijd voerden
tegen alles wat naar magie en het soortgelijke zweemde.
De Sceptici eindelijk (sinds ongeveer 350 v. Chr.), die tengevolge van
hun twijfel aan de juistheid van onze waarnemingen en redeneeringen ook
de meest alledaagsche feiten op losse schroeven stelden, wilden van het
wonderbaarlijke in 't geheel niets afweten; ook zij richtten hunne
wapenen onvermoeid tegen de magie en hare voorvechters, waarbij zij zich
o.m. niet ontzien hebben, een man als Pythagoras voor een bedrieger uit
te maken[15].
De nuchtere, materialistische, van het ongewone afkeerige wijsgeeren
voerden ruim twee eeuwen lang den boventoon, voornamelijk in de kringen
der "intellectueelen." Het was een tijd van "verlichting."
Bij zulk eene mentaliteit tiert van alle litteratuur-genres de comedie
het meest, die immers uitteraard vijandig staat tegenover het
wonderbaarlijke.
Reeds Aristophanes (± 445 - ± 385), de beroemdste dichter der
oud-Attische comedie, had herhaaldelijk den draak gestoken met de
tooverkunst.
In zijn "Wolken" (423) neemt een oude boer, die diep in de schuld zit,
zijn toevlucht tot Socrates en vraagt hem, hoe hij zich aan de
uitbetaling van de renten zou kunnen onttrekken. Na lang praten raadt
Socrates den boer aan, zich in te hullen en zelf iets uit te denken. De
boer jammert, maar gehoorzaamt en roept v. 746 in eens uit:
"O beste Socrates!
Socrates. Wat is er, vadertje?
Boer. Ik heb iets bedacht om van mijne rente af te komen.
Socrates. Laat eens hooren.
Boer. Zeg mij eens--
Socrates. Wat?
Boer. Als ik eene Thessaalsche toovenares geld gaf, en de maan 's
nachts omlaag haalde en ze vervolgens als een spiegel, opborg in
eene ronde doos en goed bewaarde--
Socrates. Wat zou je dat helpen?
Boer. Wat? Als de maan nooit weer opkwam, zou ik geen rente
behoeven te betalen.
Socrates. Hoe zoo?
Boer. Omdat de rente per maand wordt uitbetaald.
Een Grieksche maand liep nl. van de eene opkomende maan tot de volgende.
En in zijn laatste stuk, Plutus (388) bespot Aristophanes (v. 649-747)
de wonderdadige genezing van den blinden Plutus (god van den rijkdom) op
eene manier, die de ergste straatjongen hem niet had kunnen verbeteren.
In de latere comedieschrijvers wordt al spoedig de geest van Epicurus
vaardig; ook Menander (± 343/2-± 291/0) de bekendste van allen maakt
hierop geen uitzondering. Dit blijkt reeds uit de titels van sommige
stukken als de "Demonenvreezer" en de "Thessaalsche", die blijkbaar tot
hoofddoel hadden, het wonderbaarlijke en magische te bespotten.
Met dat al was de magie in die tijden voor de letterkundigen niet
slechts een voorwerp van spot. Ook hare poëtische zijde oefende eene
machtige bekoring uit en de grootste dichters hebben er partij van weten
te trekken.
Euripides (±481-± 406), de fijngevoeligste en wetenschappelijkste der
Grieksche tragici, koos tot onderwerp van zijn beroemdste drama de
tooveres Medea (431).
Medea, evenals Circe eene figuur uit de mythologie, was de dochter van
Aëtes, heerscher van het wonderland Colchis, aan de kust der Zwarte Zee
en ten Zuiden van den Caucasus gelegen. Jason uit Thessalië kwam tot
Aëtes om het gouden vlies op te eischen, maar de koning verklaarde dit
slechts aan dengene te zullen uitleveren, die een allergevaarlijksten
kampstrijd met goed gevolg zou hebben daarstaan. Medea vatte liefde voor
Jason op en stelde hem door toovermiddelen in staat de bovenmenschelijke
taak te volbrengen; toen Aëtes des ondanks met de uitlevering van het
gouden vlies talmde, hielp zij Jason dit heimelijk te ontvoeren en
vluchtte zij met hem naar Griekenland, waar zij tal van jaren samen een
gelukkig leven leidden.
In zijn treurspel schetst Euripides hoe Jason Medea, aan wie hij zooveel
te danken had, verstoot om met de dochter van een koning in 't huwelijk
te treden. Medea, vastbesloten zich te wreken, veinst in haar lot te
berusten en zendt zelfs de bruid kostbare kleeren en een gouden krans
ten geschenke. De uitwerking dier geschenken wordt in het navolgende tot
Medea gerichtte bodeverhaal (v. 1159-1221) aanschouwelijk beschreven:
"Zij [de koningsdochter] nam de bonte gewaden en deed ze zich om,
zette den gouden krans op hare lokken, schikte het haar voor den
glimmenden spiegel op en lachte haar zielloos evenbeeld toe.
Vervolgens stond ze van haar zetel op, ging door 't vertrek heen,
bevallig stappende met blanken voet, en, boven mate verblijd met de
geschenken, draaide ze vaak het hoofd om, en keek naar haar
opgeheven hiel. Wat er echter op volgde, was een verschrikkelijk
tooneel om te zien. Ze verandert van kleur, gaat
schuinschachteruit, bevende aan hare leden en ter nauwernood
voorkwam zij een val door in den stoel neer te zinken. En eene oude
dienares, in den waan, dat de toorn van Pan of van een ander god op
haar neerkwam [en haar tot waanzin bracht] gilde een gebed uit,
totdat ze zag hoe wit schuim uit den mond vloeide, hoe ze de
oogpupillen verdraaide, en geen bloed meer in 't vleesch was; toen
ging ze van 't gegil tot eene luide weeklacht over. Terstond rende
de eene slavin naar 't huis van haar vader, de andere naar den
bruidegom om te berichten, wat de bruid overkwam. Het geheele huis
dreunde van al het geloop. En reeds zou een hardlooper in stagen
draf het einddoel van een renbaan hebben bereikt, toen de
rampzalige met een naar gesteun uit hare sprakeloosheid ontwaakte
en het oog weer opensloeg. Een dubbel onheil bestookte haar; de
gouden wrong om 't hoofd zond een wonderbaarlijken stroom uit van
alverslindend vuur en de fijne kleeren, uw geschenk, verteerden het
blanke vleesch der ongelukkige. In brand geraakt, vliegt ze op van
haar stoel, schudt het haar en het hoofd nu herdan derwaarts heen
en wil den krans afwerpen. Maar de gouden band bleef vastzitten en
wanneer zij 't haar schudde, ontvlamde het vuur dubbel zoo erg. Zij
valt op den grond, door 't onheil overweldigd, en behalve voor haar
vader moeilijk te herkennen. De stand van hare oogen, de edele vorm
van het gelaat waren verdwenen, bloed, met vuur vermengd, druppelde
neer uit haren kruin en het vleesch viel, door den onzichtbaren
beet van het vergif, van hare beenderen af, zooals hars uit een
pijnboom druppelt--een ontzettend schouwspel. Schrik belette allen,
het lijk aan te raken; haar afgrijselijk lot was voor ons eene
waarschuwing. Maar de rampzalige vader, in zijne onwetendheid van
't onheil, komt plotseling binnen, werpt zich op 't lijk, weeklaagt
luid, slaat de armen om haar heen, kust haar en spreekt haar toe:
"O arm kind, welke demon heeft U zoo schandelijk doen omkomen? Wie
maakt den grijsaard, van U beroofd, een graf gelijk? Wee mij, mocht
ik maar met U sterven kind!" Toen hij echter met treuren en
weeklagen ophield en zijn oud lichaam weer wilde opheffen, kleefde
hij vast aan die fijne kleeren als de klimop aan een laurierspruit,
en 't werd eene verschrikkelijke worsteling: hij toch wilde zijne
knie opheffen, maar zij hield hem vast, en als hij zich met geweld
wilde losrukken, scheurde hij het grijze vleesch van zijne
beenderen af. Ten slotte bezweek hij en gaf den geest. Het onheil
was hem te machtig. Daar liggen ze nu dood naast elkaar de dochter
en de grijze vader, een ramp, die tot tranen roert."
Theocritus, de grootste bucolische, d.w.z. landelijke dichter (eerste
helft der derde eeuw) beschrijft in zijne tweede ecloga "De
toovenaressen", hoe een verlaten meisje haar geliefde door magie weer
tot zich tracht te trekken. Zij bezigt tot dat doel allerlei
toovergerei, voornamelijk echter den draaihals, reeds in ons eerste
hoofdstuk vermeld. Vandaar het refrein in het gedicht, dat wij hier
gedeeltelijk laten volgen:
"_De toovenaressen_.
Waar zijn me de laurieren? Thestylis, breng ze! Waar de
tooverkruiden? Omkrans de schaal met de roode wol van een schaap,
opdat ik den tegenover mij hardvochtigen man, dien ik toch zoo lief
heb, moge boeien, die sinds twaalf dagen, o, die ellendeling! nog
maar niet komt, en niet weet of ik gestorven ben of nog in leven en
niet aan mijne deur heeft geklopt, die wreedaard! Heeft Eros, heeft
Aphrodite zijn wuft gemoed elders heen gevoerd? Ik ga naar de
worstelschool van Timagetos, morgen, om hem te zien, en zal hem
verwijten dat hij zoo met mij omspringt. Nu echter zal ik hem door
de kracht van het offer boeien. Maar gij, o Maangodin, blink
schoon! Want U zing ik toe, o kalme godin, en U, onderaardsche
Hecate, waarvoor ook de honden sidderen, als gij schrijdt door de
graven om het donkere bloed te slurpen. Wees gegroet, o Hecate,
schrikwekkende en sta mij bij, tot het einde toe, bewerk dat deze
kruiden niet zwakker mogen zijn dan die van Circe noch die van
Medea noch die van de blonde Perimede[16].
Draaihals, lok gij dien man naar mijn huis toe!
Eerst moet het offermeel in 't vuur rooken. Maar strooi het er toch
in, Thestylis! Ongeluk, waar zijn je hersens gebleven? Of steekt
gij, vuilpoes, ook al den draak met mij? Strooi en zeg te gelijk
dit: "Ik strooi de beenderen van Delphis."
Draaihals, lok gij dien man naar mijn huis toe!
Delphis martelde mij. Maar ik brand tegen Delphis den laurier, en
evenals deze, door het vuur gegrepen, luid kraakt en plotseling is
ontvlamd en wij zelfs geen asch van haar zien, zoo moge ook het
vleesch van Delphis in de vlam worden verteerd.
Draaihals, lok gij dien man naar mijn huis toe!
Evenals ik dit was[sen beeld?] met de hulp der godin laat
versmelten, zoo moge Delphis uit Myndos terstond door liefde
versmelten. En evenals die bronzen toovertol door de kracht van
Aphrodite wordt rondgedreven, zoo moge hij ronddraaien rondom mijn
huis!
Draaihals, lok gij dien man naar mijn huis toe!
Nu offer ik de klei. Gij, Artemis, zoudt zelfs het gevoellooze
staal kunnen ontroeren en wat er verder onwrikbaar is--Thestylis,
de honden huilen door de stad heen; de godin is op de driesprongen;
sla gauw op het bronzen bekken!
Draaihals, lok gij dien man naar mijn huis toe!
Zie daar! de zee zwijgt, de winden zwijgen, de smart echter in mijn
borst zwijgt niet, maar ik verteer geheel van liefde voor hem, die
mij, rampzalige, in plaats van zijne gade tot eene slechte deerne
heeft gemaakt.
Draaihals, lok gij dien man naar mijn huis toe!
* * * * *
Deze franje van zijn mantel verloor Delphis, die ik nu uiteen pluk
en in het woeste vuur werp. O martelende liefde! hoe hebt gij als
een bloedzuiger aan mij hangende al het donkere bloed uit het
lichaam gedronken!
Draaihals, lok gij dien man naar mijn huis toe!
Eene waterhagedis stamp ik fijn en breng U morgen een boozen drank.
Thestylis, neem die tooverkruiden en besmeer daarmee van boven zijn
deurpost zoolang het nog tijd is, en zeg, er op spuwende: "Ik
vermorzel de beenderen van Delphis!"
Draaihals, lok gij dien man naar mijn huis toe!"