TOT WEERZIENS!

Om te besluiten kondig ik aan wat na mij komt.

Ik herinner U, dat ik, voor dit boek tot leven kwam, heb

gezegd,

Ik zou mijn stem blijde en krachtig doen getuigen, dat er

volmaaktheid is in alles.

Wanneer Amerika volbrengt wat beloofd is,

Wanneer door deze Staten honderd-millioen voortreffelijke

menschen gaan,

Wanneer de overigen voor hen ter zijde gaan en voor hen

leven,

Wanneer de kinderen van de volmaakte moeders bewijzen

wat Amerika is,

Dan komt voor mij en het mijne d'echte blijdschap.

Ik ben doorgedrongen sterk in mijn eigen recht,

Ik heb lijf en ziel, vrede en oorlog bezongen, en de zangen

van leven en dood doen hooren,

En de zangen van geboorte, en laten zien dat daar vele geboorten

zijn.

Ik heb mijn leer opengelegd voor ieder, met vasten tred ben

ik het leven doorgegaan;

Terwijl mijn levensvreugde nu volmaakt is, fluister ik: _Tot

weerziens!_

En neem de hand van de jonge vrouw en de hand van den

jongen man voor den laatsten keer.

Ik verkondig de opkomst van natuurlijke menschen,

Ik verkondig de triomfantelijke rechtvaardigheid,

Ik verkondig ongedeerde vrijheid en gelijkheid,

Ik verkondig de rechtvaardiging van oprechtheid en de

rechtvaardiging van zelfbewustheid,

Ik verkondig, dat de identiteit dezer Staten een enkele

identiteit is,

Ik verkondig, dat de Unie steeds vaster en onverbrekelijker

wordt,

Ik verkondig zooveel heerlijkheid en zooveel Majesteit, dat

al wat daar voorheen schoon was op aarde er bij verbleekt.

Ik verkondig verknochtheid, ik zeg: zij zal eindeloos en onoplosbaar

zijn,

Ik zeg: gij zult den vriend vinden naar wien gij gezocht hebt.

Ik verkondig de komst van een man of een vrouw, misschien

zijt gij dat _(Tot ziens dan!)_

Ik verkondig den grooten Mensch, vloeizaam als de Natuur,

kuisch, liefdevol, deelnemend, welgewapend.

Ik verkondig een leven, dat overvloedig, vurig, goddelijk,

stoutmoedig zal zijn,

Ik verkondig het Einde, dat lichtvol en blijde zich zal passen

aan den overgang.

Ik verkondig myriaden van jeugd, schoonheid, kracht en

lieflijk bloed,

Ik verkondig een geslacht van heerlijke en wijze grijsheid.

O geweldiger en heviger--_(Tot ziens!)_

O myriaden, die te dicht mij omgeeft,

Ik voorzie te veel, ik zie de goddelijke toekomst helderder

dan ooit te voren,

Dit is, geloof ik, de helderziendheid van het sterven.

Spoed U dan, o stem, klink op voor 't laatst,

Groet, groet nog eens het licht, galm nog eens den ouden

kreet uit.

Bezield schalt mijn roep, het luchtruim is mijn,

Ik zie om mij heen vrijelijk, neem wat ik zie in mij op,

Snel voorwaarts, maar nu een wijl afgestegen,

Vreemd klinkend nieuws breng ik,

Gloeiende vonken, hemelsche zaden werp ik neer in den

droesem,

Ik zelf, onkundig, vervul mijn opdracht, en verlies nooit den

moed van het Waarom?

En den groei en den bloei van het zaad laat ik over aan

geslacht na geslacht,

Aan troepen, die in den strijd-zelf opkomen, zij zullen de

taak, die ik opgelegd heb, volbrengen,

Aan vrouwen vermaak ik enkele fluisteringen van mijn Ikheid,

haar liefde verklaar ik mij duidelijker,

Aan jonge mannen geef ik de vragen des levens--geen

zwetser, ik--en beproef de kracht van hun brein,

Zoo ga ik voort, korten tijd sprekende, zichtbaar, vol tegenstrijdigheid,

Hierna een welluidende echo, waar gretig naar zal geluisterd

worden (sterven maakt mij waarlijk onsterflijk)

Het beste van mijn leven, wanneer ik niet langer zichtbaar

zal zijn, en waartoe ik mij onophoudelijk heb voorbereid.

Wat dan nog meer, dat ik draal en wijl en voortkruip met

ongesloten mond?

Is er wel eenig beslissend vaarwel?

Mijn zangen zijn hiermee geëindigd, ik laat hen na,

Van achter het scherm, dat mij verborgen hield, kom ik nu

naar voren, en ga regelrecht op U toe.

Camerado, dit is geen boek,

Wie het aanraakt, raakt een mensch aan,

(Is 't nacht? Zijn wij hier tezamen alleen?)

Ik ben 't, dien gij vasthoudt en die U vasthoudt,

Ik snel uit deze bladeren in Uw armen--de Dood roept

mij weg.

O, hoe Uw handen mij verzaligen,

Uw adem omringt mij als morgendauw, Uw hartslag zingt in

mijne ooren, en doet mij sluimeren,

Van hoofd tot voeten is 't mij lieflijk,

Is 't mij wel--genoeg!

Genoeg van den wellust der toekomstmaking, toekomst plotseling

en geheim,

Genoeg, o wegglijdend heden--genoeg, o herinnerd verleden.

Lieve vriend, wie gij ook zijt, ontvang deze kus,

In 't bijzonder U kus ik, vergeet mij niet,

Ik voel mij als een, die zijn dagwerk gedaan heeft, en

moede is,

Ik ontvang nu opnieuw den heiligen geest van den Overgang,

uit mijn mensch-gewordenheid vaar ik op, heenwaarts, waar

anderen mij zekerlijk wachten,

Een ongekende Sfeer, werkelijker nog dan ik waande, onmiddellijker

nog, schiet oproepende dageraadstralen door mij

heen. _Tot ziens!_

Herinner U mijn woorden: ik kan terug komen,

Ik heb U lief, ik ga uit van de stof,

Ik ben als een ontlichaamde, het is de Dood, het is de Overwinning.

Grashalmen · 第 44 / 65 题