Pracht van den vallenden dag, die mij verheft en vervult,
Uur van profetische kracht, uur dat het verleden doet herleven,
Het leven stijgt op in mijn keel, U, goddelijke middenmensch,
U, aarde en leven, zal ik bezingen tot den laatsten zonnegloor.
Open mond mijner ziel, die blijheid uit,
Oogen mijner ziel, die volmaaktheid zien,
Mijn grashalmen, die de dingen des levens trouwelijk roemen,
En de triumf der dingen des levens bevestigen.
Schoon iedereen!
Schoon, wat wij Ruimte noemen, sfeer van ongetelde geesten,
Schoon het voortbrengings-mysterie van het Zijn zelfs in het
onnaspeurlijke insect,
Schoon het vermogen der spraak, de zinnen, het lijf,
Schoon het verdwijnende licht, schoon de bleeke weerglans
der nieuwe maan aan den Westerhemel,
Schoon wat ik ook zie of hoor of voel tot het einde.
Grootheid, in alles,
In de voldoening en de zekerheid der dieren,
In den jaarlijkschen terugkeer der seizoenen,
In de vreugden der jonkheid,
In de kracht en den bloei des mannelijken levens,
In de grandeur en de uitgelezenheid van den ouderdom,
In het heerlijke uitzien op den Dood.
Wonderbaarlijk, het heengaan!
Wonderbaarlijk, het leven!
Het hart, de drijfkracht van 't overal-gelijke en onschuldige
bloed!
Hoe liefelijk, de lucht te ademen!
Te spreken--te gaan--iets met de hand aan te vatten!
Zich voor te bereiden op den slaap, op het naar bed gaan,
neer te zien op mijn rooskleurig lijf!
Bewustzijn te bezitten van dit lijf, zoo voldaan, zoo grootsch!
Deze ongelooflijke God te zijn, die ik ben!
Te hebben gewandeld onder andere Goden, deze mannen
en vrouwen, die ik liefheb.
Wonderbaarlijk, hoe ik U en mij-zelf roem!
Hoe mijn gedachten zachtkens spelen over de dingen, die ik
zie om mij heen!
Hoe de aarde op haar baan voort en voort schiet! Hoe de
zon, maan, sterren voort en voort schieten op hun baan!
Hoe het water wegsnelt en zingt! (Daar is leven overal en in
alles!)
Hoe de boomen oprijzen en opstaan met sterke stammen, met
takken en bladeren!
(Daar is meer dan wij zien in elk dier boomen, daar is een
levende ziel!)
O wonder van alle dingen--wonder van het kleinste atoom
zelfs!
O spiritualiteit der dingen!
O levensaccoord, dat lieflijk vloeit door menschengeslachten,
en nu mij en Amerika bezielt!
Ik voel Uw sterke trilling, doe haar uit mij vloeien, en blijde
van mij uitgaan in anderen.
Ik ook bezing de zon, in opkomst of ter noen, of, gelijk nu, in
haar ondergaan,
Ik ook weerklop het brein en de schoonheid der aarde, en
van heel het leven der aarde,
Ik heb ook den onweerstaanbaren drang gevoeld van mijn
Ik-heid.
Toen ik den Missisippi afdreef,
Toen mijn gang ging over de prairiën,
Toen ik volop leefde, toen ik uitkeek door mijn vensters,
deze oogen,
Toen ik uitging in den morgen, toen ik het licht in het
Oosten zag doorbreken,
Toen ik baadde aan het strand der Oosterzee en dan weer
aan het strand der Westerzee,
Toen ik zwierf in de straten van Chicago, diep-in-'t-land, of
waar ik ook omzwierf in de straten,
Of steden, of zwijgende wouden, of zelfs midden in het
schouwspel van oorlog,
Waar ik ook was, steeds heb ik mij vervuld van tevredenheid
en overwinning.
Tot het einde bezing ik het twee-een-zijn, nieuw of oud,
Ik bezing het eindeloos einde der dingen,
Ik zeg de natuur blijft, licht blijft,
Wat ik bezing, bezing ik met bezielende stem,
Want niet één onvolmaaktheid zie ik in gansch het Heelal,
En ik zie aan het Einde niet eenig ding, niet eenige uitkomst,
die treuren doet in het Heelal.
O, ondergaande zon! hoewel Uw tijd is gekomen,
Blijf ik voortgaan onder U te zingen, en zoo anderen niet, ik
zing in onverzwakte aanbidding voor U!