1.
Drentelende door de straten of rijdende op den rijweg buiten,
o wat al gezichten!
Gezichten van vriendschap, stelligheid, borgtocht, lieflijkheid,
ideaal,
Het gezicht van den toekomst-droomer, het overal welkome
alledaags-vriendelijke gezicht,
Het gezicht van een die zingt, de indrukwekkende gezichten
van natuurwetkenners, en van rechters met breede jukbeenderen,
Het gezicht van jagers en visschers met knobbels van opmerkzaamheid
boven de wenkbrauwen, de geschoren witte gezichten
van vrome burgers,
De nobele, ongewone, verlangende, vragende kunstenaarsgezichten,
Het leelijke gezicht, dat een majesteitelijke ziel soms bedekt,
het mooie gezicht van een, die verfoeid of veracht wordt,
De heilige gezichten van kleine kinderen, het lichtstralende
gezicht van de moeder van vele kinderen,
Het gezicht van een mignon, het gezicht van vereering,
Het gezicht vaag als een droom, het gezicht streng als een
eeuwig verstijfde rots,
Het gezicht ontdaan van zijn goed of zijn kwaad, het gezicht
van den ontmande,
Een wilde valk, zijn vleugels door den snoeier gekortwiekt.
Een hengst, overgegeven aan riemen en mes van den snijder.
Dus, drentelende door de straten of overstekende met de
steeds heen en weer varende veerboot, gezichten en gezichten
en gezichten,
Ik zie hen, klaag niet, en ben tevreden met allen.
2.
Denkt gij, dat ik tevreden ben, zou kunnen zijn, indien ik
dacht, dat deze gezichten d'eindvorm des levens waren?
Dit gezicht is te jammerlijk om van een man te kunnen zijn,
Een verworpen luis, die kruipend soebat om te leven,
Een witgemuilde made, blij als zij in haar gat mag wegkruipen.
Dit gezicht is een hondensnuit, snuffelend naar afval,
Adders nestelen in dien muil, ik hoor de sissende bedreiging.
Dit gezicht is mist, kouder dan de Poolzee,
De slaperige en waggelende ijsbergen kreunen onder het
voortdrijven.
Dit is een gezicht van bittere kruiden, dàt van een laxeermiddel:
zij hebben geen etiket noodig,
En nog meer van den apotheker: een gezicht van laudanum,
caoutchouc, duveltjesdrek,
Dit gezicht is een toeval: de sprakelooze tong uit een onmenschelijken
kreet,
De aderen aan den nek zwellen op, de oogen rollen tot enkel
hun wit wordt gezien,
De tanden knarsen, de handpalmen zijn opengereten door de
ingedrukte nagels,
De man valt strijdende tegen zijn ziekte schuimbekkend
neer, terwijl zijn oogen staren.
Dit gezicht is opgevreten van ongedierte en wormen,
En dit is het mes van een moordenaar, half uit de schede.
Dit gezicht is den doodgraver zijn vreeselijk loon schuldig,
Een nooit-stille doodsklok wordt daarin geluid.
3.
Gelaatstrekken van mijn evennaasten, wildet gij mij misleiden
in Uw kronkelenden doodendans?
O, misleiden kunt gij mij niet!
Ik zie Uw bochtigen nimmer afgebroken stoet,
Ik zie beneden het oppervlak van Uw woeste en lage
mommen.
Vertrekt en verdraait Uw gezicht, zooveel gij wilt, tast met
het fijne voel-instituut van visschen of ratten,
Eenmaal zult gij zekerlijk Uw ware gezicht moeten toonen.
Ik zag het gezicht van den smerigsten, slobberendsten idioot
in het gesticht,
En ik wist tot mijn troost wat de doctors daar niet wisten,
Ik kende de krachten, die het denken van mijn broeder hadden
verlamd en gebroken,
En diezelfde krachten zullen eens het vuil voor het vervallen
huis opruimen,
En ik zal opnieuw uitzien, als wij twee geslachten verder zijn,
Dan zal ik den echten huisheer ontmoeten, volkomen en
ongedeerd, elke atoom van hem zoo goed als een van de
mijne.
4.
De Heer komt nader en steeds nader,
Overal strijdende tegen de duisternis, de tragen meevoerende
met krachtigen arm.
Uit dit gezicht dagen banieren en ruiterij op--O, heerlijk!
Ik zie wat verschijnt,
Ik zie de hooge mutsen van pioniers, ik zie de staven der
voorloopers ruim baan maken,
Ik hoor het tromgeroffel der overwinning.
Dit gezicht is een reddingsboot,
Dit is het gebaarde gezicht, dat het bevel geeft, het ontleent
gezag aan zich-zelf;
Dit gezicht is een geurige vrucht, rijp om genoten te worden,
Dit gezicht van een gezonden, eerlijken knaap is de belofte
van al wat goed is.
Deze gezichten getuigen of zij slapen of waken,
Zij bewijzen hun afkomst van den Meester zelf.
Het woord, dat ik sprak, kome in vervulling, niet èèn sluit
ik uit--rood, wit, zwart, allen zijn goddelijk,
In elk huis is het Ovum, na duizenden jaren zal het bewezen
worden.
Vlekken of barsten in de vensters schrikken mij niet af,
Verheven en volkomen menschen staan daar achter, en wenken
mij toe,
Ik hoor de belofte en heb tijd om te wachten.
Dit is het gezicht van een volbloeide lelie,
Zij spreekt tot den hinkenden man dicht aan het tuinhek,
_Kom hier_, roept zij blozend, _kom heel dicht bij me, hinkende
man,_
_Blijf naast mij staan tot ik zoo hoog ik maar kan tegen U kan
aanleunen,_
_Vervul mij met witten honig, buig U over mij heen,_
_Beroer mij met Uw baard, beroer mij aan borst en schouders._
5.
Het oude gezicht van de moeder van vele kinderen,
Stil! Nu is 't mij zeer liefelijk.
Laag en laat is de rook op den Eersten-dagmorgen,
Hij hangt vlak boven de boomen-rijen aan de schuttingen,
Hij hangt dun bij de sassafras en de wilde kers, en in de
katstruiken omlaag.
Ik zag de rijke dames prachtig gekleed op de soirée,
Ik hoorde wat de zangers zoo lang zongen,
Leerde wie in karmozijne jeugd opkwam uit het witte schuim
en het waterblauw.
Zie een vrouw!
Haar gezicht komt half uit haar kwaker-muts, haar gezicht
is reiner en schooner dan de hemel.
Zij zit in een armstoel onder de beschaduwde deur van de
boerderij,
De zon streelt haar oude witte hoofd,
Haar ruim gewaad is van roomkleurig linnen,
Haar kleinzonen teelden het vlas en haar kleindochters
sponnen 't met het rokken en het wiel.
Het melodieuze karakter der aarde,
Het einde waar voorbij het denken niet kan gaan, en ook niet
wenscht te gaan,
De gerechtvaardigde moeder der menschen.