Te midden van alle anderen richt ik mij tot U: ik heb U iets
te zeggen,
Gij zult sterven--Laat anderen U vertellen wat zij willen, ik
zoek geen uitvluchten,
Zonder genade zeg ik U de waarheid, want ik heb U lief, en
daarom zeg ik, dat geen ontkomen U mogelijk is.
Zachtkens leg ik op U mijn rechterhand, als een liefkoozing
voelt gij 't, Ik praat niet met U, ik buig mijn hoofd zoo
dicht over het Uwe, dat gij enkel mijn oogen ziet.
Rustig zit ik aan Uw zijde, ik blijf U trouw,
Ik ben U meer dan verpleegster, meer dan verwant of buur,
Ik ontbind U van alles en allen behalve van Uw eigen ziel,
Uw eeuwige ziel, Uw echte ik, dat zekerlijk den dood
ontkomt,
Het lijk, dat gij achter zult laten, zal de droesem zijn van
het echte goud Uwer ziel.
Nu breekt de zon door de wolken, die gij den dood-zelf
waandet,
Fiere gedachten vervullen U, vertrouwen vervult U, gij
glimlacht,
Gij vergeet, dat gij ziek zijt, zooals ik vergeet, dat gij
ziek zijt,
Gij ziet Uw geneesmiddelen niet meer, gij let niet meer op
Uw weenende vrienden, ik zit aan Uw zijde,
Anderen weer ik van U af, daar valt niet te weeklagen, daar
is niemand te beklagen,
Ik beklaag U niet, ik benijd U, want meer dan het geluk, dat
wij kennen is U bereid.