EEN STILLE GEDULDIGE SPIN

Een stille geduldige spin,

Zag ik, waar zij op een kleinen vooruitspringenden hoek

alleen zat,

En ik zag, hoe zij, om de ledige groote ruimte rond zich

heen te onderzoeken,

Zich spinnende, spinnende, spinnende langzaam liet afzakken

aan onzichtbare draden,

Die zij steeds effende, die zij onvermoeid verlengde.

En gij, o mijn ziel, waar zijt gij,

Omgeven, los, in matelooze oceanen van Ruimte,

Eindeloos peinzend, wagend, spinnend zoekt gij de sferen

om U er mee te verbinden,

Tot de tijd, tot de brug, die gij behoeft, zal gelegd zijn, tot

het slepende anker vasthoudt,

Tot de herfstdraad, die gij uitlaat, ergens aan vastblijft,

o ziel.

Grashalmen · 第 40 / 65 题