Een stille geduldige spin,
Zag ik, waar zij op een kleinen vooruitspringenden hoek
alleen zat,
En ik zag, hoe zij, om de ledige groote ruimte rond zich
heen te onderzoeken,
Zich spinnende, spinnende, spinnende langzaam liet afzakken
aan onzichtbare draden,
Die zij steeds effende, die zij onvermoeid verlengde.
En gij, o mijn ziel, waar zijt gij,
Omgeven, los, in matelooze oceanen van Ruimte,
Eindeloos peinzend, wagend, spinnend zoekt gij de sferen
om U er mee te verbinden,
Tot de tijd, tot de brug, die gij behoeft, zal gelegd zijn, tot
het slepende anker vasthoudt,
Tot de herfstdraad, die gij uitlaat, ergens aan vastblijft,
o ziel.