1.
Terwijl ik wegdreef met de eb van 's levens Oceaan,
Terwijl ik terug ging langs de kust, die ik zoo goed ken,
Terwijl ik wandelde in Uw vochtig rimpel-zand, Paumanok,
door de golven bespoeld,
Waar het sissend en dreigend geruisch der baren wordt
gehoord,
Waar de woeste oude moeder eindeloos krijt om haar verloren
telgen,
Ik, op den laten herfstdag, ging peinzend, zuidwaarts
starende,
Door mijn electrische Ikheid-zelve vervreemd van den hoogmoed,
die mij mijn poëmen doet zeggen,
Ik ging, en was vervuld van den geest, die onder mijn
voeten in het zand zijn lijnen had getrokken,
Ik dacht aan het bezinksel op den bodem van alles, ook
op den bodem van alle zee, alle land, alle leven der
wereld.
Mijn aandacht geboeid, mijn oogen afgedwaald van het zuiden,
aangetrokken door die rimpels in het zand, volgden
het spoor der ebbegolven,
Kaf, stroo, houtsplinters, zeegras en kwallen,
Schuim, schilvers van glimmende rotsen, zeegras, dit alles
had de vloed achtergelaten op het strand,
Mijlen ver wandelde ik, steeds met het geruisch der brekende
golven naast mij,
Daar op Paumanok's kust, en in mij de oude gedachte, dat
alles buiten mij wordt weerspiegeld door alles in mijn
binnenste,
Die gedachte kwam door U opnieuw in mij op, gij vischvormig
eiland,
Terwijl ik terugging langs de kust, die ik zoo goed ken,
Terwijl mijn electrische Ik-heid mij deed zoeken naar mijn
evenbeeld.
2.
Terwijl ik de kusten van het onbekende zoek,
Terwijl ik luister naar het lijklied, de stemmen van mannen
en vrouwen, die schipbreuk leden,
Terwijl ik de invloeden adem, die als windstroomen op mij
instormen,
Terwijl de geheimzinnige Oceaan dichter en dichter op mij
aanvloeit,
Komt de gedachte in mij, dat ook ik ten hoogste een nietig
aanspoelsel ben van d'Oceaan,
Een handvol zand en doode zeegrassen, die men kan oprapen,
Die wòrden opgeraapt, of misschien wel straks weêr worden
weggespoeld.
O, teleurgesteld, vernietigd, het hoofd op de borst, de oogen
zoekende diep in de aarde,
Gedrukt door het weten, dat ik heb dùrven openen mijn
mond,
Nu wetende, dat te midden van allen die hun niet uitklappen
en mij de holle echo's hunner woorden in het oor
blazen, ik zelf nièt het geringste denkbeeld heb gehad
van het wat en wie mijner Ik-heid,
Dat uit al mijn verwaten poëemen nu mijn werkelijke Ik-heid
opstaat, nog altijd ongezegd, onbegrepen, onverklaard,
onbereikt,
Ik zie haar voor mij uit, mij bespottende met spot-beleefde
groeten en buigingen,
Met de galmen van uit de verte gehoord spotgelach, om elk
woord dat ik heb geschreven,
Zwijgend wijzen naar deze zangen èèrst, dan naar het zand
onder mijn voeten.
Nu wordt het mij duidelijk, dat ik niets in zijn echten zin heb
kunnen bevatten, niet het geringste, en dat niemand dit
vermag,
Hier, in het gezicht van d'Oceaan, neemt de Natuur de gelegenheid
waar om mij neer te vellen tot mijn Niets,
Omdat ik gewaagd heb ooit den mond te openen om te
spreken.
3.
Gij Oceanen beide, gij en ik, wij dicht bijeen,
Wij murmelen beiden het zelfde droeve lied, en spoelen zand
en slib aan, en weten niet waarom,
Gij, ik en allen hebben in onze ziel, gelijk dit zand de dunne
kerven van het weggespoelde leven.
Gij, broze kust bedekt met wrakhout,
Gij, visch-vormig eiland, ik aanvaard wat nu aan mijn voeten
ligt,
Wat het Uwe is, is het mijne òok, vader.
Paumanok, ook ik,
Ook ik blies mij op als waterbellen in mijn najagen van
hersenschimmen, dobberde op de onmetelijke golven des
levens, werd aangespoeld op Uw kusten,
Ook ik ben niet anders dan een op het zand geslingerd wrak,
Ook ik laat mijn splinters op U achter, gij visch-vormig
eiland.
Ik werp mij aan Uw borst, vader,
Ik omklem U zoo, dat gij U niet uit mijn omarming kunt
losmaken,
Ik houd innig vast, zoolang tot gij mij het antwoord geeft,
dat ik begeer.
Kus mij, kus mij, vader,
Beroer mij met Uw lippen, zooals ik hen beroer, die ik
liefheb,
Laat, terwijl ik U aan mijn borst klem, Uw adem mij het
lieflijk geheim influisteren van dat murmelen, waar ik naar
smacht.
4.
Eb, Oceaan des Levens, (de vloed zal terugkomen)
Staak niet Uw gejammer, woeste moeder oud,
Krijt eindeloos om Uw verloren telgen, doch vrees niet en
verloochen mij niet,
Ook ik ben Uw zoon, ruìsch niet zoo heesch en toornig aan
mijn voeten als ik U beroer, of wat gij wegwerpt, verzamel,
U en allen heb ik teeder lief,
Wat ik verzamel is zoowel voor mij-zelf als voor dien geest,
die op ons neerziet waar wij gaan, en mij en wat het mijne
is volgt,
Ik en het mijne, ebberimpels in het zand, wat waardelooze
wrakhout,
Sneeuwwit schuim, ledige waterbellen,
(Zie, hoe eindelijk door mijn doode lippen den stervensdroesem
wordt uitgeworpen,
Zie, de prismatieke kleuren glinsteren en bewegen,)
Stroohalmen, spoelzand, splinters,
Op het doodstrand gespoeld uit velerlei Niets van 's levens
droefheid en vreugd. Niets altijd Niets, en toch het een in
strijd met het ander,
Uit stroomen, kalmten, duisternis en deining,
Uit gepeins en nadenken, altijd Niets, ten hoogste een ademtocht,
een traan, een spat waters of modders,
En Niets altijd uit ons bodemloos gestreef, dat opgist en
wegvloeit,
Niets, ten hoogste een of twee teedere maar geschonden
bloesembladeren dobberende op de golven en lichtelijk aangespoeld,
Niets! en ook om ònzentwil die snikkende lijkzang der natuur,
Ook voor ons, wat ook onze oorsprong zij, dat geloei der
wolkbazuinen,
Wij, als nietswaardig aangespoeld, vanwaar is ons onbekend,
en neergeworpen aan Uw voeten,
Gij die daar zit of gaat, aan Uw voeten,
Wie gij ook zijt, ook wij liggen als wrakken aan Uw voeten.