AAN U

Wie gij ook zijt, ik vrees gij gaat den weg der droomen,

Ik weet, dat de werkelijkheid waarop gij meent te rusten

sneeuw is, die U onder handen en voeten wegsmelt,

Zelfs op dit oogenblik zie ik alles wat gij 't Uwe meent

verdwijnen: Uw gezicht, Uw vreugden, woorden, huis, handel,

wandel, verdriet, dwaasheden, gewoonten, misdaden,

Uw ware ziel, Uw ware lichaam verschijnt mij,

Verschijnt mij, opkomende uit Uw bedrijf, Uw zaken, Uw

winkel, arbeid, hofsteê, kleed, uit uw koop en verkoop,

eten, drinken, lijden en doodgaan.

Wie gij ook zijt, ik leg nu de hand op Uw hoofd, opdat gij

mijn gedicht moogt zijn,

En met mijne lippen dicht aan Uwe ooren fluister ik:

Ik heb vele vrouwen en mannen innig liefgehad, maar voor

geen hunner was mijn liefde inniger dan voor U.

O, wel traag en wel dom ben ik geweest,

Reeds veel vroeger had ik zonder omwegen mijn weg recht

op U toe moeten nemen,

Wat ik tot nu heb gezegd was gebabbel omdat ik 't niet tot

U zei; wat ik tot dusver heb gezongen was het lied der

zotheid, omdat ik U niet bezong.

Nu wil ik alles wegwerpen en tot U komen en de hymnen

zingen van U,

Niemand heeft U ooit begrepen, maar ik begrijp U,

Niemand heeft U ooit recht laten wedervaren, ook gij deedt

U zelf onrecht,

Niemand, of hij zag gebreken in U, ik alleen vind in U geen

gebrek,

Niemand, of hij wilde èèn boven U stellen, _ik_ ben de man,

die nimmer zal toestaan, dat er èèn boven U worde gesteld,

Ik ben de eenige, die noch heer, meester, betere, noch zelfs

God, hooger stel dan wat in U leeft.

Schilders hebben zwevende engelen geschilderd en in hun

midden het godsbeeld,

En om het hoofd van het godsbeeld deden zij een nimbus

stralen van goudzonnig licht.

Maar ik schilder myriaden hoofden en schilder geen hoofd

zonder dien nimbus van goud-zonnig licht,

Uit mijn vingertoppen, uit het brein van iederen man en

vrouw stroomt dat licht voor eeuwig zijn stralen uit.

O, ik zou zulke verheven roemzangen van U kunnen zingen!

Gij kendet U-zelf niet, heel U leven hebt gij in U-zelf

liggen slapen,

Uw oogen zijn heel Uw leven zoo goed als gesloten geweest,

Al uw daden komen reeds nu tot U terug en zij bespotten U,

(Uw streven, weten, bidden, indien zij niet terugkomen om

U te bespotten, hoe zullen zij dan tot U terug komen?)

Die spot geldt niet Uw ware leven,

Achter dien spot en er doorheen zie ik Uw ziel onbevredigd

staren,

Ik volg U in Uw geheimste schuilhoeken, waar nog nooit

iemand U volgde,

Indien Uw zwijgen, Uw voorovergebogen zitten aan Uw lessenaar,

Uw onverschillig doen, de nacht, het wijde kleed

der gewoonte U verhullen voor anderen, zij verhullen U

niet voor mij,

Indien Uw glad geschoren gelaat, Uw dwalend oog, Uw

puistig voorhoofd anderen afstooten, mij doen zij dat niet,

Uw bemorst kleed, lichaamseuvel, dronkenschap, gulzigheid,

of vroegtijdige onmatigheidsdood, dat alles wordt door

mij ter zijde geschoven.

Daar wordt geen talent of gave in eenigen man of vrouw

gevonden, of in U kan gelijkwaardigs gevonden worden.

Daar is geen deugd, geen schoonheid in eenigen man of

vrouw, of het even goede is in U,

Daar is geen zaligheid bereid voor anderen, of gelijke zaligheid

wacht U,

Wat mij betreft: ik zal niemand beschenken, tenzij ik volkomen

hetzelfde U schenken kan,

Niet eerder zal ik Gods of iemand glorie zingen dan ik Uw

glorie zing.

Wie gij ook zijt! Gij hebt recht aanspraak te maken op alles!

De heerlijke landen van Oost en West zijn erbarmelijk een

schouwspel, vergeleken bij U,

Zie deze onmetelijke weiden, deze eindelooze rivieren, gij zijt

onmetelijk en eindeloos als zij,

Deze furiën, elementen, stormen, het geweld der ontketende

natuur, weeën van schijnbare ontbinding: gij zijt de man,

gij zijt de vrouw die hen kan bedwingen,

In Uw eigen recht zijt gij gebieder over de natuur, de elementen,

pijnen, passiën, ontbinding.

Uw kluisters vallen van Uw enkels, er is in U een nooit

falend vermogen,

Oud of jong, man of vrouw, ongeschoold en laag, door anderen

uitgebannen, wat er in U is openbaart zich,

Door geboorte, leven, dood, aardlegging heen zijn Uw wegen

gebaand en niets is veronachtzaamd,

Door bittere ervaring, verlies, eerzucht, onwetendheid, verdriet

heen, volgt wat in U is zijn weg.

Grashalmen · 第 37 / 65 题