Komt mijn zon-gebruinde kinderen,
Volgt mij nu in dichte drommen, houdt Uw wapens blank en
vaardig,
Hebt gij allen Uw pistolen? Hebt ge Uw scherpgewette bijlen?
Pioniers! O Pioniers!
Want wij kunnen hier niet dralen,
Vòòrt wij moeten, lieve vrienden, moeten het gevaar trotseeren,
Wij zijn het jonge sterkgespierde ras, alles rust op onze
armen,
Pioniers! O Pioniers!
O, gij knapen, Westerknapen,
Krachten-ziedend, strijdbegeerig, rijk aan mannentrots en
vriendschap,
'k Zie U duidelijk, Westerknapen, 'k zie U der beschaving
voorgaan,
Pioniers! O Pioniers!
Rusten thans de oude volken,
Laten zij het hoofd nu hangen na een half-volbrachte taak,
zijn zij moê daar ginds over de wijde zeeën?
De eeuwige taak dan vatten wij op, en haar lasten en haar
wijsheid,
Pioniers! O Pioniers!
Wat verleën is moeit ons niet,
Nieùw een wereld, groòtsch een wereld, dat is de wereld van
ons streven,
Ons is frisch en kloek de wereld, en zij roept ons aan den
arbeid
Pioniers! O Pioniers!
Rotsen rukken we uit de voegen,
Over afgrond, door valleien, langs de hooge bergenklippen,
Waar wij gaan, wij overwinnen, moedig, wagend en vermetel,
langs nog onbetreden paden,
Pioniers! O Pioniers!
't Dichte oerwoud wordt geveld,
Stroomen stuiten we en doen wij keeren, wij dringen door
in de aderen der moeder en brengen haar onrust,
Delvend in den maagd-grond brengen wij er weeldevollen
waschdom,
Pioniers! O Pioniers!
Colorado-mannen zijn we,
Ons het land der hooge bergen, òns het land der breede
sierra's en der hooge bergenvlakten,
Van de mijnen, van de stroomen komen wij langs jagersporen,
Pioniers! O Pioniers!
Van Nebraska, Van Arkansas,
Van het midden dezer Staten, van Missouri zijn wij zonen,
zonen van Amerika,
Handslag geven we allen broeder, òf van 't Zuiden, òf van
't Noorden,
Pioniers! O Pioniers!
Onweerstaanbaar--wak're mannen,
Lieve broeders, kameraden! In mijn borst gloeit voor U allen
wonderteêre, sterke liefde!
O ik treur, en nochtans juich ik! Voor U allen gloei ik
van liefde,
Pioniers! O Pioniers!
Heft dan hoog de moeder-liefste
Wapp're hoog de lieve liefste, de beste en de schoone liefste,
wuiv' beheerschend boven alles (buig Uw hoofd)
Hoog de vreesbre-sterke liefste, majesteitelijk rein die
liefste,
Pioniers! O Pioniers!
Ziet dan kinderen, onvertsaagde kinderen,
Bij den strijd van onze vaadren, nimmer weif'len wij of
wijken,
Uit het schimmenrijk voorheen dringen ons millioenen voorwaarts,
Pioniers! O Pioniers!
Voorwaarts, voorwaarts trekt ons leger,
Jonge kracht brengt ons versterking, zij die in den veldtocht
vallen worden spoedig weer vervangen,
Somtijds in den strijd de neerlaag, maar toch voorwaarts,
altijd voorwaarts,
Pioniers! O Pioniers!
Al der wereld levenspolsen
Slaan voor ons den opmarschroffel in den kracht'gen Westermaat,
Maar wij, enkel of tezamen, dringen, werken ons vooruit.
Pioniers! O Pioniers!
't Is àl voor ons ideaal,
Al wat is bereikt in 't leven, al wie denkt of doet in 't leven,
al de werkers, al hun werk,
Die ter zee zijn, die te land zijn, al de meesters, al de slaven,
Pioniers! O Pioniers!
Al die liefde's helvuur kennen,
De gevangnen in 't gevang, al de braven, al de boeven,
Al de blijden, al de droeven, al de levenden en dooden,
Pioniers! O Pioniers!
En ook ik met lijf en ziele,
Wij, aldus een trio vreemd, saamlend al wat wij ervaren,
gaan ge-drieën onzen weg,
Door de landen, over zeeën, door het licht en door den
schemer, door verledens spokenheiren,
Pioniers! O Pioniers!
Zie deez' wentelenden aardbol!
Zie in 't rond de broeder-bollen, al de zonnen, de planeten,
samenhangende als trossen,
In de schit'rend-lichte dagen, in de droom-mystieke nachten,
Pioniers! O Pioniers!
Al die werelden zijn ons,
Zijn voor 't groot ontginningswerk, wijl de volgers ongeboren
in die werelden ons wachten,
Wij gaan slechts aan 't hoofd des hedens en bereiden hun
den weg,
Pioniers! O Pioniers!
O gij dochters van het Westen!
O gij jonge en oud're dochters! O gij moeders en gij vrouwen!
Nimmer moet gij van ons wijken! Uwe plaats is in ons leger
Pioniers! O Pioniers!
Prairiedichters ongeboren!
(Dichters van de oude landen, gij moogt rusten in Uw doodskleed,
want ook gij deedt eens uw arbeid,)
Spoedig zal 'k Uw krijgslied hooren, spoedig trekt gij met
ons op,
Pioniers! O Pioniers!
Niet de zoete minneliedjes,
Niet op kussens, niet op muilen, niet het vredige, niet het
lieve,
Niet de vadse rust der rijkaards, niet voor ons het tam
vermaak,
Pioniers! O Pioniers!
Laat dan anderen gulzig fuiven,
Laat de dikke slapers slapen, laat hen in hun rust verroesten,
Karig, spaarzaam, zij ons voedsel, hard ons bed en zwaar de
arbeid,
Pioniers! O Pioniers!
Is de nacht voor ons gekomen?
Was de weg ons heden moeilijk? Vielen wij soms moedloos
neder?
Laat ons dan een wijle rusten, voor een uur den strijd
vergeten,
Pioniers! O Pioniers!
Op! met schaat'rend een trompetschal,
Roept ons de ochtendstond--hoort!--
Luide en gebiedend klinkt zijn:
"ontwaakt!"
Op! Op! naar de voorhoede des legers!
Op! Dat ieder naar zijn plaats snelle,
Pioniers! O Pioniers!